Verantwoordelijkheid in afhankelijkheid (4, slot)

1997-06-27
  • Jaargang 41
  • nummer 13
‘Hoe gaan we nu om met die concrete bijbelse voorschriften?’. Dat is een vraag waarvan ik me goed kan voorstellen, dat die na lezing van de vorige artikelen gesteld wordt. Een beetje kritisch en ongerust ook. Oké, er mag in die artikelen dan een helemaal door het werk van God in Christus bepaald kder zijn aangegeven waarbinnen de mens heeft te leven, maar wordt er binnen dit kader niet veel te veel ruimte aan de menselijke verantwoordelijkheid en beslissingsbevoegdheid gelaten? Leidt dit er niet toe, dat bijbelse voorschriften met een korreltje zou genomen gaan worden?

Om niet in vage algemeenheden te vervallen, heb ik gekozen voor de bespreking van één concrete vermaning, die geen exegetische problemen kent en qua inhoud niet te zwaar is.
Op basis daarvan wil ik dan enkele lijnen doortrekken naar een meer algemene houding tegenover de bijbelse voorschriften. Zo kunnen we concreet zijn, en tegelijkertijd het zicht op het geheel behouden.

Drink een weinig wijn!
Het voorschrift waarop ik wil ingaan is te vinden in 1 Tim. 5:23 en het luidt (in de vertaling van het NBG): "Drink voortaan niet (alleen) water, maar gebruik een weinig wijn voor uw maag en uw gedurige ongesteldheden." Het is een opzichzelfstaande vermaning, gericht aan het adres van de evangelist Timotheüs. Uit Paulus' woordkeus blijkt, dat Timotheüs een geheelonthouder was. Paulus maant hem echter om deze gewoonte - of was het een principe? - op te geven en voortaan een weinig wijn te gebruiken. Zijn argument hiervoor is Timotheüs' gebrekkige lichamelijke conditie; hij blijkt een maagpatiënt te zijn en is om de haverklap ziek. Vragen we ons af waarom Paulus met het oog op Timotheüs' zwakke gestel het nuttigen van een slokje wijn -vermoedelijk bij de maaltijd- voorschrijft, dan moeten we er de geschiedenis van de geneeskunde op naslaan. In Paulus' dagen werd wijn niet alleen als een genotmiddel, maar ook als een geneeskrachtige drank gezien. Dat Paulus spreekt over het gebruik van een weinig wijn, is logisch, gelet op het gevaar van drankmisbruik, dat in Paulus' dagen niet minder groot was dan in de onze (zie 1 Tim. 3:3,8; Tit. 1:7; 2:3).
Tot zover, in het kort, de uitleg van de tekst.
Laten we ons nu eens afvragen, hoe wij dit schriftwoord kunnen toepassen.
Kunnen we daarvan bijv. Ieren, dat maagpatiënten en allen die een zwak lichamelijk gestel hebben er t.b.v. hun gezondheid goed aan doen dagelijks een glaasje wijn te drinken? Ik vermoed dat heel weinigen deze toepassing voor hun rekening zullen nemen.
Iedereen beseft, dat Paulus hier spreekt naar de maat van de medische kennis van zijn tijd. Ongetwijfeld zal zijn advies aan Timotheüs wel het beste zijn geweest wat hij in die tijd kon geven. Matig drankgebruik immers schijnt een gunstige uitwerking op het lichaam te hebben. Het heeft in elk geval een preventieve uitwerking tegen hart- en vaatziekten. Dus waarom zou er in het voorschrijven van wijn als geneesmiddel in de antieke oudheid niet enige ervaringskennis kunnen zitten? Daarbij komt, de Grieken kennen en kenden het gebruik om wijn te mengen met harssoorten.
Wie weet zat er tussen deze harswijnen wel eentje die een gunstige uitwerking op de maag had? Desondanks denk ik dat Paulus, gesteld dat hij in onze tijd geleefd zou hebben, uit een ander vaatje zou tappen. Vermoedelijk zou hij Timotheüs naar de huisarts of de maagspecialist gestuurd hebben, of het slikken van maagtabletten hebben aanbevolen. Zelf heb ik de ervaring dat van het drinken van een beker warme melk voor het-naar-bedgaan een kalmerende werking op de maag uitgaat, dit in tegenstelling tot wijn en andere alcoholhoudende dranken.
Blijven we dus op het niveau van de directe toepassing van hetgeen Paulus Timotheüs voorschrijft, dan kunnen wij daar niet zo heel veel mee.
Daarvoor is deze vermaning te zeer verbonden met de tijd en cultuur waarin de apostel leefde.

Gestalte van de liefde
Maar is hiermee alles gezegd? Betekent dit, dat wij nu dit voorschrift je van Paulus kunnen bijzetten in de galerij van bijbelse antiquiteiten? Of moeten we er een bevestiging in zien van de aloude, de afgelopen jaren door ds. De Jong opnieuw voor het voetlicht gehaalde stelling, dat er tussen de Bijbel en Gods Woord geen isgelijkteken geplaatst mag worden? Ik denk van niet. Je hoeft niet eens diep te zoeken om in dit piepkleine bijbelse detail de liefde van Christus geconcretiseerd te zien!
Allereerst wil ik wijzen op de fijngevoelige zorgzaamheid die in dit schriftwoord doorklinkt. Paulus maakt zich zorgen om Timotheüs en probeert m.b.v. de medische kennis die hij heeft Timotheüs' gezondheid een beetje op te krikken. Deze zorgzaamheid doet me aan de Here Jezus denken, die, als zijn discipelen zijn teruggekeerd van hun missie door Israël, vanwege de drukte tegen hen zegt: 'Komt hier en gaat met Mij alleen naar een eenzame plaats en rust een weinig.'( Mark. 6:31). De grote zaak van het Koninkrijk maakt niet blind voor andermans alledaagse, 'kleine' noden.
Ten tweede wil ik wijzen op Paulus' realiteitszin en nuchterheid. Welke motieven Timotheüs had om enkel water te drinken weten we niet. Waarschijnlijk waren het geestelijke motieven (zie noot 1). Paulus moedigt Timotheüs hierin niet aan, maar zet hem met beide benen op de grond.
Let nou eens op de gevolgen, het gaat ten koste van je gezondheid, je functioneren ondervindt er schade van.
Een wijze raad. Leerzaam vind ik Paulus' woorden om nog een andere reden. Hij neemt Timotheüs' maagkwaal als een gegeven, waarmee Timotheüs heeft te leven, waarop hij zich moet instellen. Dus niet: Laten we maar veel bidden voor je genezing, dan gaat de kwaal vanzelf over. Ook hier dat mijden van het over-geestelijke.
Voor mij, een jongen die een tijdlang behoorlijk 'pinkster' was, zijn zulke details eye-openers.
En als je deze dingen zo overweegt, word je gewoon blij en dankbaar met ook dit kleine voorschrift je. Hoewel het in directe zin niet toepasbaar is, het dus niet in biblicistische zin gebruikt kan worden, bevat het voldoende stof om de kerk van Christus een kleine beetje richting te geven: het laat zich herleiden tot het woordje liefde en geeft daar tegelijk vulling aan!
Tot zover deze korte overwegingen bij 1 Tim. 5:23, op basis waarvan ik nu wat meer algemene opmerkingen wil maken over de omgang met bijbelse voorschriften.

Geen goed voorbeeld?
Nee, laat ik eerst nog een kleine omweg maken. Ik kan me namelijk voorstellen, dat iemand de vermaning van 1 Tim. 5:23 volstrekt ongeschikt vindt als springplank voor een meer algemene bezinning op 'de omgang met bijbelse voorschriften'. Ten eerste heeft 1 Tim. 5:23 iets zeer incidenteels.
Nergens elders in het Nieuwe Testament vinden we een vergelijkbare aansporing. Waarom dan niet meteen gekozen voor bijv. 'Vrouwen weest uw man onderdanig.' Dat is een diep in het Nieuwe Testament verwortelde en herhaaldelijk terugkerende vermaning. Ten tweede heeft de vermaning in 1 Tim. 5:23 iets zeer individueels.
Ze is gericht tot de privé-persoon van Timotheüs, op wiens persoonlijke situatie Paulus op specifieke wijze reageert. Waarom niet voor een vermaning met een meer gemeentelijke strekking gekozen?
Bewust echter heb ik voor deze inderdaad incidentele en individuele vermaning gekozen. Allereerst omdat dit voorbeeld helemaal losstaat van de problemen waarmee wij op het kerkelijke erf anno 1997 worstelen. Een ieder kan meekijken en meedenken zonder dat direct de bloeddruk stijgt vanwege onze grote persoonlijke betrokkenheid bij vragen als de vrouw in het ambt en homofilie, terwijl het, heel kleinschalig, maar toch, in principe om dezelfde problematiek gaat.
Ten tweede, omdat ik geloof, dat de belijdenis dat door héél de Bijbel de HERE tot ons spreekt, ons moet leren ook in het incidenteeiste en individueelste vermaninkje te zoeken naar hetgeen van betekenis is voor ons.
Tenslotte, omdat ik me - straks kom ik daarop terug - afvraag of we het incidentele en individuele ook niet terugvinden in talloze andere voorschriften van het Nieuwe Testament, óók als ze gericht zijn tot de gemeente, óók als ze herhaaldelijk voorkomen.
Ben ik nu toe aan enkele meer algemene opmerkingen.

Maak ernst met details!
Het eerste dat we n.a.v. 1 Tim. 5:23 van al die concrete voorschriften in het Nieuwe Testament kunnen leren, is, dat de - door mij in m'n vorige artikel besproken - grondwoorden liefde, gerechtigheid en trouw in dit leven handen en voeten willen krijgen. Die grondwoorden willen het hele leven doorzuren en zich concretiseren in talloze kleinere en grotere situaties. Misschien dat iemand, toen ik het vorige artikel over die grondwoorden sprak, de indruk kreeg dat ik het allemaal in het vage wilde laten. Zo van "Laten we maar niet te concreet worden, een beetje onduidelijk blijven, dan heeft iedereen ruimte en trappen we elkaar niet op de tenen". Die vrijblijvende kant mogen we niet op, want de van Jezus Christus en die gekruisigd doortrokken grondwoorden hebben niets vrijblijvends. Je kunt er ook niet alle kanten mee op. Er is verschil tussen rein en onrein. Er is verschil tussen nederigheid en hoogmoed, tussen trouwen ontrouw, tussen recht en onrecht. De grondwoorden in de Schrift zijn niet vaag, maar hebben uiterst praktische consequenties in het leven van alledag. Alleen niet in elke tijd dezelfde, en niet in elke cultuur dezelfde....

De tijden veranderen, de grondwoorden niet
Het tweede dat we n.a.v. 1 Tim. 5:23 over de concrete voorschriften in het Nieuwe Testament kunnen zeggen is, dat ze niet klakkeloos in deze tijd toegepast kunnen worden. Soms kun je er in directe zin heel weinig mee, omdat de tijden veranderd zijn. Ik meen zelfs het volgende op te merken: Hoe concreter en gedetailleerder een bijbels voorschrift is, hoe moeilijker het zich direct laat toepassen in onze tijd. Hoe dat kan? Omdat in die details zoveel cultuurbepaaldheid meekomt. En cultuurbepaaldheid is helemaal niet erg, is zelfs onvermijdelijk, maar het beperkt de directe toepasbaarheid wel. Cultuurbepaaldheid brengt cultuurbeperktheid met zich mee.
Nu kan ik me voorstellen dat iemand dit kan meemaken voorzover het de toepassing van 1Tim. 5:23 betreft.
Maar neem nu eens die concrete voorschriften voor de verschillende relaties waarin een mens leeft, te vinden in de zg. 'huistafeis' van Ef. 5:22-6:9 Kol. 3:18-4:1 (verg. 1 Tim. 2:8-15; 6: 1,2; Tit. 2:2-9)? Deze kun je toch niet met 1 Tim. 5:23 vergelijken? Deze ontstijgen toch het individuele en incidentele dusdanig, dat van algemene ordeningen gesproken kan worden?
Liggen concrete vermaningen als deze niet heel dicht tegen de grondwoorden aan?
Ik meen, dat het anders ligt. Wel degelijk zijn ook de huistafeis in hun concreetheid sterk bepaald door de toenmalige culturele en sociale omstandigheden. Dat blijkt toch alleen al uit het feit, dat ook de omgang tussen slaaf en heer een vast bestanddeel van de huistafeis is? Daarmee wordt een 'relatievorm' geregeld, die t.t.v de apostel Paulus nog springlevend was en die - verdrietig genoeglange tijd daarna nog springlevend is gebleven. Wat kunnen wij daar in directe zin nog mee? Eerlijk gezegd, weinig. Ze toepassen op de verhouding tussen werkgevers en werknemers is uitgesloten, omdat die relatie van een totaal andere orde is. Van de huistafeis kunnen we dus wel leren, dàt het evangelie van Jezus Christus in alle relaties waarin wij staan handen en voeten moet krijgen, maar niet op welke wijze dat tegenwoordig precies moet, omdat ze daarvoor te tijdbepaald zijn.

"Goed", zal iemand zeggen, "dat kan kloppen voor de heer-slaaf verhouding, maar dat kan toch niet gezegd worden van de relatie tussen man en vrouw in het huwelijk en tussen ouders en kinderen. Die relaties bestaan toch nog en dat zal toch ook wel zo blijven? Nou, dan kunnen we die voorschriften toch wel direct toepassen?".
Nee, ook dat kan niet, simpel, omdat de man-vrouw verhouding niet meer is wat hij in Paulus' tijd was. De onderlinge omgang en de rolpatronen zijn zo ingrijpend veranderd, dat een consequente en directe toepassing van deze vermaningen in onze tijd net zo misplaats is als het voorschrijven van een slokje wijn aan maagpatiënten! Paulus regelt in de huistafeis de belangrijkste in zijn tijd voorkomende 'relatievormen' op een dusdanig wijze, dat de grondwoorden van het leven met Christus er in zijn tijd zo goed mogelijk door tot hun recht komen. Dit wordt bevestigd door de argumenten die de apostel bijv. in Tit. 2 aandraagt om de onderdanigheid van de vrouw aan haar man en van de slaaf aan zijn heer te onderbouwen: "...opdat het Woord van God niet gelasterd worde" (Tit. 2:5), resp., "...om de leer van God, onze Heiland, in alles tot sieraad te strekken" (Tit.2:10). T.w.v. de voortgang van het evangelie past Paulus de grondwoorden hier met wijsheid(!!) toe in zijn cultuur. De voorschriften zelf zijn door hun concreetheid echter te cultuurverbonden om overal, voor altijd en op iedereen direct toegepast te kunnen worden. Wij hebben daarom onze door God gegeven verantwoordelijkheid te gebruiken om in onze cultuur, op een daarvoor geëigende wijze de grondwoorden van het leven met Christus tot hun recht te laten komen.

Maximale inspanning gevraagd
Tenslotte kunnen we van 1 Tim. 5:23 voor de omgang met de voorschriften in het Nieuwe Testament het volgende leren. Ook als we die niet direct kunnen toepassen, heeft een maximale inspanning om te zoeken naar een indirecte toepassing altijd zin. Al is het alleen al door je af te vragen welke evangelische drijfveer er achter elk concreet voorschrift zit. Maar ook door steeds weer te pogen een niet geforceerde 'vertaalslag' te maken van het concrete voorschrift, naar de tijd waarin wij leven(zie m'n eerste artikel uit deze reeks). Doe je dat, dan word je altijd weer verrast en bemoedigd.
06k middels die voorschriften komt God Zelf tot ons, besef je dan. Door èlk schriftwoord willen we ons in de kerk van Christus tot nadenken laten prikkelen, bij de hand laten nemen om zijn bedoeling met ons in het heden te . ontdekken. Ja, zo ontdek je, elk van God ingegeven schriftwoord is nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid.

Tenslotte
Het is n.a.v. deze overwegingen, dat ik tenslotte kort wil ingaan op de stelling van ds. H. de Jong, dat er tussen de Bijbel en Gods Woord geen isgelijkteken geplaatst mag worden. Al is het alleen al, omdat die stelling gelezen moet worden tegen de achtergrond van dezelfde vragen als waarmee ik in deze artikelenserie bezig ben geweest. Voorzover ds. De Jong zich met deze stelling verzet tegen het biblicisme - en ik geloof dat dat het geval is - kan ik hem volgen. Dat moge uit deze artikelen, die, als ik niet jarenlang een dankbare leerling van ds. De Jong zou zijn geweest, zó nooit geschreven waren, duidelijk zijn. En ook in deze stelling hoor ik ds. De Jong knokken voor een kerk, die leeft uit 'het ene nodige', om zo in de samenleving tot een zegen te zijn.
Toch vind ik het jammer, dat ds. De Jong voor het bepalen van de koers van de kerk in deze tijd heeft gemeend deze stelling te moeten smeden. Allereerst omdat ik van mening ben dat we deze stelling niet nodig hebben om t.a.v. de grote ethische vragen van deze tijd onze positie te bepalen. Wat ik heb willen laten zien is, dat de Schrift zèlf ons een niet-biblicistische basishouding bijbrengt.
Een houding van verantwoordelijkheid in afhankelijkheid, waarbij niet de losse teksten en cultuurgebonden vormen, maar de met wijsheid toepaste grondwoorden de ethische keuzes in het heden bepalen. Daarin zit allereerst - rangordelijk bedoeldeen exegetisch moment. Maar in de juiste verbinding van het schriftwoord met het heden zit ook een profetisch moment. En in de juiste verbinding van het schriftwoord met het heden zit ook een moment van wijsheid. En wie het over wijsheid heeft, heeft het over de Godvrezende, in Christus levende mens, die zich door elk schriftwoord bij de hand wil laten nemen en die tegelijk al zijn kunde en ervaring aanwenden mag om de gerechtigheid te dienen.
Ten tweede, hoewel ds. De Jong z'n stelling geïntegreerd is in een zorgvuldige en ootmoedige lezing van héél de Schriften, dreigt het gevaar, dat zebij anderen - zomaar een eigen leven gaat leiden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief