Kerkbouw
1997-06-27
Gisteravond hadden we een gemeentevergadering.- Jaargang 41
- nummer 13
Het grootste gedeelte van de avond werd in beslag genomen door het onderwerp 'Kerkbouw'. Want... we hebben geen eigen kerk. Nu is dat voor mij niets vreemds, want ik weet niet beter. Ik heb in mijn jeugd altijd gekerkt in een school of in de lokaliteit van een ander kerkgenootschap en ik ben nog steeds dol op het kerkje in Oudorp, waar we bijna de vijfentwintigjaar hebben volgemaakt.
Dat was een 'Samen op Wegkerk' en wij gingen zogezegd voor de muziek uit!
Het enige bezwaar was het tijdstip waarop we vergaderden: 's morgens negen uur, en dan moest je nog maken datje om tien uur buiten stond, want de volgende lichting gelovigen stond al te dringen bij de kerkdeur.
Hierbij heb ik meteen één van de redenen genoemd, die het voor ons noodzakelijk maken om over kerkbouw te spreken.
In onze Plus X komt de koster even over tienen, als onze predikant met de ouderlingen de kerkzaal verlaat, binnen met de houding van: 'Is het schorem er nog niet uit'. Soms, als het wat later is geworden, blaast hij zelf de brandende kaarsen uit en werpt beschuldigende blikken naar de jonge mensen die bij ons kosteren.
Het is aan de ene kant begrijpelijk, want hij moet zijn werk doen. Aan de andere kant is het irritant, want onze kosters kunnen moeilijk een dominee van de preekstoel sleuren als hij om tien uur nog geen 'amen' heeft gezegd.
Er zijn nog tal van redenen te noemen waarom we een eigen gebouw willen hebben. U kent ze allemaal nog beter dan ik, want ik ben er niet aan gewend.
Mensen die wél altijd een eigen gebouw hebben gehad, verzekeren mij dat het geweldig is om een eigen onderkomen te hebben.
Er is maar eigenlijk één ding tegen: de pecunia. Voor een kerkbouw gebruik ik graag een beetje chique woord, maar het komt op hetzelfde neer... Geld!
We zijn als gemeente niet bijzonder groot of vermogend en ik hikte in het begin van de gemeenteavond nogal tegen het begrip kerkbouw aan.
Toen me de voordelen van een eigen kerk werden voorgespiegeld voelde ik me als iemand van het volk Israël voor het Beloofde Land. Het land vloeit over van melk en honing, maar er wonen reuzen.
Achter de tafel op het lage podium zaten echter een paar broeders. Ze gaven de stand van zaken nuchter weer. Het zou moeilijk worden, maar het wás mogelijk. Ze besloten warm: "Als we geloven, komt die kerk er!"
Een Jozua en een Kaleb waren onder ons.
En opeens zag ik het zitten. Op naar het land van melk en honing. Een eigen gebouw. De druiven zullen zoet zijn!