Inleiding in de apocriefen

2010-04-02
  • Jaargang 54
  • nummer 7
Tobit, Judith, Makkabeeën... Hoewel deze apocriefe boeken in onze belijdenis wel genoemd worden als boeken waaruit men lering kan putten (NGB art. 6), zijn protestantse christenen van huis uit niet vertrouwd met de inhoud ervan. De komst van de Nieuwe Bijbelvertaling heeft daarin enige verandering gebracht. Uit nieuwsgierigheid zullen ook protestantse Bijbellezers soms een uitgave ‘met deuterocanonieke boeken’ hebben aangeschaft. Deze laatste aanduiding is de katholieke benaming voor de apociefe boeken. Binnen de protestantse traditie is de aandacht voor deze boeken de laatste jaren groeiende. Het leesrooster van het Bijbelgenootschap heeft in 2009 en 2010 ook lezingen uit de apocriefen geprogrammeerd, met een ‘gewone’ Bijbellezing als alternatief erbij, dat wel.

Ontstaanstijd en thema’s

Vanwege deze nieuwe belangstelling aan protestantse zijde, is het aardig dat Sam Janse een inleidend boek over de apocriefen heeft geschreven. Daarmee hoopt Janse ook bij te dragen aan een herwaardering van de apocriefen. Omdat de Joodse geschriften waarom het gaat allemaal uit de tijd van de tweede tempel stammen (515 v.C. – 70 n.C.), geeft Janse eerst een overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen uit deze periode. Vervolgens bespreekt hij alle apocriefe boeken die in de NBV zijn opgenomen. Niet alleen geeft hij een beknopt overzicht van de inhoud van deze boeken, maar hij bespreekt ook de belangrijkste thema’s die daarin aan de orde komen. Hij laat zien op welke verhalen uit het Oude Testament wordt teruggegrepen en welke invloed deze boeken op het Nieuwe Testament hebben gehad. Wat dit laatste betreft, blijft de oogst wel mager. In het Nieuwe Testament wordt nu eenmaal nauwelijks op de apocriefen teruggegrepen. In enkele slothoofdstukken reflecteert Janse nog op de relatie tussen Jezus en de apocriefen en biedt hij een theologische evaluatie van deze Joodse geschriften.

Religieuze ijver en geweld

Typerend voor de manier waarop Janse de apocriefen bespreekt, is dat hij de toenmalige geloofswereld regelmatig met die van de islam vergelijkt. Zoals de religieuze factor een grote rol speelt in de extremistische islam, zo geldt dat ook voor het Jodendom in de periode van de tweede tempel. In het bijzonder denkt Janse daarbij aan de Makkabeeën die in de tweede eeuw voor Christus in opstand kwamen tegen de Syrische koning Antiochus Epifanes en een eigen religieuze staat met een soort sharia-wetgeving stichtten. Zij identificeerden zich graag met de in Numeri 25 genoemde Pinechas die in zijn religieuze ijver alle afgoderij plegende Israëlieten doodde. Janse is van mening dat het Nieuwe Testament deze lijn bewust niet heeft doorgetrokken en Pinechas daarom heeft doodgezwegen. Daarmee distantieert het Nieuwe Testament zich niet alleen van een tendens die in de apocriefen zichtbaar wordt, maar ook van sommige passages in het Oude Testament. Deze gedachte heeft Janse ook eerder al geponeerd in een boek over de tegenstem van Jezus.1 Hij gaat er vanuit dat er in de Bijbel verschillende lijnen zichtbaar worden, waartussen met behulp van het evangelie kritisch geschift moet worden. Waar de apocriefen de lijn van Pinechas volgen (dat is niet over de hele linie het geval, er zijn ook andere sporen), kunnen deze voor ons per definitie niet gezaghebbend zijn. Voor Janse geldt echter hetzelfde ten aanzien van het Oude Testament.2 Zijn pleidooi voor een herwaardering van de apocriefen kan dan ook niet los worden gezien van de andere visie op het Schriftgezag die hij bepleit. De scheidslijn die de gereformeerde belijdenis tussen canonieke en apocriefe boeken heeft getrokken, wordt nu eenmaal minder relevant wanneer de gelovige ook in de boeken van het Oude Testament zelf al moet schiften tussen wat wel en wat niet als openbaring van God kan worden aanvaard.

Brugfunctie OT en NT?

Ondanks deze kritische kanttekening waardeer ik Janse’s boek als een handzame gids om oog te krijgen voor bepaalde theologische en godsdienstige ontwikkelingen die zich in de periode van de tweede tempel hebben voorgedaan. Daarbij denk ik bijvoorbeeld aan de ontwikkeling van het geloof in een lichamelijke opstanding en in een leven na dit leven, waarover in het Oude Testament nog maar marginaal wordt gesproken. Ook laten de apocriefe geschriften zien welke enorme betekenis Jeruzalem en de tempel kregen in de eeuwen die aan Jezus’ komst voorafgingen. Toch oordeel ik terughoudender dan Janse als het over de brugfunctie gaat die deze boeken tussen Oude en Nieuwe Testament vervullen. Goed om kennis van te nemen, het heeft ook de context van Jezus’ werk mede bepaald. Maar het is toch wel een heel andere wereld die je in de apocriefen tegenkomt, een wereld waarin de menselijke vroomheid en het beloningsdenken sterk eenzijdig worden uitvergroot. Wat dat betreft is het lijntje van de apocriefen naar de rabbijnse theologie duidelijker dan die naar het Nieuwe Testament. Over de tegenstem van Jezus gesproken!

Janse, S. (2009), De apocriefen. Inleiding op de deuterocanonieke boeken. Boekencentrum, Zoetermeer. 448 p. € 25,-.

1S. Janse, De tegenstem van Jezus. Over geweld in het Nieuwe Testament, Zoetermeer 2006.
2 Voor een repliek op deze Schriftvisie van Janse, zie H.G.L. Peels, God en geweld in het Oude Testament, Apeldoorn 2007.

Dr. Jaap Dekker is predikant van de NGK van Enschede en docent Bijbelvakken aan de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief