Sterven en opstaan met Jezus Christus

2010-04-02
  • Jaargang 54
  • nummer 7
Wat gebeurde er precies op Golgotha? En wat bewerkte Christus’ kruisdood? Die vragen worden in onze tijd ook door gereformeerde christenen steeds vaker gesteld. En ze worden soms ook anders beantwoord dan in de klassieke verzoeningsleer. Het is niet ‘Christus voor ons’, maar ‘Christus in ons’, zegt oud-GKV-predikant Ton de Ruiter.
Maar is dat geen valse tegenstelling? De doop beeldt uit dat wij op Golgotha mee ten onder gingen, maar ook: het leven kan opnieuw beginnen! Wie leeft bij het volbrachte werk van Christus, laat zich zielsdankbaar door God sparen en een nieuw leven binnen leiden.

Wat bij de verzoening in de gelijkenis van de verloren zoon zo tot de verbeelding spreekt, is de onvoorwaardelijke liefde van de vader. Maar dat is niet het enige. Ontroerend is ook, dat de vader afstand doet van zijn eer en waardigheid. Dat wordt uitgedrukt in Lucas 15:20. Toen de vader zijn zoon in de verte zag aankomen, rende hij op zijn zoon af. De beroemde filosoof Aristoteles schijnt gezegd te hebben: ‘Een groot man rent niet in het publiek.’ Dat geldt nog altijd in het Midden-Oosten: een eerbiedwaardige vader slaat een figuur als modder wanneer hij met wapperende kleren een sprintje trekt. Maar de vader in de gelijkenis heeft lak aan zijn status. De omgeving zal er nog lang over gesproken hebben: ‘Het was geen gezicht…’ Dat was het ook niet. En de zoon, die wél reden had om door het stof te gaan? Die krijgt daartoe de kans niet eens. Voor hij het weet neemt hij de ereplaats in aan het diner!

Hier wordt iets heel dieps over God gezegd: als er een prijs voor verzoening betaald moet worden, doet Hij het. Hij geeft ons het bloed ten geschenke waarmee op het altaar verzoening gedaan wordt, Leviticus 17:11. Hij was – net als ooit Abraham – bereid zijn eigen Zoon niet te sparen, Romeinen 8:32 (vgl. Genesis 22:12,16). In de nieuwere theologie is meer aandacht gekomen voor de smart die de Vader zichzelf daarmee aandoet. Vanouds viel de nadruk op het lijden van de Zoon. Soms leek men het zo te zien, dat de Vader onbewogen vanuit de hemel toekeek hoe de Zoon de prijs betaalde. Ook de formuleringen van Catechismus zondag 5 en 6 wekken die indruk. Terwijl God genoegdoening aan zijn gerechtigheid eist, is het de Middelaar die aan die eis voldoet en ons zo verlost. In een grove vorm komt dat terug in de voorstelling die het gemeentelid mij schetste: de vader die zijn zoon een blauw oog slaat om zo zijn woede te verhalen op degene die hem een gemene streek leverde. (zie Opbouw van 5 maart 2010, p. 13)

Maar op deze wijze komen de Vader en de Zoon vreemd tegenover elkaar te staan. De achtergrond van die voorstelling is, dat God zelf in feite niet lijden kan, en dat het de Zoon in zijn menselijke natuur is die op Golgotha bezwijkt onder de last van de zonde. Nu heeft reeds Luther bij die tweedeling vraagtekens geplaatst. Hij tastte naar woorden om duidelijk te maken, dat Christus’ goddelijke natuur niet aan het kruislijden onttrokken was. In zijn spoor heeft de nieuwere theologie verder gedacht. Men stelde vast, dat Luther een scherpe intuïtie aan de dag legde voor de vreemdheid van de Bijbelse verkondiging over God. Want inderdaad: in de Bijbel wordt ons een God geschetst die in zijn goddelijkheid benauwd is als zijn volk benauwd is, Jesaja 63:9. Het lijden van zijn kinderen grijpt Hemzelf aan, Rechters 10:16; Jeremia 31:20; Hosea 11:9; Zacharia 1;14,15. Daar zit werkelijk iets vreemds en onbegrijpelijks in. Want krijgt God op deze wijze niet iets kwetsbaars? Wordt Hij op deze manier niet de werkelijkheid van het schepsel binnengetrokken, de werkelijkheid van pijn en verdriet en doodsdreiging? Inderdaad kan de theologie in lelijke valkuilen terecht komen wanneer zij God zich zo menselijk gaat voorstellen. Uit angst daarvoor trekt de Catechismus de dikke streep tussen de eisende God en de in zijn menselijkheid lijdende Zoon. Toch denk ik dat het zo niet kan. Het wonder van de verzoening is er te groot voor. Inderdaad: God zelf lijdt mee, als de Zoon lijdt en sterft. Het is de Vader die een onuitsprekelijk verlies lijdt op Goede Vrijdag. Zoals het van Abraham en Isaak gezegd werd, zo kan het ook van de Vader en de Zoon gezegd worden als Jezus op weg gaat naar het kruis: ‘Zo gingen die beiden tezamen.’ Werkelijk: God zelf betaalt de prijs voor zijn verzoening met ons.

En wij dan?
Maar als dat zo is, komt dan de verantwoordelijkheid van ons mensen niet in het gedrang? Als de Zoon en de Vader zo samen de last van de zonde op zich nemen, komen wij er dan niet veel te gemakkelijk van af? Dit is in elk geval de zorg van Ton de Ruiter. Met recht stelt hij, dat zich geen verzoening voltrekt wanneer een mens voortleeft in vervreemding van God. Met evenveel recht hamert hij op het ‘Christus in ons’. Inderdaad: pas wanneer Christus in ons gestalte krijgt (Galaten 4:19), en wij ons laten leiden door zijn Geest (Galaten 5:16-25), is de breuk tussen God en ons daadwerkelijk geheeld en het verbond hersteld.

Het is dus waar: wij mensen kunnen bij de verzoening niet aan de kant blijven staan. Maar is het ook waar, dat de kerk daarom moet ophouden te leren dat Christus in onze plaats gestorven is? Dat geloof ik niet, en wel omdat Christus niet enkel de Zoon van de Vader is, maar daarnaast een familielid van ons (Hebreeën 2:11,12) Toen Hij op Golgotha leed en stierf, was dat niet alleen een drama voor God. Het was ook ons drama. Dat zie je aan de eigenaardige conclusie die Paulus trekt uit zijn boodschap dat ‘één mens voor allen ons gestorven is’, II Korintiërs 5:14. Je zou denken dat hij dan vervolgt met: ‘… waardoor niemand meer hoeft te sterven.’ Maar Paulus gaat anders verder: ‘Eén mens is voor allen gestorven, waardoor alle mensen zijn gestorven.’ Dat kan hij zeggen, omdat hij de mensheid niet ziet als een verzameling losse individuen. Hij vertolkt hier het Bijbelse gevoelen, dat mensen met elkaar verweven zijn in families en stammen en volkeren, die door familiehoofden en stamvaders en aartsvaders vertegenwoordigd worden. Christus is zo’n familiehoofd, zo’n stamvader. Daarom blijven wij niet buiten schot, als Hij in onze plaats voor onze zonden sterft. Hij sterft daar námens ons, ons allen vertegenwoordigend. Als de stamvader van de nieuwe mensheid nam Hij ons allen mee in zijn dood. Zo gezien is Christus’ dood ook echt onze eigen dood. Theologisch geformuleerd: Christus’ plaatsbekleding was inclusief. Wij waren er bij ingesloten, toen Hij voor ons stierf aan het kruis.

De doop
Hier ligt een tweede reden waarom het verhaal van de vader die zijn zoon bij wijze van genoegdoening een blauw oog slaat, zo absurd aan doet. Die zoon heeft niets te maken met de persoon die zijn vader een gemene streek leverde. Die laatste voelt er ook niets van, als de zoon met een blauw oog rond loopt. De zoon en de gemenerik zijn individuen die los staan van elkaar. Ook daardoor maakt deze ‘gelijkenis’ een karikatuur van het geheim van Christus’ plaatsbekleding. Dat geheim kan slechts tot ons spreken, wanneer wij onszelf opgenomen weten in het drama van Golgotha.

Maar daarvoor is nodig dat wij uitkomen boven een eenzijdig verstandelijke manier van geloven. De verkondiging van Christus’ offer is meer dan een geloofswaarheid die wij hebben aan te nemen. Het is een uitnodiging om ons met Hem te identificeren. Denk aan de wijze waarop in Israël offers werden gebracht. Volgens Leviticus 4:15 legden de oudsten van het volk hun hand op de kop van het offerdier bij het slachten (vgl. 3:2, 8; 4:24 enz.) Dat was een ritueel van identificatie: men vereenzelvigde zich met het offerdier, zo, dat de dood van het dier voelde als de eigen dood. In de lijn van dit ritueel van identificatie ligt in het Nieuwe Testament de doop. Die beeldt uit dat wij op Golgotha mee ten onder gingen, Romeinen 6:3. Bedenk daarbij, dat de doop door onderdompeling een sterke symbolische kracht heeft: een mens die op die manier gedoopt wordt is als een drenkeling die kopje onder gaat! Zo voltrekt zich in de doop de identificatie met Christus. Daarmee houdt Christus’ dood op, iets uit een ver verleden te zijn dat jou niet raakt. De doop maakt Golgotha tot iets dat jou nu overkomt. Door bewust te willen leven als een gedoopt mens, stem je in met Gods oordeel over jou als zondaar. De doop behelst een belijdenis van onthutsende ernst: ‘Ik heb als lid van de vervloekte mensheid deel gekregen aan de dood van Christus, en ik onderwerp mij daaraan ook.’

Maar dan is het niet meer mogelijk om je gemakkelijk van de zonde af te maken. Dan vindt er juist een zo radicaal mogelijk afscheid van de zonde plaats. Want dit is het meest radicale wat een mens oog in oog met zijn zonde kan doen: afscheid nemen van zijn zondige leven. Daarmee krijgt ook de vergeving van zonden een ongekende radicaliteit. Die houdt niets minder in dan opstanding uit de doden! ‘Dat is ook wat de doop zegt: je komt weer boven! Je krabbelt het water uit, de kant op, en trekt schone, droge kleren aan. Het leven kan opnieuw beginnen! De doop geeft niet alleen deel aan Christus’ dood, maar ook aan zijn opstanding uit de doden, Romeinen 6:4,5. De identificatie met Christus houdt dus ook in dat je aan een nieuw leven begint: het leven als rechtvaardige. Vandaar dat Paulus mensen die gedoopt zijn oproept, om nu ook de strijd met de zonden aan te binden, Romeinen 6:13. Ik geef een concreet voorbeeld. Op Golgotha heeft God zijn banvloek uitgesproken en voltrokken over de mens die roofbouw pleegt op zijn schepping. Een gedoopt mens buigt het hoofd onder dat oordeel en zegt: ‘Heer, ik heb aandeel in die schuld en verdien het niet verder te leven.’ Maar diezelfde gedoopte staat als een nieuw mens uit het water op, begenadigd. Juist omdat hij gedoopt is, zal alles in hem zich nu richten op een omgang met de schepping die God behaagt. Toch?

De kroon op de verzoening
Zo is er voor Paulus dus geen tegenstelling tussen de oproep tot een actief christelijk leven, en de verkondiging dat Christus in onze plaats gestorven is. Eerder gaat van dat laatste een stimulans uit tot dat eerste. Dat heeft te maken met Gods oordeel over de zonde op Golgotha. In het nieuwtestamentische woord voor ´oordeel´ zit ons woord ´kritiek´. Onze God is een kritische God, en ik denk dat we daar niet blij genoeg mee kunnen zijn. Want juist door kritisch te zijn op de mensheid, staat God niet toe dat zijn zuivere liefde wordt aangetast en doorkruist door onze zonde. Wat hebben wij het nodig dat God kritisch is op de maatschappij, en op de kerk, en op ons. Onze toekomst ligt daarin dat God in het vuur van zijn kritiek alle zonde weg zuivert en een totaal nieuwe mensheid en maatschappij en kerk in het leven roept. Zonder opstanding uit de doden zou die kritiek vernietigend voor ons zijn. Maar nu is Christus opgestaan uit de doden, en mogen wij in Hem herrijzen uit de as van ons gekritiseerde bestaan! Dat is het wonder van de verzoening: dat God ons in Christus kritiseert en toch spaart. Dat is geen geloofswaarheid die je met je verstand moet aannemen. Dat is een werkelijkheid die je je in het geloof moet toe-eigenen. Wie leeft bij het volbrachte werk van Christus maakt Gods kritiek tot zelfkritiek, en laat zich tegelijk zielsdankbaar door God sparen en een nieuw leven binnen leiden.

Zo is er geen tegenstelling tussen het ‘Christus voor ons’ en het ‘Christus in ons’. Integendeel: als we geloven dat Golgotha ons drama is en Paasmorgen onze verrijzenis, laten wij ons dan uitstrekken naar Pinksteren. Want in het werk van de Heilige Geest, door Wie Christus meer en meer gestalte in ons krijgt, zet God de kroon op zijn verzoening.

Dr. Ad van der Dussen is predikant van de NGK Eindhoven en kerndocent aan de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief