Nog eens 'Na twintig jaren'
1996-01-26
De eerste week kerstvakantie gaf wat rust om nog eens na te denken over de artikelen van Schaeffer en de ingezonden brief van Fokke Bouma.- Jaargang 40
- nummer 2
Omdat ik mij al veel jaren bij 'OPBOUW' thuis voel, schrijf ik deze reactie. Ik ben in de CGK opgegroeid en heb daar middels mijn ouders, de gemeente in Leeuwarden en de 'Fakkeldragerskampen' van destijds onze God leren kennen en zijn Woord leren liefhebben. Dominee Arie Hilbers ontsloot in mijn studententijd voor mij een tot dan onbekende bron toen hij mij wees op Janse van Biggekerke, M.B. van 't Veer en B. Holwerda. Dat smaakte: ik ontdekte een intens luisteren naar de bijbel en praktische vroomheid.
In mijn Goese tijd beleefde ik - op afstand - de scheuring in de GKV; wat dat betekende kwam dichterbij door de inbreng van enkele ex-GKV-gezinnen in onze gemeente. In Lelystad kwam ik in 1976 in een samenwerkingsgemeente en ik ben mij in de NGK thuis gaan voelen. De 'Gemeenschappelijke Verklaring' van 1975 leefde in classis Zwolle en de regio Kampen en ik mocht instappen in een proces waarbij de stukken bijna klaar waren voor herkenning en erkenning op classicaal/regionaal niveau. Helaas is dat proces door een andere samenstelling van de classis Zwolle CGK, onder leiding van predikanten, die tot de leidinggevenden in de CGK gerekend worden, tegengehouden.
Dat tegenhouden binnen de classis Zwolle past naar mijn gevoelen in een bredere ontwikkeling. Het leek wel alsof de leidinggevenden in de CGK geschrokken waren van de overeenstemming van 1975. Hoewel plaatselijk de samenwerking hier en daar fundamenteel is doorgegroeid, is landelijk de samenwerking van synode tot synode verder tegengewerkt. Met als resultaat dat nu ook de bijbels rechtmatige plaats van de samenwerkingsgemeenten in twijfel wordt getrokken.
Schaeffer heeft van die ontwikkeling een duidelijk beeld gegeven. In het (CG) Kerkblad voor het Noorden geeft De Jonge uiting aan de gevoelens van 'vervreemdheid' die deze ontwikkeling voor velen in de CGK veroorzaken.
AI voor Schaeffer (in zijn vierde bijdrage) de vraag stelde of het ragdunne lijntje landelijk nog vastgehouden kan worden, had Fokke Bouma geadviseerd die samensprekingen te stoppen om de CGK gelegenheid te geven in eigen huis orde op zaken te stellen. De motivering die hij er bij geeft maakt zijn advies logisch en te respecteren, naar de CGK maar ook naar de NGK-samensprekers. Toch blijf ik met dat advies moeite hebben.
Ik citeer Bouma: "Wat zich wreekt in hun (CG) benadering, en we hebben ook zelf (NG) een dergelijke erfenis, is de onwil om blijvend na te denken over vragen die aan de kerk en aan kerkmensen gesteld worden zoals (...): Hoe ziet zij (de kerk) kans om in een postmoderne tijd, waarin misschien wel veel religiositeit zit, maar waarin steeds minder naar God gevraagd wordt, God ter sprake te brengen?"
Ik vrees dat de CGK niet in staat zijn in eigen huis orde op zaken te stellen zoals Bouma dat bedoelt. Ik denk dat dat komt omdat er te weinig openheid is naar elkaar en te weinig zicht is op de vragen die vandaag aan de gemeente van de Heer worden gesteld. Er is een overdosis aandacht voor de vraag of God nog ter sprake gebracht kan worden in onze postmoderne samenleving. En die geslotenheid wordt nog groter als de samensprekingen met de NGK verdwijnen.
Ik probeer mijn zorg te verduidelijken.
In hetzelfde nummer van Opbouw (met de brief van Bouma) haalt Van Wijk een dame aan die in Kivive o.a. onze beide kerken even over de knie legt. Het gaat mij wat de CGK betreft om dat tussenzinnetje dat samengaan met CGK prima is, al is er een kleine stroming die "neigt naar schriftkritiek".
Het is de problematiek die Schaeffer raakt als hij in zijn derde bijdrage verwijst naar het artikel van De Jong in Koers en het boek van Loonstra noemt.
Als er nu iets verlammend werkt is het wel dat lichtvaardig oordelen over elkaar als het gaat om het fundamentele punt van het lezen van de Schrift.
Ik ken niet alle CGK-predikanten noch alle NGK-predikanten, maar ik ga er voetstoots vanuit dat zij trouw willen zijn aan de Schrift zoals ik. Maar juist die trouw roept voor een mens in deze tijd allerlei vragen op, en dat betekent een zoeken en tasten om met dat oude Woord antwoorden te vinden op vragen van deze tijd. Zo heb ik het boek van Loonstra gelezen: kun je in gesprek met vragenstellers van buiten en van binnen blijven én de Here en zijn Woord trouw blijven? Dat proef ik in bijdragen van De Jong. Datzelfde was ook de bedoeling van CG-collega's die weleens in het' Amersfoortse' hoekje zijn gezet. Maar dit open gesprek wordt dood gemaakt als er eerst scherpe oordelen worden uitgesproken en pas daarna (soms) wordt geluisterd. Het is toch geen wonder dat mensen afhaken, als je classis na classis je moet verdedigen tegenover vragenstellers die niet willen begrijpen, dat het juist trouw aan dat Woord is én trouw aan de mensen en de vragen van vandaag, die je doen spreken en schrijven zoals je deed.
Ik probeer de zorg van Schaeffer over de wijze waarop je vragen stelt te begrijpen. Maar ik waardeer vooral de uitnodiging om in OPBOUW in open gesprek verder te zoeken naar antwoord op de vragen die De Jong in Koers heeft opgeworpen. Die openheid heb ik in de NGK leren waarderen juist nu men weet heeft van de problemen die discussie meebrengt.
Maar zonder open gesprek wordt het doods en zie je mensen zonder weerwoord vertrekken. Als ze vertrekken naar een andere gemeente van onze Heer, dan heb ik er nog vrede mee.
Maar er haken ook jongeren en ouderen af die het wel gezien hebben (althans voorlopig).
Ik kan het met mijn - beperkte - blik niet anders zien dan dat wij in de CGK voor dat wezenlijke gesprek over kerk-zijn-vandaag de contacten met en de hulp van de NGK hard nodig hebben.
Tot die hulp reken ik ook de opmerkingen van Schaeffer in zijn vierde bijdrage over de plaats van de samenwerkingskerken in relatie tot hun bijdrage op de LV en de NGK over de vrouw in het diakenambt. Of daarom die vruchteloze deputatengesprekken doorgezet moeten worden? Ik zou niet graag bij die vergaderingen zitten; daar heb ik geen gaven voor. Maar moeten dan de plaatselijke contacten verkillen, als vanuit de CGK-synode .die herkenning van één in Christus wordt tegengewerkt? Zouden de NGK soms toch de taak hebben om het gesprek landelijk voort te zetten, omdat - hoe je je ook wendt of keertde situatie in de CGK voor een deel ook op het NGK-bordje ligt? Ik kom niet verder dan wat vragen, ingegeven door zorg. De beslissers die antwoorden moeten geven op de vragen van Schaeffer en Bouma wens ik wijsheid.
Ik hoop dat de Geest van onze God toch ruimte maakt voor gesprek in openheid en vertrouwen, opdat twee mini-kerken mogelijk iets zouden kunnen betekenen in de Nederlandse samenleving op weg naar 2000.