Het grote gebod

1996-01-26
  • Jaargang 40
  • nummer 2
Op de vraag van de Farizeeërs wat het grote gebod was, antwoordde Jezus: het grote en eerste gebod is: ge zult de Here uw God liefhebben. Het tweede, daaraan gelijk, is: ge zult uw naaste liefhebben als uzelf (Matth. 22:34-40).
Wij interpreteren Jezus' woorden als volgt: het tweede gebod is even belangrijk als het eerste. Het is van gelijk gewicht, van even grote betekenis. Maar deze interpretatie biedt ons nog een ontsnappingsmogelijkheid en laat ons toe deze twee uit elkaar te trekken. Dan kunnen we van iemand zeggen: van het eerste gebod maakt hij niet veel, maar het tweede is bij hem vlees en bloed geworden. Of: aan zijn houding tegenover zijn naaste mankeert nogal wat, maar met betrekking tot het eerste grote gebod is hij een kei. Geweldig zoals hij God liefheeft!
Dat zou dwars tegen Jezus' bedoeling ingaan. Hij wil juist duidelijk maken dat die twee geboden niet van elkaar losgemaakt kunnen worden. Het is onmogelijk één van beide na te leven. Wie God niet liefheeft, heeft zijn naaste niet lief, ook al doet hij nog zo zijn best. En wie zijn naaste niet liefheeft, heeft God niet lief, ook al is hij nog zo vroom. Beide geboden zijn gelijk.
God liefhebben is de naaste liefhebben.
Vandaar dat Jezus in Matth. 25 niemand naar zijn linkerhand verwijst wegens vergrijpen die volgens ons in de zuiver godsdienstige sfeer liggen en die wij doorslaggevend zouden vinden, uitsluitend gevallen noemt waarin men zijn naaste links liet liggen.
Wie langs zijn naaste heen leeft en hem niet eens opmerkt, heeft God niet lief.
Hij kan het koninkrijk van God niet binnengaan.
Als iemand zegt God lief te hebben maar zijn broeder haat, dan is hij een leugenaar (1 Joh. 4:20).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief