De huwelijksdienst

1996-02-09
  • Jaargang 40
  • nummer 3
In de kleinere reformatorische kerken is het vrijwel ondenkbaar dat het kerkbezoek van een niet-meelevend lid beperkt zou blijven tot een drietal keer. Maar in de typische volkskerken, zoals b.v. de Evangelische Kirche in Duitsland, ligt dat anders en kan het gebeuren dat iemand slechts lijfelijk aanwezig is in de diensten, die gehouden worden bij zijn doop, huwelijk en begrafenis. Op zichzelf genomen is het niet vreemd, dat de traditie van de kerkelijke rituelen op zulke scharnierpunten in het menselijk bestaan het langst overeind blijft. Misschien ook mede onder invloed van ingesleten familiegebruiken, omdat de betekenis van de familiebanden in zulke diensten – ook voor ons besef – groter is dan in de ‘gewone’ diensten. Al zal ik zeker onder ons de doop nooit tot een familie- aangelegenheid worden, ten koste van de gemeente. Alleen het feit al dat de doop zijn plaats heeft in zondagse samenkomst van de gemeenste zegt op dit punt genoeg.

Rouw- en trouwdiensten
Dat laatste is een opvallend verschil met de beide andere genoemde samenkomsten, omdat de diensten bij huwelijk en begrafenis op een door de weekse dag worden gehouden. Daarbij mag wat mij betreft opnieuw wel eens de vraag gesteld worden of zulke diensten alleen alom die reden wel 'gemeentelijk' zijn te houden. Let bij een rouw- of trouwdienst maar eens op de aanwezigen en je moet in veel gevallen constateren, dat het grootste deel niet behoort tot de gemeente, maar tot de kring van vrienden en familie.
Ga je dan niet te ver, als je blijft vasthouden aan het gemeentelijk karakter van zulke samenkomstenmet voorbijzien aan de meerderheid van de bezoekers. Want zo is het ook nog eens een keer: niet elke bijeenkomst, waar gezongen, gebeden en verkondigd wordt hoeft gedoopt te worden tot een samenkomst van de gemeente. Bij de rouwdienst bestaat m.b.t. het gemeentelijk karakter van oudsher om meerdere redenen enige terughoudendheid. De huidige praktijk is, dat zo'n samenkomst uitgaat van de familie van de gestorvene, waarbij ook vrienden en gemeenteleden de gelegenheid krijgen om door aanwezigheid in de dienst hun persoonlijke verbondenheid uit te laten komen. Er lijkt me ook niets tegen het gebruik, dat de predikant van de gemeente, waartoe de gestorvene behoorde, zo'n samenkomst leidt. Maar de huwelijksdienst staat nog steeds te boek als een dienst uitgaande van de gemeente, tevoren ook aangekondigd als zodanig. En wat de uitvoering betreft vind je er alles wat een samenkomst tot een (door de weekse) kerkdienst maakt, inclusief votum, groet, de zegen en de ouderling van dienst.

Vogelvlucht
Ik las onlangs het boek van wijlen ds.
Meester 'De idee van de kerkelijke huwelijksplechtigheid". Ik heb het geanimeerd gelezen alleen al vanwege de historische doorkijkjes in het boek.
Uit de vogelvlucht door de geschiedenis kun je opmaken hoe er gezocht is om de verschillende partijen, die betrokken zijn bij een huwelijk, hun plaats te geven. Want trouwen is toch in de eerste plaats gegrond in de trouwbelofte, die het a.s. echtpaar elkaar gegeven heeft. Ten tweede gaat die stap niet buiten de beide families om en vervolgens spelen ook overheid en kerk op de één of andere manier een rol. Wat dat laatste betreft vond ik het opmerkelijk om te lezen, dat het trouwen voor de kerk in de middeleeuwen zich echt letterlijk buiten vóór de kerk afspeelde. Dat was aanvankelijk ook een wereldlijke aangelegenheid, die daarna binnen de muren een kerkelijke bekroning kreeg met een mis.
Omdat op een gegeven moment zowel de plechtigheid buiten als binnen de kerkdeur verzorgd werd door de geestelijke ging men ook het eigenlijke trouwen vóór de kerk steeds meer ervaren als een kerkelijke handeling, met als gevolg dat de hele plechtigheid naar binnen verhuisde. De belangrijkste verandering met de reformatie was, dat de mis het veld ruimde, waarvoor een dienst met onderwijzing en voorbede in de plaats kwam. Een grote verandering kwam toen de (plaatselijke) overheid in het begin van de 1ge eeuw onder franse invloed ten tijde van Napoleon de formele huwelijksvoltrekking aan zich trok. De kerkdienst kreeg daarmee nadrukkelijker het karakter van een dienst van gebed.

Gemeentelijk?
Zoals gezegd, de huwelijksdienst gaat in de protestantse kerken nadrukkelijk door voor een gemeentelijke samenkomst.
Je merkt dat b.v. in de aanhef van het christelijke gereformeerde formulier, waar je hoort: "Wij zijn als gemeente bijeen voor de bevestiging van het huwelijk van ... want het is goed, dat het huwelijk van de gelovigen ... ook in een samenkomst van de gemeente van Christus bevestigd wordt." Maar de eerlijkheid gebiedt te vragen of je zo'n aanhef in de praktijk wel kunt waarmaken. Moet je niet ruiterlijk toegeven, dat de werkelijkheid anders is? De gemeentelijke band alleen blijkt in het algemeen niet voldoende krachtig om de gemeenteleden bij de huwelijksdiensten te krijgen.
Zelfs niet wanneer zo'n dienst in de late middag of de avond wordt gehouden, iets wat trouwens lang niet altijd het geval is. Teruggrijpend op het aanloopje naar dit artikel moet je misschien ook wel zeggen van (rouw- en) trouwdagen, dat ze zozeer gestempeld zijn door familie en vrienden dat een gemeentelijke dienst op zo'n dag niet echt haalbaar is. Ds. Meester signaleerde in 1957 dit weinig gemeentelijke karakter van de huwelijksdienst en de praktijk geeft hem tot op de dag van vandaag vrijwel altijd gelijk. Vooral om deze reden, pleitte Meester er voor om de gemeentelijke voorbede voor zo'n huwelijk te bewaren voor de zondag, die op de trouwdag volgt.

Dienst van gebed?
Nu zou je tegen dit laatste kunnen inbrengen, dat een huwelijksdienst toch meer is dan een dienst van voorbede.
Het woord 'bevestigen' wijst in de richting van dat 'meer', nog eens versterkt door het herhaalde 'ja' van het bruidspaar.
Toch moet je ook anno 1996 nog steeds zeggen, dat het huwelijk op het stadhuis beklonken wordt, al kan soms het verlangen in je opkomen, dat de overheid de eigenlijke huwelijksvoltrekking weer uit handen geeft en zich beperkt tot een administratieve registratles.
Dat verlangen groeit bij mij, elke keer als de onverschillige houding van de overheid t.a.v. het huwelijk in de trouwzaal weer eens onderstreept wordt door een slap kletspraatje – al weet ik als Groninger dat het ook anders kan. Maar misschien moet je ondanks alle prietpraat op het stadhuis voorlopig maar blijven zeggen: zolang als het nog gaat, gaat het. De huidige wetgeving is in ieder geval zo, dat het huwelijk op het stadhuis zijn beslag krijgt, zodat je met de dienst die daarop volgt hoogstens een flinke streep onder zo'n voltrokken huwelijk zet. Niet meer, al wekt zoals gezegd het opnieuw uitgesproken 'ja' van het bruidspaar en de term 'bevestigen' misschien die indruk. Ik geloof wel, dat het er een stuk helderder van zou worden, wanneer je dat laatste onderdeel uit de dienst weg zou laten, inclusief het formulier (waarop de meesten ook niet zitten te wachten). In een preek of overdenking zou in dat geval vast nog wel iets moois van het huwelijk te zeggen zijn - in eigentijdse taal, wel te verstaan.
Zo zouden we een stuk opschuiven in de richting van een dienst van voorbede, die desgewenst een plaats kan krijgen in de zondagse dienst.

Beginnen?
In 'de vogelvlucht' had ik het over 'het zoeken om de verschillende partijen, die betrokken zijn bij een huwelijk, hun plaats te geven'. Van de huidige situatie moet je zeggen, dat de trouwbelofte aan elkaar vergeleken met vroeger een veel grotere plaats is gaan innemen. De afstand tussen die persoonlijke belofte en het moment van het publieke trouwen is er natuurlijk altijd wel geweest (getypeerd als verloving of ondertrouw), maar het nieuwe is dat die periode door de meerderheid nu parttime of fulltime samenwonend wordt overbrugd. In november vorig jaar kwam het Nederlands Dagblad in de jeugdbijlage 'Clou' met een reeks artikelen over de aanloop van vrijgemaakte jongeren naar het huwelijk. De inschatting van de jongeren zèlf was dat die aanloop door 50-90% samenwonend werd genomen. Weliswaar is dat bijna altijd in de meer verholen parttime variant van vakanties en weekends, maar dat laatste maakt het natuurlijk' niet wezenlijk anders. Als in de aanloop van de verkering - ook onder ons - dus steeds meer een voorschot wordt genomen op het officiële huwelijk, zou dat dan geen uitwerking op de huwelijksdienst moeten hebben, is een vraag die mij al langer bezig houdt. In onze huidige kerkelijke praktijk blijkt zo'n samenwonende aanloop maar incidenteel gevolgen te hebben voor de dienst en dat betreft dan I alleen de meer openlijke fulltime samenwoners'. Maar is het fair om bij een brede stroom van parttimers in een gemeentelijke samenkomst op te houden alsof alles op die dag begint, terwijl het point of no return ook voor hen al (lang te voren) is gepasseerd? Ook dan betekent het toch, dat de gemeente op een te laat en tamelijk toevallig gekozen moment betrokken wordt bij een gebeuren, waarbij in feite niet veel meer aan de hand is dan dat aan het officieuze samenleven een officiële status wordt gegeven. Dat even afgezien van het feit, dat je je in dat gemeentelijke gebeuren ten diepste voor het aangezicht van God begeeft.
M.L gewoon te laat en zonder verootmoediging is dat niet goed voor het Koninkrijk. Want als je denkt vanuit de bijbelse noties', kom ik er niet onderuit, dat zo'n samenkomst het beginpunt van het echtelijk samenleven claimt.
Gezien de gangbare praktijk ga ik er daarom steeds meer voor voelen om de verantwoordelijkheid voor zo'n gedevalueerde huwelijksdienst maar uit handen te geven aan b.v. de familie.
Als gemeente krijg je zo de handen vrij om op de zondag (voor of na de bruiloft) voorbede te doen voor het bruidspaar.
Dan houd je het tenminste gemeentelijk, het blijft bij voorbede en je bent uit de sfeer van de trouwdag.
Je kunt op zo'n moment ook vrijmoediger vragen of God het bruidspaar op hun verdere weg nabij wil zijn.

Uit één stuk?
'Je bent uit de sfeer van de trouwdag', liet ik me ontvallen in de geest van Prediker (7:2). Alsof je daar maar beter weg kunt blijven?! Bovendien lijk ik daarmee recht tegen de trend in te gaan, omdat er volgens de statistieken weer meer getrouwd wordt. Sterker nog, trouwen is gewoon weer 'in', met alle toeters en bellen uit oma's tijd. Het zal wel waar zijn, maar ik ervaar die opnieuw leven ingeblazen trouwpartijen toch als een beetje opgeklopt en wat te opgepoetst om er echt van op te kijken.
Ik heb wel eens gehoord van een stel, dat al meer dan tien jaar had samengewoond en toen (vanwege 'toch ook nog maar een kind') trouwde.
Daar werd zelfs een heus bruiloftsfeest omheen gezet, waarbij je natuurlijk moet zeggen dat er aan zo'n huwelijk na meer dan een decennium van samenwonen, geen begin netje meer te ontdekken valt. De familie zal zich op zo'n moment nog wel schoorvoetend in het feest hebben laten betrekken, maar de christelijke gemeente moet in zulke gevallen gewoon niet meedoengesteld dat die vraag zou komen. Zo bar als dit voorbeeld is het onder ons natuurlijk niet. Maar toch, iets ervan blijf ik wel voelen, hoe kort en hoe parttime de samenwonende aanloop ook is geweest. Je begint niet meer - denk ik dan - terwijl een trouwdag wel de schijn van dat beginnen heeft. Het valt ook niet te ontkennen, dat er door het bruidspaar (en de familie) aan gewerkt wordt om de trouwdag het karakter van een startdag te geven - ook al is er al maanden of soms zelfs jaren parttime of fulltime samengewoond. Maar hoe vlijtig er ook aan de trouwdag gepoetst :; . wordt, Ik raak de gevoelens van dubbelheid niet kwijt. Gewoon omdat het een begin is, dat al hoog en breed begonnen is. Ik ervaar om die reden de trouwdagen in zijn algemeenheid en ook de bijbehorende diensten in toenemende mate als 'niet uit één stuk'.

Als de uitzondering regel wordt
De overheid zal het allemaal een zorg wezen, maar voor de christelijke gemeente ligt dat toch even anders.
Laat ik er voor alle duidelijkheid maar bij zeggen, dat mijn hoofdbezwaar tegen samenwonen is, dat het Koninkrijk van God gebaat is bij een heldere stap en niet bij een groezelige verkeringstijd, waarbij de geliefden in feite al samenleven als man en vrouw. Ds.
Mudde heeft dat in zijn genoemde boekje en in de begeleidende reeks artikelen in Opbouw enkele jaren geleden nog weer eens overtuigend op een rij gezet. Wie er op hoofdpunten anders over denkt. zou eens een goed verhaal op papier moeten zetten! lets voor Opbouw misschien? Met als pittige opdracht om aannemelijk te maken dat de samenwonende aanloop geen sterk verhoogd risico met zich meebrengt aan huwelijken, die beduimeld zijn door vosrechteliik samenleven in een eerdere (stukgelopen) relatie. Want daar zit een bittere vrucht van (vooral parttime!) samenwonen. Maar ook als een relatie in eer en deugd samenwonend begonnen en volgehouden is - dus keurig onder de radar van het 7e gebod door - dan weet ik niet goed wat ik met de trouwdienst aan moet. Moet ik me vastklampen aan het feit dat er toch nog wel iets begint op zo'n dag, namelijk het officiële. Als je bij uitzondering iemand zou treffen, die vrij argeloos samenwonend is begonnen; kun je bij de trouwdienst nog wel eens denken: beter laat dan nooit. Maar als de uitzondering regel worden, dan wordt het anders. Want dat betekent dat het 'ja' voor God en de gemeente structureel te laat komt. Ik zeg het ronduit.
Achter dit artikel zit een hartelijk verlangen naar gemeentelijke huwelijksdiensten uit één stuk, die een werkelijk begin van samenleven markeren. En dan gehouden in de avond, waarbij de gemeente zoveel als mogelijk aanwezig kan zijn en ook werkelijk is. Maar dat alles is utopie. Om reden dat huwelijksdiensten zelden of nooit gemeentelijk zijn geweest, zoals ds. Meester veertig jaar geleden al beweerde. En anno 1996 blijf ik daarbij ook nog eens steken in gepieker over de vorm en inhoud van een (alsnog) te houden huwelijksdienst, na een periode van parttime of fulltime voorechtelijk samenleven.
Dat brengt me steeds meer tot de gedachte, dat we er misschien wel goed aan zouden doen om de samenkomsten op de trouwdag niet langer te houden onder gemeentelijke vlag. Voor mij persoonlijk gewoon een kwestie van nuchterheid en eerlijkheid.

Noten:
1. J. Meester, De idee van de kerke!yke huwe!yksplechtigheid; Barendrecht 1957.
2. Positiever over de rol van de overheid is J.J. Oostenbrink in zijn overwegingen omtrent registratie en de eventuele opheffing van het verbod op kerkelijke bevestiging van een huwelijk, dat niet eerst door de overheid is gesloten (art.
449 van het Wetboek van Strafrecht).
J.J. Oostenbrink, Over huwelijk en 'leejiJonnen'; in: Opbouw, 36ejrg. nr. 20,21 (1992); J.J. Oostenbrink, Overheid en kerkezyke huwelgksbevestiging; in: Opbouw, 37ejrg. nr. 20, 22 (1993).
3. Zie b.v. het zesde en laatste artikel van J.M. Mudde uit de reeks 'Kerkeraadsbeleid inzake relaties en relatievonnen'; in: Opbouw, 37ejrg. nr. 23-27 (1993) en 38ejrg. nr. 1 (1994).
Op deze reeks kwam een ingezonden van A. Bergsma 'Trouwen of samenwonen', waarna ds. Mudde opnieuw de pen ter hand nam en zijn standpunt nader toelichtte; in: Opbouw, 38ejrg.
nr. 4-6 (1994).
4. Te denken is o.a. aan het boelge van J.M. Mudde, Kostbaar en kwetsbaar; Amsterdam 1992. Opvallend aan de genoemde bijdragen in het ND (Clou) was, dat er onder de geïnterviewdejongeren geen onduidelijkheid was over de vraag welke kant de bijbel ons wijst.
ongeacht de eigen praktijk op dü punt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief