Ingezonden

1996-02-09
  • Jaargang 40
  • nummer 3
De rijkdom van Christus
Terwijl ik dit schrijf, is het de week van het gebed voor de eenheid van alle christenen. Naast mij liggen de woorden van Jezus: En ik bid (-) voor hen die (-) in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat zij ook in Ons zijn. (Joh. 17:20,21).
Aan de andere kant van mijn bureau ligt het artikel: De rijkdom van Christus, Opbouw, no. 1, waarin de heer van Kampen reageert op één van mijn Trouw-columns. De heer Van Kampen weet absoluut zeker dat mijn geloof in Jezus Christus 'eigendunkelijk' is en niets te maken heeft met het geloof in de Christus der Schriften. "Vol deernis"
schaart hij mij bij de "omgevallen dominees"
die wel door de kerk betaald willen worden maar hun geestelijke 'armoede' niet erkennen en bij wier bediening toch wel ernstige vraagtekens gezet moeten worden. En het stemt hem al helemaal droevig als die dominees vroeger zo'n "echt evangelische uitstraling" hadden. Er wordt mij aangekondigd dat ik met mijn geloof geen joden of moslims op het hart zal trappen (is dat evangelisch dan?) en dat ik "in deze wereld niet vervolgd zal worden". Nu heb ik altijd begrepen dat 'vervolging' meestal uit de eigen kring voortkomt, dus de weerstand van de heer Van Kampen komt mij niet vreemd voor. Hij heeft de absolute zekerheid dat hij niet geschaard kan worden onder de gelovigen uit Laodicea die Johannes in Openbaring 3 toespreekt.
Nee, hij heeft aan niets gebrek, de rijkdom van Christus is veilig zijn bezit. Het belangrijkste verschil tussen mij en de heer Van Kampen ligt mijns inziens in onze waarheidsopvatting. Daar waar ik de Waarheid zie en beleef als een Weg die gegaan moet worden en die gaandeweg mij gaat, is voor de heer Van Kampen de Waarheid een soort hof van Eden bewaakt door een engel met een vlammend zwaard en wellicht een zwart pak. Op mijn weg als gelovige, als leerlinge van Jezus Christus, heb ik het verschil geleerd tussen de rijkdom die ik bezit en de rijkdom die mij bezit.
Tussen de waarheid die ik heb en het geloof dat mij heeft. In de gewraakte column heb ik geprobeerd dat verschil aan te geven. Niet in woorden uit de eerste of de derde eeuw, maar in taal van deze tijd. Kenmerkend voor evangelisch leven is voor mij dat grenzen tussen mensen steeds weer doorbroken worden. Dat alle hokjes en vakjes en indelingen waarmee wij de wereld ordenen, steeds weer door de Geest van Jezus Christus doorkruist worden.
Werkelijk geloof in Christus wordt hierin zichtbaar: dan is er geen sprake meer van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk of vrouwelijk (Galaten 3:28). Zolang wij de wereld nog steeds opdelen in 'mensen die erbij horen' en 'mensen die er niet bij horen' zijn wij niet evangelisch bezig, zijn wij niet in het spoor van Jezus Christus. Het oordeel is aan God en niet aan ons. AI te snel zien wij de splinter bij een ander en negeren de balk in ons eigen oog.
Jezus breidde het heil van Israël uit tot de heidenen, in wezen een oerjoods besef. Hij doorbrak daarmee het in zijn tijd heersende religieuze denken, dat hekjes om het ware geloof gezet had.
Veel evangelische gelovigen zijn in mijn ervaring precies met dit hekjes-zetten bezig. In hun ijver voor de zuiverheid van het geloof bouwen ze vooral aan eigen zekerheid. Leven in het spoor van Christus is echter voortbewogen worden door diezelfde Geest die Hem inspireerde. En die waait waarheen Hij wil, en niet altijd waarheen ik denk dat het goed is. Ik vind onze tijd een prachtige tijd om in te leven. Ongekende mogelijkheden tot communicatie staan ons ter beschikking. We ontmoeten mensen die leven vanuit andere, ons onbekende bronnen van geloof en wijsheid.
Menswetenschappen geven ons diepere inzichten in de drijfveren van ons voelen en denken. De natuurwetenschappen reiken andere wereldbeelden aan dan die domineerden in de laatste paar eeuwen. Is het nu echt evangelisch om alles door een bril van argwaan te bekijken? Hebben we zo weinig vertrouwen in God dat we alle nieuwe dingen moeten wantrouwen? Is het echt evangelisch om te menen dat de Geest van God niet-christelijke volkeren al die eeuwen niets te zeggen heeft gehad? Of voert de weg van de doorgaande reformatie van de kerk misschien langs wegen waar we nog niet eerder zijn geweest? "Zo kennen we van nu aan niemand naar het vlees". Dat wil zeggen: we kennen niemand meer volgens ons eigen ik dat gericht is op zelfbehoud. Dit schrijft de apostel Paulus als hij de Corinthiërs herinnert aan hun ambt van verzoening.
God heeft de hele wereld in Christus met zich verzoend. Daarom kennen echt evangelische gelovigen niemand meer 'naar het vlees': ze leven vanuit de fundamentele eenheid van mensen in de ogen van God. Maar ja, dat is wel radicaal ... De heer Van Kampen is niet geïnteresseerd in mijn dromen. Toch wil ik hem er nog één vertellen. Soms droom ik dat de evangelische christenen wakker zullen worden. Dat ze ontwaken uit hun illusie dat zij de rijkdom van Christus moeten omheinen met leerstellingen. Dat de vurige liefde van Christus hun dringende behoefte aan al te menselijke zekerheden zal verteren.
En dan zullen wij, misschien eens, allen één zijn.

Marianne Suurmond-Vonkeman, Vlaardingen

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief