Israëls luister: voorschot op Jezus' dood
1996-02-23
Doch thans zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn: maar wij zien Jezus, die voor korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor ons ieder den dood zou smaken, met heerlijkheid en eer gekroond. Want het voegde Hem om wien en door wien alle dingen bestaan, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te brengen, den Leidsman hunner behoudenis door lijden heen zou volmaken.- Jaargang 40
- nummer 4
Hebr. 2: 8b-10
Het taalprobleem
De taal van de brief aan de Hebreeën is bepaald niet gemakkelijk. De ons onbekende schrijver moet een man van een zekere ontwikkeling zijn geweest, die ook van de klassieke Griekse literatuur en cultuur het een en ander in zijn bagage had. Dat blijkt o.a. uit het feit dat naast de invloed van het latere Grieks - de z.g. koinèook het idioom van het klassieke Grieks hier en daar in zijn taal te bespeuren is. Hij is bovendien rhetorisch geschoold, wat zich b.v. al aanstonds in de sterk allittererende aanhef van zijn brief verraadt. Daarbij vertoont zijn stijl een zekere overladenheid; hij maakt soms zelfs een ietwat hoogdravende indruk. Deze factoren maken het verstaan van zijn vaak toch al moeilijke redeneertrant er niet gemakkelijker op. De massieve zinnen die in dit boek op je afkomen, hebben iets weg van de steile bergwanden, die wel imponeren, maar waar je slechts met de grootste moeite tegenop kunt klauteren. Geen wonder dan ook, dat er in deze brief nog altijd plaatsen zijn aan te wijzen waar de exegeten het tot dusver hebben laten afweten.
Een drievoudige misser
Zo viel onlangs nog eens weer mijn aandacht op het gedeelte dat ik hierboven in de NBG-vertaling heb laten afdrukken. Kennelijk omdat ze geen kans zagen uit de overgeleverde tekst een goede zin te halen, hebben de vertalers zich in deze verzen laten verleiden tot twee te enen male onverantwoorde weergaven (a en b) en tot verplaatsing van een bepaalde passage (c).
a) 'voor een ieder' (v. 9) Het mannelijk enkelvoudige 'pas' I= 'ieder') komt zelfstandig alleen in de eerste naamval voor; overigens ook daarin nog sporadisch, b.v. Mc. 9,49 en Lc. 16,16. Vaak vindt men het ook reeds in dié naamval bijvoeglijk gebruikt en vergezeld van een zelfstandig naamwoord als b.v. 'anthroopos' (= 'mens'); zo b.v. in Jh. 2,10.
Eigenlijk staat daar dus: 'elk mens'; maar men mag daar rustig vertalen: 'ieder' of 'iedereen'. In de overige naamvallen - o.a. in de tweede, die we hiér aantreffen ('pantos') - gaat het mannelijk enkelvoud van dit woord altijd samen met een zelfstandig naamwoord', ik heb aan de hand van een concordantie alle plaatsen nagetrokken waarin een vorm van 'pas' in het N.T. voorkomt, en meen dan ook met redelijke zekerheid te kunnen stellen, dat we hier, waar 'huper pantos' zonder zelfstandig naamwoord voorkomt, met een bedorven overgeleverde tekst te maken hebben, die om verbetering vraagf.
b) "om vele zonen tot heerlijkheid te brengen" (v. 10) Een doelstelling, zoals de vertalers die hier met 'om te' tot uitdrukking brengen, kan men in het Grieks inderdaad in een deelwoord vatten, maar dan wél in een deelwoord van de toekomende tijd, b.v. Hd. 8,27 "om te aanbidden"; Mt. 27,49 "om Hem te redden").
Hiér staat echter niet een deelwoord van de toekomende tijd, maar van de aoristus, die een voltooide handeling aangeeft. Men zou hier dan ook moeten vertalen: "nadat (of: omdat) Hij vele zonen tot heerlijkheid had gebrachf'.
c.) "omdat Hij door de genade Gods voor een ieder de dood zou smaken"
(v. 9) De NBG-vertalers hebben deze doelstelling ('opdat ...') verbonden aan de woorden "beneden de engelen gesteld". In de Griekse tekst echter staat deze doelstelling helemaal aan het eind van v. 9, en is verbonden aan de woorden "met heerlijkheid en eer gekroond".
Een oplossing
Wij zitten hier dus met een op drie punten niet te verantwoorden vertaling.
Laat ik een poging mogen wagen de problemen die hier liggen, tot een oplossing te brengen. Ik behandel ze in omgekeerde volgorde; begin dus met het laatste, en wel omdat dit naar mijn mening het meest simpele is.
Probleem c
Wat let ons namelijk de woorden "met heerlijkheid en eer gekroond" te betrekken op Jezus' verheerlijking op de berg? Om te beginnen zegt Petrus, dat hij het in 111,17 over deze gebeurtenis heeft, dat Jezus toen "van God den Vader eer en heerlijkheid heeft ontvangen". Petrus gebruikt daar dezelfde woorden als de Hebreeënbriefschrijver hier, zij het in omgekeerde volgorde. Bovendien weten we, dat op de berg der verheerlijking Mozes en Elia met Jezus kwamen spreken over diens aanstaande dood?
in Jeruzalem (Lc. 9,30.31). De Vader heeft Jezus daar kennelijk een voorproefje gegeven van de heerlijkheid die Hem na zijn dood en opstanding te wachten stond, om Hem ertoe aan te moedigen de zware gang naar het kruis te maken. Dat laatste zegt trouwens juist de schrijver van de Hebreeënbrief elders heel uitdrukkelijk: "om de vreugde die Hem in het vooruitzicht was gesteld heeft Jezus het kruis op zich genomen" (12,2).
Probleem b
Ik denk - en heb dat al eens eerder als een handicap voor het recht verstaan van bepaalde Schriftplaatsen aangewezen - dat wij, als we in de bijbel lezen van onze 'heerlijkheid', vaak meteen denken aan de heerlijkheid in het hiernamaals. Wij zien dit woord zo dagelijks met name gebruikt in overlijdensberichten: "opgenomen in heerlijkheid".
In de artikelen waarnaar ik daareven verwees, heb ik - hoop ikduidelijk gemaakt, dat het bijbelse woord 'heerlijkheid' een veel ruimer scala aan betekenissen te zien geeft.
Als we in onze tekst lezen van 'vele zonen' die 'tot heerlijkheid gebracht waren', dan doet mij dat allereerst denken aan een passage uit het begin van Rom. 9: "hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften" (v. 4).
Paulus heeft het daar over het volk Israël. Dát was door God aangenomen als zoon, als eerstgeborene, zoals de proclamatie van Mozes aan het adres van den Farao luidt (Ex. 4,22). En niet alleen dit volk als geheel heetook elders in het O.T., b.v. Hos. 11,1 - Gods zoon, maar ook voor de Israëlieten individueel vindt men de benaming 'Gods zonen'. Als de Heere de terugkeer uit de ballingschap aankondigt, heet het: "Ik zeg tot het Noorden: 'Geef!', en tot het Zuiden: 'Houd niet terug! Breng mijn zonen van verre en mijn dochters van het einde der aarde!' " (Jes. 43,6).
Paulus heeft in Rom. 9 kennelijk de uitleiding van Israël uit Egypte voor ogen, gezien het feit dat hij behalve van hun 'aanneming tot zonen' in één adem ook spreekt van "de verbonden en de wetgeving", m.a.w. van wat op de Sinaï plaatsvond. In dát tijdsgewricht heeft God zijn zonen uit de slavernij gevoerd in de vrijheid, en van verachting tot 'heerlijkheid', tot aanzien gebracht. Vlak vóór de intocht in Kanaän belooft de Heere bij monde van Mozes, dat "Hij zal zorgen, dat aan dit volk lot, eer en heerlijkheid wordt toegebracht ver boven alle andere volken die Hij gemaakt heeft"
(Dt. 26,19). Ook het vruchtbare erfland dat de Heere voor Israël uitzoekt en dat Hij hen laat veroveren op de Kanaänieten, heet in Ps. 47,5 "de heerlijkheid van Jakob" (vgl. Et. 1,18).
En t.a.v. de terugkeer uit de ballingschap wordt gezegd: "Op die dag zal wat de Heere doet uitspruiten (vgl.
43,19) tot sieraad en heerlijkheid zijn, en de vrucht des lands tot glorie en luister voor de ontkomenen van Israël", Jes. 4,2. Zie verder uit datzelfde profetenboek o.a. 17,3.4; 60,15; 61,6; alsmede hos. 9,11 en 14,74• Wel, zouden dan ook in Hebr. 2,10 met de "vele zonen die God tot heerlijkheid had gebracht" niet de Israëlieten zijn bedoeld, door den Heere naar hun erfland geleid en daar tot aanzien gebracht? Het gaat den schrijver hier blijkens v. 16 toch om "het nageslacht van Abraham, waarover de Heere zich ontfermt"?
Probleem a Nu komt dan nog de lastigste opgave: te gissen, wat er oorspronkelijk kan hebben gestaan in plaats van het overgeleverde - maar onhoudbare'huper pantos'.
De aansluiting van v. 10 bij v. 9 Dan verdient het allereerst de aandacht, dat het volgende vers (10) op de woorden "opdat Hij door Gods genade de dood zou smaken" aansluit met 'want'. In v. 10 wordt dus blijkbaar verklaard (gemotiveerd) wat in het slot van v. 9 is gezegd.
Nu zegt v. 10, dat het "God betaamde - omdat Hij (oudtijds) vele zonen (t.w. zijn volk Israël) tot heerlijhkheid had gebracht - (nu) Hem die tot het redden van die zonen het voortouw had genomen door allerlei lijden heen aan zijn eind te doen komen". Het gaat in die 'zonen Gods' dus blijkbaar om verloren zonen: ze moesten immers gered worden; om zonen die de luister en het aanzien waartoe God hen had geleid, zich kennelijk niet waard hadden gemaakt door hun zonden, maar ten aanzien van wie de Heere tijdelijk 'genade voor reent had laten gelden.
Alleen: dit 'pardon' zou niet betamelijk zijn geweest, God had dit - met eerbied gesproken - niet kunnen 'maken', als Hij niet achteraf hun Redder aansprakelijk had gesteld voor hun schuld, en daarvoor met lijden en dood had gestraft.
In dit tiende vers wordt dus in het licht gesteld, hoe betamelijk het was, dat God zijn aan de Israëlieten bewezen genade naderhand vereffende door hun 'Voorvechter' te laten sterven. En de schrijver doet dit ter motivering ('want') van wat hij in v. 9 heeft gesteld.
Nu is in v. 9 inderdaad sprake van het sterven van Jezus. Er is in dat vers tevens sprake van Gods genade; maar vreemd genoeg van zijn genade tegenover Jezus, niét van die tegenover Israël. "Vreemd genoeg" zei ik.
Immers het is om Gods genade aan zondaren dat Jezus moet sterven.
Maar Hij sterft toch niet door Gods genade? Het doodvonnis dat God aan Hem voltrekt is toch het tegendeel van gratie die God Hem zou hebben verleend?
Hoe brengen we nu de tekst van v. 9 zodanig in het reine, dat v. 10 met zijn motivering ('want') van het betamelijke van Jezus' sterven, gegeven eenmaal Gods genade tegenover Israël, goed op v. 9 aansluit?
De bedorven tekst Nu we eenmaal geanalyseerd hebben, aan welke eisen het herstel van v. 9 inhoudelijk lijkt te moeten voldoen, kijken we eens nauwkeuriger naar het verkeerd overgeleverde tekstgedeelte, t.w, de woorden 'huper pantos'.
Dan moet men weten, dat de h in het Grieks niet door een letterteken wordt weergegeven, maar door een omgekeerde komma boven de volgende klinker. En in het oude - z.g. uniciale - schrift ontbrak dat teken veelal ook nog. Bovendien kende men in dat schrift geen woordindeling. Bij ons zoeken naar een oplossing kunnen wij dus uitgaan van de letterreeks uperpentos.
Nu denk ik, dat de eerste letter daarvan wel eens zou kunnen berusten op een slordigerwijs gemaakte verdubbeli, ng van de slotletter van het voorafgaande woord theou ('Gods'). Zo'n dittografie (= dubbelschrijving) is een van de meest voorkomende fouten in de antieke handschriften.
Als we nu de overblijvende letters (perpantos) beschouwen als een verschrijving van prepontos, dan hebben we daarmee een vorm terug van het werkwoord waarmee de volgendeverklarende - zin begint (t.w. 'eprepen' == het betaamde); en wel een tegenwoordig deelwoord ('betamend') datgezien de naamval - betrokken is op het zelfstandig naamwoord 'dood'.
Dan staat er dus: "opdat Jezus een betamende dood zou ondergaan".
Het verrassende is, dat nu meteen ook dat probleem van de bevreemdende uitspraak 'door Gods genade' uit de wereld is. De derde naamval waarin het woord 'genade' hier staat blijkt nu nl. niet instrumentaal bedoeld te zijn (zoals b.V. in Ef. 2,5 "door genade zijt gij gered"), maar af te hangen van het herwonnen prepontos: .Jezus' dood wordt hier gekwalificeerd als 'Gods genade betamend'. Uit zijn genade jegens Israël vloeide voor God het ter dood brengen van Jezus als ethische verplichting voort.
Een parallel bij Paulus
Als we v. 9 zó lezen, krijgen we in v. 10 een passende uitleg van deze in zijn kortheid ietwat raadselachtige uitspraak ("opdat Jezus een Gods genade betamende dood zou ondergaan").
De genade van God wordt nl., in v. 10 uitgelegd ('want') als de genade op voorhand aan Israël bewezen.
En tevens maakt dit vers duidelijk, dat deze genade, zoals in v. 9 met de bepaling 'passend' was gesteld, gewoonweg vroeg om een tegenprestatie van Jezus' kant, nl. om zijn sterven voor de zonden van het volk dat Hij wilde redden.
We vinden hier dezelfde gedachte die Paulus naar voren brengt in Rom. 3,25.26, waar hij van Jezus zegt: "Hij zou - zo had God het zich voorgesteld - met zijn bloed verzoening in de weg van geloof tot stand brengen, om te laten zien, dat God rechtvaardig is; (wat nodig was geworden), omdat God de vroeger begane zonden in zijn tolerantie had laten lopen; om in het huidige tijdsgewricht te laten zien, dat Hij rechtvaardig is. Zo zou Hij, ook als Hij vrijspreekt wie in Jezus gelooft, toch rechtvaardig zijn". God moest, wilde Hij zijn reputatie, een rechtvaardig God te zijn, niet verliezen, de door Hem onbestraft gelaten zonden van Israël op Jezus verhalen. Dat was niet meer dan betamelijk.
Een dubbele bevestiging
Achteraf meen ik zowel voor mijn tekstverbetering als voor de gedachte die ik in deze passage lees, een bevestiging te vinden.
T.a.v. het eerste punt wijs ik erop, dat nu het werkwoord 'zou smaken' tussen twee woorden in komt te staan die bij elkaar horen, nl. het bijvoeglijk deelwoord 'betamend' en het zelfstandig naamwoord 'dood'. We krijgen daarmee een stijlfiguur die met name in rhetorisch proza veelvuldig voorkomt, het z.gn. hyperbaton. Met die term geeft men aan, dat men, om van 'betamend' bij het bijbehorende 'dood' te komen, over een ander woord heen moet stappen. Het rhteorisch effect van deze figuur is, dat het bijvoeglijk naamwoord extra nadruk krijgt.
(Begrijpelijk: je wordt zo gedwongen het even vast te houden, voordat je te horen krijgt, bij welk zelfstandig naamwoord het hoort.) Het betamende van Jezus' sterven heeft hier dus de nadruk. En met die nadruk is het in overeenstemming, dat de volgende - verklarende - zin dát begrip voorop stelt. Voor voorbeelden van deze stijlfiguur kan men in de Hebreeënbrief te kust en te keur qaan", Eerlijk gezegd heb ik, afgaande op de cadans waarop deze brief je meeneemt, allang intuïtief aangevoeld, dat hier onder de bedorven tekst déze figuur moest schuilgaan.
Wat het tweede punt betreft, zou ik willen wijzen op 9, 15 in deze zelfde brief, waar exact dezelfde gedachte wordt verwoord. Daar wordt nl. van Jezus' dood gezegd, dat die "plaats vond ter bevrijding van de overtredingen die onder het eerste verbond waren
beqeerï",
Een betere vertaling
Misschien is het dienstig - vooral ook met het oog op lezers die er moeite mee hebben een bespreking van taalkundige kwesties te volgen - hier in een vertaling nog eens het resultaat van ons onderzoek te presenteren. Ik zou dan de tekst-in-kwestie ongeveer als volgt willen weergeven: "Dat 'alles hem onderworpen" zien we nu echter nog niet. Wat we wél zien?
Hoe Hij die voor korte tijd onder de engelen was gesteld - Jezus - met het oog OpBhet ondergaan van de dood met heerlijkheid en eer is gekroond, om Hem ertoe te bewegen de doodsbeker te drinken", die Gods genade betaamde. Want het betaamde Hem om wien en door wien alles bstaat, nu Hij eenmaal vele zonen tot aanzien had gebracht, Hem die bij hun redding het voortouw had, in de weg van veel lijden ter dood te brenqen''!".
Noten:
1. Zo'n zelfstandig naamwoord kan ev.
ook een verzelfstandigd deelwoord zijn; vgl. o.a. Mt. 25,29 ("aan iederen hebbende", als we heel letterlijk zouden vertalen) en Lc. 6,30 (,,geef aan iederen u vragende') of vervangen worden door een betrekkelijke bijzin. b.v. Lc. 12,48 ("van een ieder wien veel gegeven is").
Ook is het mogelijk tot het meervoud zijn toevlucht te nemen, dat wél - ook in de andere naamvallen - zelfstandig wordt gebruikt. En dan heeft men ook nog het woord 'hekastos' ter beschikking.
Dit is o.a. gebruikt in Hd. 21,26, waar de schrijver, evenals hier in onze tekst, een van het voorzetsel 'huper' ajhankelijke tweede naamval nodig had.
Er is één schijnbare uitzondering: de versteende bijwoordelijke verbinding 'dia pantos' (= 'voortdurend'). Maar daar is 'pantos' bijvoeglijk, en behoort bij een verzwegen 'chronou' t= 'tijd').
Men kan dit 'dia pantos' dus eigenlijk gelijk stellen met het Nederlandse 'aldoor' t= 'al de tijd door').
2. J.A. Bengel heeft in zijn bekende Gnomon Novi Testamenti (1763) reeds terecht de interpretatie van 'pantos' in onze tekst als zelfstandig mannelijk afgewezen, maar het als zelfstandig onzijdig i= 'alles') willen verstaan.
Terecht is daartegen opgemerkt, dat ook voor het onzijdig de Hebreeënbrief in zo'n geval altijd het meervoud gebruikt (eigenlijk dus 'alle dingen').
Bengels verwijzing naar Hes. Op. 40 als vindplaats voor een zelfstandig onzijdig 'pantos' lijkt mij overigens ook nog aanvechtbaar. Het gaat daar nl., als ik de tekst juist versta., om de bijvoeglijke begrippen 'heel' en 'half. Voor het onzijdig enkelvoud kent menbehalve het zelfstandig gebruik in eerste en vierde naamval ('pan') - alleen voor de derde naamval in de vaste verbinding 'en panti' i= 'in elk opzicht') zo'n verzelfstandiging.
3 In mijn artikelen 'Enkele opmerkingen over het begrip 'heerlijkheid' in het NT, Opbouw,jrg. 32, blzz. 244-245; 254-255; 260-262.
4. Israël zélf wordt zelfs Gods 'heerlijkheid' genoemd, d.w.Z. het sieraad waarmee God had wUlen pronken, Jer. 13,11. De Heere had kennelijk aan Israël zoveel luister verleend, omdat Hij het als zijn 'visitekaartie' in de wereld wade gebruiken, vgl. Dt. 4,6-8; en later Zach. 8,23.
5. Ik doe een greep uit de vele voorbeelden, en beperk me daarbij tot die gevallen waar men exact hetzelfde patroon vindt als hier; waarbij nl. steeds sprake is van een werkwoord dat tussen het bijvoeglijk naamwoord en het bijbehorend zelfstandig naamwoord is geschoven: 1,4; 2,3; 4,8; 6,5.11; 7,11.26; 8,6 (tweemaal).
6. Eens te meer blijkt nu, hoezeer hoofdstuk twee reeds preludiëert op wat in de latere hoofdstukken gezegd wordt over het ontoereikende van de oudtestamentische offerdienst.
7. Waarvan de pas aangehaalde achtste Psalm in v. 7 sprak.
8. In de accusativus na 'dia' kan zowel een toekomstig als een verleden gebeuren zijn uitgedrukt. Hier worden de woorden 'met het oog op het ondergaan van de dood' nader verduidelijkt in de volgende doelstellende zin "om Hem ertoe te bewegen de doods beker te drinken".
9. In de uitdrukking 'de dood smaken (of: proeven) doemt het beeld op van de lijdensbeker, zoals ons dat ook bekend is uit Mt. 26,39.
10. Dat 'teleioöo', evenals het Nederlandse 'ajinaken', zowel 'voltooien' als 'ter dood brengen' kan betekenen, heb ik al eens eerder naar voren gebracht; zie Opbouw, jrg. 8, blz. 353.