De zorgvragende mens al beeld Gods (2)
1996-02-23
In de tweede (en laatste) deel van de toespraak van Prof. Knol, zoals hij die op de laatste Opbouw-jaarvergadering heeft gehouden, gaat het achtereenvolgens over de mens als beeld van God en de betekenis daarvan, de inhoud van het zorgconcept en de uitdaging van de zorgvraag.- Jaargang 40
- nummer 4
Het beeld van de mens als beeld Gods
Ik kom nu tot enkele beschouwingen over het tweede aspect van de verantwoorde zorgverlening, de mens als beeld Gods.
De bijbel sspreekt duidelijke taal. De mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Dat slaat niet alleen op Adam, maar ook op Eva die uit de man genomen is en ook op het gehele mensengeslacht zoals dat uit dit ouderpaar is voortgekomen.
Voor mijn betoog wil ik vooral twee kenmerken van dit beeld naar voren brengen.
In de eerste plaats spreekt het geloof in de mens als beeld Gods van de intrinsieke waarde en dus van de beschermwaardigheid van elk menselijk leven.
Dat betekent dat elk mens, hoe gehandicapt ook, recht heeft op dezelfde zorg en behandeling als elk mens. Of anders geformuleerd, de handicap kan nimmer een criterium zijn om een mens niet te behandelen.
Men kan niet zeggen - en ik betreed hier even het gebied van de medische ethiek - dat er geen criteria bij het oordeel over een behandeling mogen zijn. Maar, om een historisch geval te nemen, het weigeren van een medische handeling bij een mensenkind dat met een Downsyndroom geboren is, omdat er sprake is van een verstandelijke handicap moet dus als principieel verwerpelijk worden beschouwd. En dit wordt dan ook algemeen gedaan.
Maar tegelijkertijd moet hierbij worden opgemerkt dat de beschikbaarheid van middelen om gehandicapte mensen tot hun recht te laten komen vooral wordt bepaald door wat er in de samenleving aan middelen beschikbaar wordt gesteld.
Het gehandicaptenbeleid komt steeds meer onder invloed van de ontwikkeling van wetenschap en technologie.
Deze invloed wordt merkbaar aan beide uitersten van het leven. Door genetisch onderzoek kan men in een vroeg stadium handicaps op het spoor komen en daardoor een belangrijke invloed uitoefenen op het voorkomen van het geboren worden van gehandicapte kinderen. Tegelijkertijd is de levensverwachting in de laatste decennia sterk toegenomen.
Bovendien is het medisch gezien vaak mogelijk om, indien de ouders er ook mee accoord gaan, ook zwaar gehandicapte mensenkinderen in het leven te houden.
Het kan niet genoeg worden beklemtoond dat de waardigheid van de mens niet wordt bepaald door zaken als uiterlijkheden, door tekorten of door capaciteiten. De intrinsieke waarde van de mens is gegeven in zijn creatuur-zijn, in zijn beeld-Godszijn.
Maar dat betekent ook dat het pleiten voor beschermwaardigheid van het leven zonder tegelijkertijd een bereidheid om middelen beschikbaar te stellen om het leven te beschermen geen enkele betekenis heeft.
In de tweede plaats moet naar voren komen, dat de mens als beeld Gods ook beelddrager moet zijn d.i. navolger van God heeft te zijn. De mens als beeld Gods reflecteert waar het God in Zijn wereld en met Zijn mensheid om te doen is. Barmhartigheid, lankmoedigheid en betrokkenheid op de mens in nood.
En in dit beeld past ook de zorgvragende mens, de gehandicapte mens in al zijn verschijningsvormen. Dit betekent wel dat de mens mogelijkheden moet hebben om navolger te zijn.
Hier raak ik een uiterst ingewikkelde problematiek, namelijk de vraag in welke mate men nog van een mens kan spreken. Hoe staan we tegenover niet levensvatbare mensenkinderen?
Hoe staan we tegenover mensen die alleen nog maar kunstmatig in leven worden gehouden? Kan men dan nog .wel van een mens als beeld Gods spreken?
.Echter, en dat moeten we vast blijven houden, de basis voor een zorgbeleid mag nimmer zijn dat de mens aan bepaalde voorwaarden en normen moet voldoen om aanspraak te kunnen maken op alle rechten.
Het gevaar dreigt immers dat de gehandicapte mens wel rechten kan ,doen laten gelden op verzorging in ruime zin, maar dat hij vanuit zijn handicap vrijgesteld kan worden van plichten.
Daartegenover moet, zeker vanuit christelijk perspectief worden gesteld dat in welk opzicht een mens ook gehandicapt is, elk mens een mens is met een zekere verantwoordelijkheid.
I De mens onderscheidt zich van het dier doordat hij weet heeft van goed , en kwaad. De mens, elk mens, is in deze wereld geplaatst als een mens met een verantwoordelijkheid. De mens is een antwoordende mens en , de zorg richt zich dan ook op deze antwoordende mens. In het antwoord-
: geven manifesteert zich het eigenlijke van het mens-zijn. In deze zin draagt , de mens ook verantwoordelijkheid.
Mensen die geen antwoord kunnen geven en dus geen verantwoordelijkheid kunnen dragen, blijven recht op verzorging en waardige bejegening hebben.
: Ter goed begrip moet wel worden opgemerkt dat het antwoord van een mens niet in woorden en geschriften behoeft plaats te vinden. Maar de mens moet in staat zijn te communiceren tussen zichzelf en de ander en ook met zijn God.
Verantwoorde zorgverlening en dus aanvaarding van de zorg als opdracht houdt in dat de gehandicapte mens niet wordt bezien vanuit het tekort, maar vanuit de mogelijkheden, vanuit zijn mogelijkheden om antwoordende mens te zijn.
Wij nàderen hier wel een grens. Een goede zorgverlening heeft juist veel moeite indien er zo weinig mogelijkheden bij een mensenkind zijn.
Soms vraagt het veel geloof om in een mensenkind nog het beeld Gods te zien.
Inhoud van het zorgconcept
Het bovenstaande wil dus zeggen dat ik de idee van de mens als beeld Gods nader wil invullen.
Ik wil dit alles toespitsen op de stelling dat de gehandicapte mens net als de ander recht heeft op leven en indien mogelijk recht op onderwijs, op arbeid en op wonen. Ik wil hier dus een verbinding leggen met de idee dat de handicap in feite een maatschappelijk verschijnsel is. Er zijn dus a.h.w. geen handicaps van nature. Vele mensen worden met belemmeringen geboren, maar deze belemmeringen worden handicaps in zoverre de samenleving niet in staat is of bereid is om deze mensen met belemmeringen volwaardig te laten functioneren. Tegen deze achtergrond zal het wel duidelijk zijn dat de bovengenoemde rechten van het grootste belang zijn binnen de zorgverlening aan gehandicapte mensen.
Ik moet volstaan met enkele normatieve uitspraken.
De meest fundamentele uitspraak is wel dat de zorgvraag het uitgangspunt moet zijn. Deze zorgvraag wordt vertaald in de vraag naar voorzieningen.
Of anders gezegd, niet het aanbod bepaalt de inhoud van de zorgvraag maar de zorgvrager zelf. Ik pas dit toe op enkele terreinen.
Het gehandicapte kind heeft recht op toegang tot het basisonderwijs en kan dus aldoende mede verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling van onze samenleving. Een gehandicapte mens kan via het reguliere onderwijs met andere deelnemen aan de geschiedenis van onze samenleving. En dit mede ten bate van de niet-gehandicapte mens. Daarom zullen christelijke scholen (w.o. ook vrijgemaakte en reformatorische scholen) het voortouw moeten nemen bij de integratie van gehandicapte kinderen in het regulier onderwijs.
De gehandicapte mens heeft net als een ander recht op toegang tot de reguliere arbeidsmarkt. In het bedrijfsleven zullen de arbeids- en produktieverhoudingen zodanig moeten zijn dat het de normaalste zaak is dat gehandicapten kunnen worden ingezet. Ook de gehandicapte mens heeft er recht op dat hij mag zien op het werk van zijn handen. Hoe weinig marktwaarde dit product ook moge hebben.
Daarom zullen christelijk werkgevers het voortouw moeten nemen in de integratie van gehandicapte mensen in het regulier arbeidsproces.
De gehandicapte mensen hebben recht op zelfstandig wonen opdat hij zo zijn eigen wereld kan scheppen, een wereld die aangepast is aan zijn aard.
Daarom zullen christelijke partijen zich moeten beijveren om een woonpolitiek te realiseren waardoor gehandicapte mensen via het wonen in de buurt kunnen worden geïntegreerd.
Natuurlijk gaat het bij de zorg over meer zaken dan de bovengenoemde rechten. Maar in onze samenleving zijn deze rechten wel bepalend voor de mate waarin in onze samenleving de gehandicapte mens op zijn plaats kan komen.
Zo denk ik toch ook aan het recht van de gehandicapte mens op de beleving van zijn sexualiteit. Ik ga daar niet verder op in. Maar ik wil U wel met een vraag confronteren. Deze vraag namelijk of wij bereid zijn te accepteren dat verstandelijk gehandicapte mensen met elkaar trouwen en dan kinderen krijgen?
De uitdaging van de zorgvraag
Ik heb in het bovenstaande gezegd dat de gehandicapte mens net als een ander recht heeft op leven. In de praktijk van de zorgverlening bedoelen wij hier mede dat de gehandicapte mens hetzelfde recht heeft op behandeling en verzorging als een ander. Of anders geformuleerd wil dit zeggen dat de handicap als zodanig nimmer het enige criterium mag zijn om behandeling en verzorging niet te doen plaats vinden. Hier raken we met betrekking tot de zorg aan fundamentele vragen.
Ik voor mij zie in het brandpunt van de zorgverlening de liefde van de Schepper voor Zijn Schepping. Zijn bewogenheid met ons waardoor Hij, toen wij ons zelf in nood brachten, zich zelf heeft geschonken in Zijn Zoon.
In de wereld van de zorg wordt men voortdurend bepaald bij de grenzen van de zorg. Onze werkelijkheid bestaat omdat er natuurwetten zijn. Niettegenstaande pretenties van sommige geleerden dat we binnenkort het geheim van het zijn zullen hebben opgelost, blijft de natuur toch altijd een mysterie. Wij geloven dat God de wereld door Zijn natuurwetten in stand houdt. Hij die spreekt over de schepping, spreekt over de natuurwetten.
Nu is het in deze kosmische orde zodanig dat de mens wel in sommige gevallen de natuurwetten kan bruskeren maar dat daarvoor altijd de prijs moet worden betaald.
Ook de mens is een produkt van de natuur. Weliswaar dicht de dichter van psalm 139 dat de mens door God in de moederschoot wordt geweven, maar dat neemt niet weg dat dezelfde God Zijn biologische en genetische wetten heeft gesteld. Een handicap dat de mens bij zijn geboorte meekrijgt is een voluit natuurlijk verschijnsel dat vanuit een natuurlijke constellatie kan worden bezien.
De principiële vraag is nu in hoeverre wij met onze wetenschap van de natuur en met onze technologie zomaar de werking van de natuur mogen onderbreken.
Nu kan men stellen dat de cultuur d.i. ons technisch kennen en kunnen altijd moet prevaleren boven de natuur, maar de vraag daarbij blijft of de prijs hiervoor niet soms te hoog is. Het is toch niet zo dat alles dat technisch mogelijk is ook moet worden gedaan?
Ik wil dit concretiseren met dat jongetje dat het zgn. Lesch-Nyhlansyndroom heeft. Hoe men het wendt of keert zo'n jongetje gaat een moeilijk leven tegemoet en niet alleen hij, maar ook zijn familie. Hij eet zichzelf letterlijk op.
Ik denk dat wij in dit verband mogen zien naar die God die naar Zijn aard liefde is en barmhartig en daarom een speciale band wil hebben met de gehandicapte mens. Zouden we niet in deze de weg van barmhartigheid gaan indien wij dit kind tot het echte leven zouden laten gaan? Juist omdat onze God een God van leven is.
Het gaat mij te ver om hierover uit te wijden.
Ik wil nog wel een enkele opmerking maken.
Indien wij niet bereid zijn om de mens, die zorg nodig heeft, bij te staan, verliezen wij het recht om tegenstander van abortus en euthanasie te zijn.
Indien wij menen dat het alleen maar nodig is om onze zorgvragende medemens aan professionele zorg uit te besteden, hebben wij nog steeds niets begrepen van de uitdaging die verbonden is met het feit van de gehandicapte mens.
Tot slot
Laat ik mijn 'verhaal' beëindigen en toch nog een opmerking maken over de gehandicapte mens aan het begin van zijn leven. Het is een soort geloofsbelijdenis waardoor voor mij elke zorgverlening zin krijgt. Ik doe dat aan de hand van een vers dat wij allen kennen.
"Daarboven juicht een grote schaar van kinderen voor Gods troon.
Verlost van zonden en gevaar Ter eer van Vaders Zoon."
In het midden van die schaar staan de gehandicapte mensenkinderen die vanwege de heerschappij van de natuur in onze cultuur geen toekomst hebben. Daar staan, zij aan zij, kinderen van het verbond en kinderen die nimmer van Jezus hebben gehoord omdat zij daartoe niet toegerust waren.
In de zorgverlening die weet heeft van de liefde van God laten wij die kinderen gaan juist omdat wij voor hen wilden zorgen.
Ik geloof in een grote juichende schaar van kinderen voor Gods troon.
Daar mogen ze bij staan, niet omdat hun ouders gelovig waren, maar omdat onze God in Zijn barmhartigheid Zijn zorg tot alle gehandicapte mensenkinderen uitstrekt.
En dat geeft aan elke zorgverlening zijn zin.