Stil maar, wacht maar

1996-07-26
  • Jaargang 40
  • nummer 15
In preken en meditaties wordt – op voetspoor van professor Greijdanus? – nogal eens de nadruk gelegd op de tegenwoordigheid van dat neerdalen van het Nieuw Jeruzalem. De vermaning ligt dan voor de hand: is het Nieuwe Jeruzalem herkenbaar in ons kerkwerk? Ik ben bang dat we op deze manier de troost van deze heerlijke belofte laten schuilgaan achter de opdracht.

De troost
Ons kerkewerk vertoont nu eenmaal geen opwekkend beeld. Wat wordt er geleden aan de kerk. Hoeveel kerkewerkers doen hun werk zuchtend. Het moest niet zo zijn, maar ... Soms kunnen ze er niet meer tegen op. Hoe vertroostend is het dan dat de Heer op zijn grote dag het Nieuwe Jeruzalem laat neerdalen uit de hemel. De nieuwe stad ontstaat niet doordat wij die zo machtig opbouwen, steen voor steen, van beneden naar boven. Maar omdat de Here hem uit de hemel laat neerdalen op zijn grote dag. Ik meen dat én in Openb. 3,12, maar vooral in Openb. 21,2 gesproken wordt over wat Hij, die op de troon gezeten is, zal doen op de jongste dag. De boeken worden dan geopend. De doden worden geoordeeld.
De zee en het dodenrijk geven hun doden weer. De dood en het dodenrijk worden geworpen in de poel van vuur en sulfer. En de donderende stem van de Almachtige klinkt van de troon: Zie Ik maak alle dingen nieuw. Dan is het zover. Dan daalt het nieuwe Jeruzalem neer van God, als een bruid die voor haar man versierd is. Lieve mensen, wat zal dat een opluchting zijn.

Wat er niet meer zijn zal
Openbaring vertelt wat er straks niet meer zijn zal: er zal geen dood, geen rouw, geen geklaag meer zijn. Geen tranen meer en geen moeite en geen boze mensen. Dat wil ook zeggen dat er geen synodes meer zullen zijn, geen moeitevolle kerkeraadsvergaderingen, geen pijnlijke kerkelijke besluiten en vonnissen. Er zullen bij het avondmaal van de bruiloft van het Lam geen bordjes meer staan: Verboden toegang voor leden van een andere denominatie. Er zullen geen kerkelijke grenzen meer zijn. De éne internationale Gemeente van Christus zal een stralende, lelieblanke en eeuwig jonge bruid zijn (Ef. 5,27). Lieve mensen, wat zal dat een feest zijn.

De velen vormen de éne
Eén van onze kleindochters (6 jaar) vroeg aan haar moeder: "Als wij dan allemaal de bruid van Christus zijn, zitten we dan straks in één bruidsjurk?" Ze vond dat kennelijk een beklemmend idee. Haar moeder antwoordde zoiets als: "Ja, lieverd en hij zal zo goed passen!" Zo is het: onze bruidsjurk zal gevormd worden door de éne naam die op aller lippen zal zijn: Jezus Christus en door de éne liefde Gods die in aller hart zal zijn uitgestort. Het frappeert me dat erbij gezegd wordt dat die éne bruid heel polyform zal zijn. Want God zal hun God zijn en zij zullen zijn volken zijn (meervoud). De uitdrukking 'Gods volk', die gereserveerd was voor Israël, wordt probleemloos gebruikt voor alle volken: Gods volk Guatemala, Gods volk Ruanda, Gods volk China. En in die grote veelvormigheid overheerst de eenheid van de éne bruidsjurk. Op internationale congressen van christenen beleef ik het al een beetje. Fantastisch is dat: allen vervuld van die éne Naam.

De juichende God
Deze belofte geeft me moed ons kerkwerk voort te zetten. Onze moeitevolle arbeid heeft zin. Johannes heeft de nieuwe stad al gezien: Ik zag een stad verblindend naderkomen, een middelpunt van feest, Jeruzalem zoals het in Gods dromen, vanouds moet zijn geweest (Gez. 114). In Jes. 65 zegt de HERE: Ik zal juichen over Jeruzalem en mij verblijden over mijn volk. Ooit van een juichende God gehoord? Ooit van Hem gedroomd? Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief