Hoe lezen wij de Schrift? (1)

1996-07-26
  • Jaargang 40
  • nummer 15
In een vorig artikel met betrekking tot het verstaan van de Schrift 1 heb ik tegenover de moderne ‘hermeneutische’ theologie verdedigd dat het verstaan van de Schrift niet problematisch is. Daarmee heb ik niet bedoeld dat de Schrift steeds gemakkelijk te begrijpen is, maar dat wij de wil van God kunnen leren kennen uit de Schrift, ook al is deze geschreven in een heel andere tijd en cultuur dan die waarin wij leven. Om die reden is het naar mijn mening onjuist, in verband met het begrijpen van de normen der Schrift - bijvoorbeeld op het stuk van de verhouding tussen man en vrouw – te spreken van een ‘hermeneutisch probleem’, dat zou vragen om een nieuw verstaan van de Schrift in het licht van de wijze waarop wij de werkelijkheid vandaag de dag beleven. In plaats daarvan komt het erop aan, onze werkelijkheidsbeleving te laten corrigeren door de Schrift.

Het was nodig om dit zo nadrukkelijk aan de orde te stellen, omdat onder invloed van nieuwe theologische inzichten ook in onze kerken de gedachte lijkt post te vatten, dat de Bijbel ons vandaag de dag alleen nog iets te zeggen kan hebben, als we haar op een nieuwe, aan onze eigen belevingswereld aangepaste wijze lezen. Het nieuwe zit 'm dan bijvoorbeeld hierin, dat de historische werkelijkheid achter de tekst als onbelangrijk ter zijde geschoven wordt of dat bepaalde Bijbelse normen, waarden en leefregels alleen nog als gezaghebbend worden erkend voorzover ze in onze ogen moreel aanvaardbaar zijn.
Met name in het laatste schuilt een groot gevaar, omdat wij daardoor dreigen te vervreemden van het leven bij het licht van de Schrift, het geschreven Woord van God.

Actualiteit
Het is niet moeilijk, deze stand van zaken in de praktijk van ons kerkelijk leven te herkennen. Zeer actueel is in dit verband de vraag naar de verhouding tussen mannen en vrouwen, zowel in het huwelijk als in de kerkelijke gemeente. Zegt het ons vandaag nog iets, dat de man in de Bijbel het 'hoofd' heet van zijn vrouw (Ef. 5:23)? Trekken we ons er nog iets van aan, dat vrouwen volgens de Bijbel geen kerkelijk gezag mogen uitoefenen over mannen (1 Tim. 2:12)? Of leggen we deze teksten ter zijde omdat we er niets meer mee kunnen beginnen? Maar als we de verhouding tussen man en vrouw niet (meer) willen hebben zoals zij in de Bijbelse tijd was, waarom houden we dan op andere punten wèl aan Bijbelse normen vast? Waarom wijzen we dan - bijvoorbeeld - het ongehuwd samenwonen af, hoewel dat in onze samenleving allang niet meer als immoreel wordt ervaren? En als we aan sommige Bijbelse leefregels wèl, maar aan andere niet (meer) willen vasthouden, wat wil het dan nog zeggen dat Gods Woord ons de richting wijst, als "een lamp voor onze voet en een licht op ons pad" (Ps. 119:1 05)?
Het is duidelijk, dat we dit soort vragen niet kunnen ontlopen door ze eenvoudigweg te negeren, bijvoorbeeld door tegen beter weten in te blijven volhouden dat we alle Bijbelse geboden en verboden onverkort moeten gehoorzamen.
Lang niet alle normen en leefregels in de Bijbel zijn maatgevend voor de wijze waarop wij de wereld om ons heen dienen te beoordelen en voor de manier waarop wij vandaag de dag met elkaar dienen om te gaan. Anderzijds kunnen we ons er ook niet van afmaken door te stellen dat de Bijbelse geboden en verboden bepaald zijn door de tijd, cultuur en omstandigheden waarin zij zijn gegeven. Want als we het daarbij laten, verliest de Schrift haar zeggingskracht. Er komt dan vroeg of laat een moment waarop de Schrift ons helemaal niets meer te zeggen heeft, althans niets meer dan wat wij haar laten zeggen willen.

Bijdrage tot bezinning
In dit artikel wil ik een bijdrage leveren aan de bezinning over de vraag, hoe wij de Schrift kunnen lezen als het gezaghebbende Woord van God, zonder tekort te doen aan haar historisch karakter. Daarmee hoop ik tevens een antwoord te geven op de indringende vragen die ds. Mudde mij in reactie op mijn vorige artikel heeft gesteld2 en die ik als volgt meen te mogen samenvatten Welke ruimte hebben wij in Christus om ons anders te gedragen en onze onderlinge verhoudingen anders in te richten dan in de Schrift is voorgeschreven? Ik zal mij hier beperken tot de vraag, welke betekenis Bijbelse normen en leefregels kunnen hebben voor de praktijk van ons (persoonlijke en kerkelijke) leven. Het gaat mij dus, met andere woorden, om de normatieve dimensie van de Schrift. Het lezen en verstaan van de Schrift kan ook nog tot andere vragen leiden, bijvoorbeeld hoe we moeten omgaan met allerlei geschiedenissen en voorstellingen in de Bijbel en met het wereldbeeld waar de Bijbelschrijvers kennelijk van uitgegaan zijn. Dergelijke vragen, die de feitelijke dimensie van de Schrift betreffen, zijn zeker niet onbelangrijk, met name niet als zij betrekking hebben op centrale heilsfeiten zoals de zondeval, het verbond van de HERE met Israël, de opstanding van Christus en het eeuwige oordeel. Maar in deze bijdrage zal ik mij beperken tot de vraag: Hoe kan de Bijbel ons inzicht verschaffen in Gods wil voor ons leven?

Rechtstreeks beroep op de Bijbel
Het is in de reformatorische kerken (en in de evangelische beweging) reeds lang een gewoonte, de vraag naar Gods wil te beantwoorden met een rechtstreeks beroep op de Bijbel. Gods wil voor ons leven wordt dan gelijkgesteld met de normen en leefregels die we in de Bijbel tegenkomen: "Het stáát er toch?" Het kost weinig moeite om allerlei morele normen en waarde-oordelen die in onze kerken gemeengoed zijn tot een Bijbelse bron te herleiden.
Denk bijvoorbeeld aan normen als trouw kerkbezoek, christelijk onderwijs, evangelisatie en gezagsgetrouwheid en aan de vrij algemene veroordeling van verschijnselen als abortus, euthanasie, losbandigheid en nihilistisch hedonisme (gewoon doen wat je lekker vindt). Wie naar de grond voor der gelijke normen en waarde-oordelen vraagt, zal in onze kerken vrijwel onmiddellijk worden verwezen naar één of meer Bijbelteksten.

Eerbied voor Gods Woord
Nu is dit op zichzelf heel goed te begrijpen en in zeker opzicht ook te waarderen. De grote nadruk die in de reformatorische en evangelische kringen op de Bijbel wordt gelegd, kan waarschijnlijk historisch worden verklaard uit een reactie van de reformatoren op de geringe positie die de Bijbel innam in de middeleeuwse kerk. In de middeleeuwse kerk dreigde de betekenis van de Schrift voor het christelijke leven langzamerhand onder de druk van de 'traditie' en het kerkelijk gezag te bezwijken. Daar tegenover stelden reformatoren als Calvijnen de gereformeerden in hun voetspoor - het 'Sola Scriptura': alleen de Schrift. Van daaruit is het nog maar een kleine stap om de Bijbel te zien als de enige bron waaruit wij Gods wil kunnen leren kennen. Daarin ligt ook een zekere zelfbescherming besloten tegen het gevaar, dat we door een gebrek aan objectieve normen in een moeras belanden van eindeloze discussies waarin iedereen uiteindelijk zijn eigen gelijk naar zich toehaalt. Dat gevaar was na de reformatie zeker aanwezig (aangezien het gezag van 'Rome' niet meer als doorslaggevend werd erkend) en is in onze tijd buitengewoon actueel geworden. Het verklaart de opkomst van het christelijk fundamentalisme aan het begin van deze eeuw.
Maar belangrijker nog dan deze historische verklaring is, dat het rechtstreekse beroep op de Bijbel niet zeIden voortkomt uit oprechte liefde voor de Auteur van de Schrift. Het is onder de mensen al zo, dat een leerling met een grote bewondering voor zijn leermeester geneigd is, diens woorden te spellen en te koesteren. Hoeveel te meer in de verhouding tussen gelovigen en hun hemelse Heer? De Psalmdichter zong erover in Psalm 119. Het is de liefde voor onze Heer, die ons eerbiedig maakt voor zijn woorden en voor de woorden die namens Hem door zijn apostelen en profeten gesproken zijn. Het zijn heilige woorden, die ons God doen kennen en die wij daarom slechts tot grote schade voor onze ziel aan ons voorbij kunnen laten gaan. Het is dan ook niet zonder schroom, dat ik in dit blad nog eens uiteen wil zetten, waarom het rechtstreekse beroep op de Bijbel niet de juiste manier is om Gods wil te leren kennen. Het is zeker niet om iets af te doen aan de eerbied voor Gods Woord. Integendeel, het is juist om Gods Woord weer te laten klinken, dat het noodzakelijk is om duidelijk voor ogen te krijgen hoe we de Schrift moeten lezen en hoe we daaruit kunnen leren, hoe we naar Gods bedoeling kunnen leven. Want hoe oprecht de liefde voor God en zijn Woord ook mag zijn, het rechtstreekse beroep op de Bijbel leidt er in de praktijk - ook in onze kerken - niet zelden toe, dat we de Bijbel slechts laten bevestigen wat we graag bevestigd zouden willen zien. En daarmee wordt Gods Woord in wezen tot zwijgen gebracht.

Bezwaren
Er zijn verschillende redenen, waarom we Gods wil voor ons leven niet rechtstreeks uit de Bijbel kunnen halen.

1. De Bijbel is geen wetboek. Dat wil zeggen: zij is ons niet gegeven om ons voor te schrijven hoe we moeten leven. Het doel van de Schrift is, ons bekend te maken met God en met zijn heil: "opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naam" (Joh. 20:31). Zeker, er staan in de Bijbel - naast veel andere dingenook geboden, verboden, voorschriften en vermaningen. Maar die vormen niet het wezen van de Bijbelse boodschap.
Wie de Schrift leest als een bron van regels en voorschriften, gaat voorbij aan de eigenlijke inhoud van Gods Woord, dat is de boodschap van Gods liefde en heil.

2. De Bijbel is niet rechtstreeks tot ons gericht. Dit geldt met name voor de regels en voorschriften die we in de Bijbel tegenkomen. De wet van Mozes was gericht tot de Israëlieten. De profeten richtten zich nog concreter tot de mensen in hun onmiddellijke omgeving. Hetzelfde geldt voor Jezus en de apostelen. We doen de Bijbel dan ook geen recht, als we de Bijbelse geboden en verboden rechtstreeks op onszelf van toepassing verklaren. Dat we de Bijbel niet op die manier mogen lezen, blijkt ook uit de manier waarop Jezus en de apostelen met het Oude Testament omgaan. Zie bijvoorbeeld Matth. 5:21-47, Matth. 19:3-9, Marcus 2:23-3:6 en Hand. 14:1-29. Daaruit blijkt een grote vrijmoedigheid om af te wijken van de letter van het gebod, zonder dat daarmee ook maar iets wordt afgedaan aan het gezag van de toenmalige Schrift (zie bijv. Matth. 5:17-20 en 2 Tim. 3:16-17). De reden daarvan is niet, dat de oud-testamentische geboden en verboden niet meer van belang zouden zijn - dat wordt op diverse plaatsen uitdrukkelijk weersproken -, maar dat zij nu eenmaal tot andere mensen gericht waren en dat er redenen kunnen zijn om in een nieuwe tijd nieuwe regels te stellen.
Dat de Bijbel niet rechtstreeks tot ons gericht is, betekent overigens niet, dat de Bijbel niet meer zou zijn dan een historisch geschrift. De Bijbel is zeker ook voor ons bedoeld en we mogen haar zeker ook lezen als Gods heilsboodschap aan ons. Met betrekking tot de Bijbelse geboden en verboden zuIlen we echter telkens in aanmerking moeten nemen, dat zij niet rechtstreeks tot ons gericht zijn dat zij ons daarom slechts indirect iets kunnen openbaren over Gods wil voor ons leven.

3. De Bijbel is niet eenduidig. Zij vormt ten aanzien van morele regels en voorschriften geen samenhangend geheel en is bij tijden zelfs innerlijk tegenstrijdig. De Bijbelse leefregels zijn steeds betrokken op een concreet praktisch probleem of op een concrete misstand. Dat leidt er niet zelden toe, dat de gegeven regels een zekere spanning vertonen ten opzichte van andere regels in de Bijbel. Het vergt dan vaak een gekunstelde redenering om de regels op één lijn te krijgen. Bijbelse geboden en verboden spreken elkaar soms zelfs zonder meer tegen. Zij zijn dan zelfs met de beste wil van de wereld niet met elkaar in overeenstemming te brengen, terwijl de Bijbel ook geen antwoord geeft op de vraag wanneer de ene regel, en wanneer de andere van toepassing is. Wat bijvoorbeeld te denken van de uitdrukkelijke opdracht tot etnische zuivering en genocide in de wet van Mozes (Num. 33:50-53, Deut. 20:16-18)7 Wie die opdracht in overeenstemming weet te brengen met het gebod van de liefde, mag het zeggen. De oplossing in dergelijke situaties is meestal, dat één van beide regels niet meer van toepassing verklaard wordt. Het zal echter duidelijk zijn, dat het rechtstreekse beroep op de Bijbel ('Het stáát er toch?') daarmee iets onwaarachtigs krijgt.

4. De Bijbel draagt wezenlijk een historisch karakter. Daarmee bedoel ik niet, dat de Bijbelse normen afgedaan zouden hebben. Nee, dat de Bijbel historisch is wil zeggen, dat zij de neerslag is van de concrete omgang van God met zijn volk in de geschiedenis. Deze omgang wordt gekenmerkt door communicatie, en die communicatie heeft zich in de geschiedenis voltrokken.

God heeft zich aan zijn volk geopenbaard, en dat volk heeft daarop gereageerd door Gods openbaring alsook de reactie van de gelovigen daarop (bijvoorbeeld in de Psalmen) in menselijke taal door te geven en op te schrijven.
Dit wezenlijk historische karakter van de Schrift moet bij het lezen en toepassen van de Schrift telkens in het oog gehouden worden. Het heeft onder meer tot gevolg, dat we de normen en leefregels die we in de Bijbel aantreffen nooit kunnen losmaken van de concrete situatie waarin zij gegeven zijn en slechts binnen die context kunnen begrijpen. De geboden en verboden in de Bijbel kunnen dan ook geen van alle worden verabsoluteerd in die zin, dat zij voor alle plaatsen en tijden zouden gelden. Aangezien elke Bijbelse norm of leefregel steeds inhoudelijk betrokken is op de historische situatie waarin zij gegeven is, kan zij niet zonder meer op onze situatie worden toegepast. De Bijbelse normen en leefregels zijn een uitdrukking van Gods wil in de situatie waarin zij gegeven zijn, en dat is een andere dan die waarin wij leven. Daarom geldt geen enkel gebod of verbod in de Bijbel in onze tijd op precies dezelfde manier als in de tijd waarin de Bijbel geschreven is. Het merkwaardige is, dat we vanuit onze traditie geneigd zijn om ons tegen deze gedachte te verzetten, maar ons tegelijk wel degelijk van de juistheid ervan bewust zijn. We passen het sabbatsgebod zonder mankeren op de zondag toe, hoewel we heel goed weten, dat de sabbat eigenlijk de zaterdag was. En er zal onder ons ook wel niemand zijn, die op overspel de doodstraf zou willen stellen. Zelfs nieuw-testamentische vermaningen zoals het gebod aan vrouwen om hun man 'onderdanig' te zijn, worden vandaag de dag niet meer toegepast zoals zij destijds zijn bedoeld. Kortom, we weten heel goed dat de Bijbelse geboden en verboden in onze tijd niet op precies dezelfde wijze gelden als vroeger. We trekken er alleen nog niet steeds de juiste conclusie uit.

Hoe dan wel?
Dit alles leidt ons onvermijdelijk tot de slotsom, dat we de vraag naar Gods wil voor ons leven niet kunnen beantwoorden met een rechtstreeks beroep op de Bijbel. Dat betekent niet, dat de Bijbelse normen en leefregels in onze tijd niet meer van belang zouden zijn. De nadruk ligt hier op het woord rechtstreeks. We kunnen Gods wil voor ons leven niet rechtstreeks uit de Bijbel halen. Maar dat neemt niet weg, dat God zijn wil wel degelijk in de Schrift openbaart. In het volgende nummer hoop ik in te gaan op de vraag, hoe wij Gods wil kunnen leren kennen en welke rol de Bijbelse normen en leefregels daarbij spelen.

Noten:
1 'Verstaat gij wat gij leest?', Opbouw, 3e jaargang (1995) nr. 11, pp. 206-207.

2 J.M. Mudde, 'Verwetenschappelijking van het geloop', Opbouw, 3gejaargang (1995) nr. 12, pp. 224-226.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief