lets over K. Schilder (2)

1996-07-26
  • Jaargang 40
  • nummer 15
Vandaag het tweede en laatste deel van mijn verhaal over K. Schilder, zoals ik dat op 30 november 1995 gehouden heb voor het SOW –toerustingswerk in Baarn.

Omgang met de Schrift
't Is onmogelijk, vind ik, om van wat Schilder schreef en preekte een samenvatting of zo te geven, want bij hem zit altijd alles heel sterk in elkaar, echt met elkaar verbonden. Hooguit kan ik een enkel voorbeeld noemen van thema plus verdeling van een aantal preken. Uiteraard zijn er die heel klassiek zijn, met een verdeling als: verleden, heden, toekomst of: de tijd, de wijze, de vrucht en dergelijke. Wat ikzelf een heel mooie vind, is het thema en verdeling bij een preek over Mattheüs 2. In eerste instantie klinkt het misschien gezocht, maar ik geloof dat Schilder hier echt heel goed de verkondiging van dit gedeelte eruit haalt.
Zijn thema is: de wijzen van het Oosten en het Woord van God. En de verdeling luidt: Ze zijn
1. gelokt door het Woord Gods in de natuur.
2. geleid door het Woord Gods in de Schrift.
3. geknield voor het Woord Gods in het vlees.

Waar ik af en toe Schilder flitsend vind, is in zijn korte Schriftoverdenkingen. Daarin kan hij heel associatief bezig zijn, soms heel gezocht, maar vaak kom je zo terecht bij een bepaalde lijn in de Bijbel. Meestal laat Schilder dan zien dat hoe verder de openbaring gaat, hoe rijker die wordt. Zo vergelijkt hij bijvoorbeeld, en in zulke dingen was hij echt origineel, Golgotha met de Sinaï, met Hor, waar Aäron stierf, met Nebo, waar Mozes stierf, met Moria, waar David na de volkstelling offert, met de herbouwde poorten van Jericho. En in een bijbels dagboek heeft hij voor schrikkeldag een overdenking over dat thema: schrikkeldag. Laat ik het slot daarvan mogen lezen, de toepassing. Deze bijzondere dag, die maar eens in de vier jaar belegd wordt, bewijst ons, dat onze kennis van de natuur stukwerk is; dat het daarom dwaas is, tegen God een hoog woord te voeren. Indien de natuur reeds ons raadselen opgeeft, dan is het raadsel in de wereld van Gods recht en genade een niet te ontkomen ding; ook de schrikkeldag predikt de schrik des Heeren. Vaak gaat Schilder in op de actualiteit.
Bijvoorbeeld in het kerstnummer van De Reformatie van 1932: Men zegt ons, dat in Rusland de strijd tegen het Kerstfeest dit jaar verscherpt wordt. En dat de wapens in de strijd al giftiger worden. Per radio zal men tegen kerstboodschappen inkrijsen, kerstbomen zullen worden verboden, op het feest moet worden doorgewerkt, en wie niet werken wil krijgt straf; de vrije uiting wordt allen bedevaartszielen in dat land van de dwang ontzegd. Wat hier van waar is, weten wij niet; maar het zal wél erg zijn.
Gaat het hier alom den antichrist? Den antichrist? Om diens voorbereiding zeker. Maar om hemzelf niet. Is die geest daar in Rusland degene, die komen zou? Of verwachten wij een ander? Wij verwachten een ander. Want de strijd is nog lang niet scherp genoeg ... En om nog een voorbeeld te geven van de aktuele, niet tijdloze manier van preken van Schilder. In de eerste dienst na de vrijmaking waarin hij voorging, had de preek als thema: de apostolische afwijzing van bovenschriftuurlijke bindingen en vonnissen, naar aanleiding van I Kor. 4,6: gaat niet uit boven hetgeen geschreven staat.
Dat is het sterke punt van Schilder geweest, zijn manier van omgaan met de Schrift. Zeker voor zijn tijd was hij daarin heel vernieuwend bezig. Hij ging, vanuit de Bijbel, in tegen alle valse gerustheid. Hij heeft heel wat kritiek gehad op bijvoorbeeld de hervormde kerk en de christelijke gereformeerden, maar zijn eigen kerk, tot aan 1944 de gereformeerde, spaarde hij ook zeker niet. Hij preekte en schreef actueel; eigenlijk moet ik het anders zeggen: hij liet de actualiteit van de Bijbel zien. Een uitdaging, vind ik, voor ons, voor mij.

De eeuwige raad van God
Tegelijk, ik noemde het al, was hij zeg maar zo 'massief'. Alles werd met de meest indringende ernst gezegd. En waarmee ik vooral moeite heb, is de manier van redeneren vanuit de Bijbel en dat zelfs gelijk stellen zo'n beetje met de Bijbel. Luister maar: Wat wij uit de openbaring langs de logische weg afleiden, is toch werkelijk kennis van wèrkelijke geheimenissen Gods. Ik vind dat een heel gevaarlijke uitspraak en in feite ook tegenstrijdig met dat thema van zijn eerste vrijgemaakte preek.
En zeker hoef je je verstand bij geloven niet op te bergen, maar het lijkt bij Schilder wel eens alsof onze logica een enorme inbreng heeft en dat gaat mij veel te ver. Het is van daaruit, vanuit het consequent, logisch doorredeneneren, dat Schilder komt tot gedachten dat er in God geen verandering is. Wil God voor hem werkelijk God blijven, dan betekent dat dat al zijn gevoelens niet voortkomen uit reaktie op mensen, maar uit zichzelf. En zo kan hij tot mijns inziens vreselijke uitspraken komen over de predestinatie, de uitverkiezing. Naar aanleiding van Jezus' woord tot Petrus: Simon, Simon, zie, de satan heeft jullie zeer begeerd om te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor je gebeden, dat je geloof niet bezwijkt, schrijft Schilder: Jezus mócht en kon nu niet voor Judas bidden. Hij mocht en kon niet, vanwege Judas' apert verloren zijn.
Werkelijk alles wordt op de eeuwige raad van God teruggevoerd, zonder overigens dat de menselijke verantwoordelijkheid wegvalt. Maar het is alsof Schilder doodsbang is, dat God wat naar ons omlaag wordt getrokken.
Hij schrijft dan ook rustig dat er geen enkele deugd is in God die boven een andere uitgaat. En hij stelt eenvoudig liefde naast haat. Johannes schrijft: God is liefde. En zeker, we weten allemaal dat er heel wat dingen in de Bijbel staan waarmee we het moeilijk kunnen hebben, allerlei zaken die de Bijbel aan God toeschrijft, waarbij wij vragen hebben. Denk alleen maar aan de inname van Kanaän. Schilder gaat zover om te schrijven - en dat is misschien wel het meest vreselijke woord dat ik van hem ken -: Hij schaamt zich niet de grote Hater genoemd te worden. Het is voor Schilder blijkbaar onmogelijk om aan te nemen dat God, ook innerlijk, op ons doen en laten reageert. Ik heb zostraks al gezegd dat wij, in tegenstelling tot Schilder, geneigd zijn tot een zekere mildheid. En laat dat wellicht niet altijd juist zijn, ik kan en ik wil er niet onderuit dat de Bijbel God vooral schildert als de Barmhartige, de zeer-met-ons-Bewogene. Als ik dat toch zou moeten kwijtraken ...
Schilder denkt konsekwent en voert alles terug op de eeuwigheid. Allerlei teksten legt hij zo uit, dat hij terechtkomt vóór de schepping en daar trekt hij dan weer bepaalde consequenties uit. Wanneer hij het heeft over de toorn van God, een bijbels thema, dan zie je dat hij vooral benadrukt dat de toorn eigen objecten schept en daarin vrij is en dat de toorn van eeuwigheid is. Want zou dat niet zo zijn, dan zou God op ons van binnen reageren en daarmee min of meer God-af zijn.
Woorden over het berouw van God, noemt Schilder dan ook antropomorf, aangepast spreken van de Bijbel, aangepast namelijk aan ons bevattingsvermogen of onze voorstelling.

Kerk en norm
Een van de dingen die kenmerkend zijn voor Schilder, is dat alle nadruk op de norm ligt. Niet pas in de tijd rond de vrijmaking, maar al ver daarvóór was hij druk bezig met over de kerk te schrijven. En ook daarin gaat hij steeds weer uit van de norm, van de openbaring. Hij wilde niet blijven staan bij de kerk die we ervaren, de verschillende kerken, maar ook de kerk moet je beschouwen als een geloofsstuk. Hij heeft eens een artikel geschreven onder de titel: de elf artikelen des geloofs.
Hij bedoelde daarmee: bij alles wat we in de apostolische geloofsbelijdenis belijden, dat halen we uit de Bijbel, maar gaat het over de kerk, dan blijft die zo ongeveer dicht en gaan we van de werkelijkheid uit, van onze ervaring, dat er allerlei verschillende kerken zijn. Ook bij alles wat ik van hem over de kerk heb gelezen, heb ik weer die dubbelheid.
Aan de ene kant bewondering ervoor dat hij het aandurfde om dwars tegen de gangbare overtuiging in zo hooggestemd, zo normatief te spreken, zo eerlijk ook; en tegelijk aan de andere kant: dit is niet reëel in deze tijd. En ook: de manier waarop hij spreekt is mij ook hier te absoluut. Dus: ik ervaar het helemaal niet als slecht dat we elkaar erkennen als kerken, als christenen, over kerkmuren heen. Tegelijk: Schilder zet mij wel aan het denken, of wij niet te gemakkelijk genoegen nemen met de gescheurdheid.

Ruimte
Dat is het laatste waarover ik nog heel kort iets wil zeggen. Op het graf van Schilder staan, naar zijn eigen wil, de woorden uit Johannes 17, het gebed van Christus: opdat zij allen één zijn .. Ik kan me indenken dat dat vreemd bij u overkomt. Wie aan Schilder denkt, en wellicht aan vrijgemaakten, heeft al snel het beeld bij zich van scheurmakers, dwarsliggers en zo. En ik zal ook niet ontkennen dat Schilder met de manier waarop hij schreef vooral - hij heeft ook wel eens gezegd, dat als hij schreef, dat hij geen personen zag, maar dat het dan om zaken ging, om principes; een ongeoorloofde scheiding naar mijn mening -, ik zal niet ontkennen dat zijn wijze van schrijven veel kwaad bloed heeft gezet en dat heeft volgens mij mede ertoe bijgedragen dat Schilder uiteindelijk in 1944 werd geschorst en afgezet. Maar laat ik daarvan nog dit mogen zeggen.
Vanaf het allereerste begin toen de synode te spreken kwam over de verschillen die er over allerlei zaken bleken te zijn, heeft Schilder zich verzet dat er geen ruimte zou mogen zijn voor discussie, voor verschil van opvatting.
Hij pleitte dan ook voor afstel van behandeling van deze zaken en als men dat niet wilde, om het uit te stellen tot na de oorlog. Maar dat heeft men niet gewild. En het wonderlijke is, dat de gereformeerde kerken, die toen zo strak wilden binden, enorm ruim geworden zijn en dat de vrijgemaakte kerken de ruimte, die Schilder toch ergens wel had, dat zij die zo vaak lijken te missen. En de Nederlands gereformeerden, waarvan ik er één ben, voortgekomen uit de vrijmaking, ach, wat moet ik van hen zeggen?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief