Leven in Oezbekistan

1996-07-26
  • Jaargang 40
  • nummer 15
In de komende weken hoop ik een paar maal iets te schrijven over een recente reis die ik heb mogen maken naar Oezbekistan, een van de voormalige Sovjet-republieken in Centraal-Azië, die nu zelfstandig geworden is. Om dat verhaal nader in te leiden vermeld ik deze keer graag de lotgevallen van een man die voor wie ik al vele jaren een grote sympathie voel: dr. Joseph Wolff, een zendeling en predikant die leefde van 1795 tot 1862. Zelden heeft de Christelijke Kerk zo’n prachtig onaangepaste man als Joseph Wolff voortgebracht. (Hoewel bij nader inzien kan ik er toch wel een stelletje noemen!)

Wolff werd in het gezin van een Joodse rabbi geboren. AI jong bleken twee eigenschappen: het gemak waarmee hij mensen voor zich in kon nemen en zijn meer dan gewone eigenwijsheid! Dat laatste bleek misschien al, toen hij zeven jaar oud was en op de vraag 'wat wil je later worden?', antwoordde: 'Paus'! Dat was ongetwijfeld voor veel jongens een hoog gegrepen ambitie, maar voor iemand uit Joodse achtergrond was het wel ongewoon. AI is hij nooit Paus geworden, hij heeft deze wel ontmoet, in 1816, toen hij dus nog maar 21 was. Naar eigen zeggen, heeft hij deze zachtjes over het hoofd gestreeld en gezegd: "Ik hou van Uwe Heiligheid". (Voordat we dat verhaal betwijfelen moet vastgesteld worden dat hij meestal zéér waarheidsgetrouw was en dat een plotselinge intimiteit met een onbekend iemand voor hem helemaal niet zo ongewoon was.) Voordat dat gebeurde, had hij - nauwelijks 14 jaar oud - noodgedwongen het ouderlijk huis verlaten; men had hem min of meer verstoten. Hij leidde een zwerversleven dat hem op vele plaatsen bracht. In 1817 werd hij door de abt van een klooster bij Praag gedoopt en in dat alles in de Kerk van Rome opgenomen. Hij nam bovendien het besluit missionaris te worden en "voegde aan het Latijn, het Grieks en het Hebreeuws dat hij al kende een goede kennis van het Aramees, Syrisch, Chaldees en Perzisch toe; ook werd de theologie niet verwaarloosd". Zoals men uit dat korte relaas al kan opmerken, had hij grote aanleg voor talen. Toen vertrok hij naar Wenen, Zwitserland, Duitsland en Italië. Hij ontmoette een aantal voorlieden van de Romantiek, zoals Madame de Staël en Goethe, mensen met wie hij steeds in de kortste keren zeer bevriend raakte. Wolft had aanzienlijke charme, zoals gezegd. In 1816 werd hem een privé audiëntie bij de Paus vergund. Deze Pius VII zorgde dat hij in het Collegio Romano en het Collegio di Propaganda colleges kon volgen. Hij maakte zich in die kring echter onbemind, toen hij steeds zo astrant eigenwijs bleek. Een kritische gezindheid ten opzichte van het Pausdom en uitspraken in zijn (geopende) post deden hem de das om. Daarin schreef hij bij voorbeeld: "Ik zal naar het Oosten gaan en het Evangelie preken, maar ik zal altijd de vijand zijn van de Anti-
Christelijke Tyrannie van Rome." Kort na elkaar op één ochtend arriveerden kleermaker, schoenmaker en hoedemaker van het College, om een garderobe voor hem samen te stellen, die van een leek. De boodschap was duidelijk: hij kon opkrassen! Daarom vertrok hij weer naar Wenen en vandaar naar een klooster in Zwitserland. Daar bleek hij ongewenste invloed op de novieten te hebben; hij had hun namelijk geleerd hoe ze op vrijdagse bijeenkomsten waarop men zichzelf geselen moest onopgemerkt in het donker de zweep over hun leren onderbroek konden leggen in plaats van hun blote rug tot bloedens toe te slaan! "Overal raakte hij in problemen Hij verklaarde openlijk dat de Kerk er verkeerd aan deed ketters te verbranden. Toen de Rector hem erop wees dat achtendertig Pausen dat gedaan hadden, was zijn antwoord: 'Dan hebben achtendertig Pausen het bij het verkeerde eind gehad'." Toen tenslotte Wolft erop betrapt werd in de tenen van een paar monniken te bijten, die hij als boetedoening had moeten kussen, achtte de Rector de tijd gekomen hem te melden dat hij qua temperament niet geschikt was voor het kloosterleven. Dus ging Wolft naar Engeland, waar hij gastvrij ontvangen werd. Na korte tijd met de gedachte te hebben gespeeld om Baptist, Quaker of Methodist te worden sloot hij zich aan bij de Kerk van Engeland. Onmiddellijk werd door 'Het Londens Genootschap voor Verbreiding van het Christelijk Geloof onder Joden' geld ter beschikking gesteld om hem naar Cambridge te laten gaan, waar hij twee jaar lang veertien uur per dag wijdde aan de studie van Oosterse talen en theologie.
Hij was zesentwintig en klaar om zijn eerste zendingsreis te ondernemen.

Op reis in het Oosten
Waar hij ging, overal maakte hij zich vrienden - en vijanden. "Hij ging discussies aan met Christenen en Joden, Hindoes en Mohammedanen, met Katholieken en Protestanten, met Soennieten en Shiieten. Hij ging disputen aan over bijna elk onderwerp: de Paus, het komende Vrederijk, Mohammed, de Tien Verdwenen Stammen, de Wederkomst, het Einde van de Wereld en wat er zou gebeuren met de vissen, als de zee niet meer zou zijn. (Daarop zei hij: 'Dan mag u ze gaan zouten!') Hij discussieerde onderhoudend, onvermoeibaar en zonder enige aandacht aan de Bukhara eventuele consequenties te schenken." Net als bij de apostel Paulus verliep niet alles op de reis even goed.
Hij werd in de buurt van Mardin hevig met stokken geslagen, zodat hij weken lang niet kon lopen. Later werd hij door een Britse legerarts in Bagdad (letterlijk) weer op de been geholpen. In 1827 huwde hij met de (zesde) dochter van een Britse graaf, waarna hij zijn vrouw op reis met zich meenam, als ze op dat moment tenminste niet in het ziekbed of kraambed lag.
Later bleef Lady Gloriana gelukkig in Alexandrië achter, toen haar man zich weer in allerlei avonturen stortte. Hij vertrok deze keer naar Centraal-Azië, waar hij in de fameuze steden Boechara en Samarkand mensen met het Evangelie wilde bereiken. Vier van de kamelen die hij huurde werden met Bijbels beladen; samen met twee Perzische knechten ("beiden geweldige schurken") vertrok hij, om glorie of een martelaarskroon te gaan halen. Nog voordat hij bij het Perzische Meshed kwam, raakte hij in zeer ernstige problemen. Een groep Turks sprekende bandieten nam hem gevangen, ontdeed hem van alle bezittingen, beroofde hem en bond hem aan de staart van een paard, waarbij hij van achteren voortdurend met een zweep geslagen werd. "Wolft bad. In dat soort omstandigheden leer je wel bidden." Tot zijn verontwaardiging werden op de slavenmarkt zijn onbetrouwbare dienstknechten tien keer zo hoog geprijsd als hijzelf! Naakt werden ze aan elkaar geketend en vervolgens in een kerker gegooid. Daar werd hij door de tijdige hulp van de Perzische gouverneur van de stad weer uitgehaald. Hij kreeg van deze een goede behandeling, kleren om aan te trekken en vertrok weer, want hij was nog niet gearriveerd waar hij heen wilde. In heel slecht weer reisde hij door naar Buchara. Hij bleef daar twee maanden en doopte in die tijd minstens twintig Joden die daar woonden. (Van de 180.000 inwoners zouden er ongeveer 15.000
Joden geweest zijn.)

Ik geloof in één God
Met een vrijgeleide en drie metgezellen ging de onvermoeibare Wolft weer op weg en opnieuw verzeilde hij in een gevaarlijke situatie. Spoedig werd hij omsingeld door een groep fanatieke Moslims die hem zeiden: "Je moet of zeggen: 'Er is maar één God en Mohammed is zijn Profeet', of we naaien je in de huid van een dode ezel, verbranden je levend en maken worst van je." Onmiddellijk antwoordde Wolff: "Er is maar één God en Jezus is de Zoon van God!" Zijn lot leek nu bezegeld, maar hij wist hen ervan te overtuigen dat ingeval ze hem zouden doden, dat voor hen ook heel vervelende represailles ten gevolge zou hebben. Daarom besloten ze om hem naakt uit te kleden en zo achter te laten. Wolff bleek met dat besluit zeer ingenomen: "Ik ben een derwisj en kleren, geld of iets anders kunnen me niets scheien." Ondertussen was het april en lag de sneeuw nog dik op het Hindoe Koesj gebergte, maar tenslotte kwam Wolff (zonder kleren, net als zijn metgezellen) aan in de stad Bamyan, waar hij weer kleding aan zijn lijf hoopte te krijgen. Dat gebeurde echter niet en ondanks de aanbeveling die de gouverneur hem voor zijn collega in de volgende stad schreef, gooide die hem zonder kleren zijn paleis uit. "Dus vervolgde Wolff zijn tocht, (kennelijk) door niets dan door zijn paspoort tegen de kou beschermd, zijn weg door de bergen naar Kaboel, sloot onderweg vriendschap met Afghaanse boeren, die hem soms, met nauwelijks verholen tegenzin, toestonden in hun midden te slapen, hem melk brachten en hem weer optrokken uit met sneeuw bedekte gaten waar hij steeds in viel." Toen hij ten langen leste Kaboel bereikte, stuurde hij een van zijn knechten om zijn komst te meIden.
Deze nam de benodigde kleren mee en drie paarden, waarmee Wolff die dag een grootse entree in de stad maakte! Hij werd als een prins in de stad ontvangen en vertrok na enige tijd naar het huidige Pakistan en India, waar hij overal minzaam door de overheden (Britse en inheemse) ontvangen werd. Wel was hij zo tactloos om in het Islamitische Lahore de muren van de stad vol te hangen met Christelijke posters, maar de Maharaja vergaf het hem. Zijn charme had weer eens gewerkt!
Toen de vorst van Kasjmir hem Franse cognac gaf, was dat best, maar hij reageerde afwijzend, toen de koning dansmeisjes naar zijn nachtverblijf stuurde. Hij bedankte de Heerser hartelijk, maar dat laatste was echt niet nodig. "De meisjes zagen er eigenlijk best zedig uit," merkte Wolff later op. Op zijn reizen ontmoette hij ook ene kaptein Connolly van het Brits-Indische leger; ze sloten onverwijld vriendschap. Het zou een relatie worden die, door beiden onvoorzien, Wolff later bijna zijn leven zou kosten! Na ruim drie jaar keerde hij tenslotte naar Malta terug, voor een weerzien met zijn vrouwen zoon van vier. Op de leeftijd van 43 vestigde hij zich als Anglicaans geestelijke in een dorpje in Yorkshire, maar tevoren was hij nog een keer in het Midden-Oosten en Ethiopië geweest, daar buitengewoon bejubeld als de (vermeende) nieuwe geestelijke leider van het volk en vervolgens door invallende moslims stevig gegeseld. Hij had er tyfus gekregen, om aan te sterken een reis naar India gemaakt en was toen verder gereisd naar de Verenigde Staten en naar huis terug via Ierland. Hoe hij het steeds lapte, was niet te zeggen, maar op vele plaatsen werd hij in de hoogste kringen ontvangen en werd hij met eerbewijzen overladen. Niettemin, in 1838 leek deze 'Wandelende Jood' eindelijk tot rust gekomen in een klein dorpje in Noord-Engeland.

De laatste reis
Toch niet, want vijf jaar later, in oktober 1843, verliet hij opnieuw voor, lange tijd de dorpspastorie, die hem wel eens te klein voorkwam. Opnieuw was zijn reisdoel Centraal-Azië, de beroemde stad Boechara in het huidige Oezbekistan. Zijn goede vriend, kapitein Arthur Connolly van het Brits-
Indische leger, was aldaar in grote problemen geraakt, die voortkwamen uit de gevangenschap van een Britse aristocraat, die door de uiterst onbetrouwbare en gewelddadige Emir van Boechara verraderlijk in de boeien geslagen was. Connolly moest hem gaan ontzetten en was, wonderlijk genoeg, in dat waagstuk bijna geslaagd toen hij alsnog zelf in handen van de Emir viel. In de Engelse pers werd over het een en ander nogal ophef gemaakt, zodat er een prijs voor een expeditie werd uitgeloofd.
Wolff schreef een vriendelijke brief aan de krant, waarin hij aan dappere Britse officieren zijn diensten aanbood, als gids en tolk. Hij kende de Emir, schreef hij en dacht de gevangenen wel vrij te kunnen krijgen.
Na heel wat vijven en zessen ondernam Wolff tenslotte helemaal alleen de riskante tocht! Met al wat tot de uitrusting van een Anglicaanse geestelijke behoorde (een grote voorraad Bijbels, maar eveneens alle onderdelen van zijn ambtskieding), tientallen zilveren horlogen en ook tientallen exemplaren van Robinson Crusoë in het Arabisch, dat hij al eerder met veel succes aan Arabieren gesleten had, vertrok hij naar de Oost. Het begin was aardig: bezoeken aan de Griekse koning en de Britse ambassadeur in Turkije. Daarna begon het echte werk.
Het was bitter koud vanwege de ingevallen winter, en bergwegen waren in zo deerniswekkende toestand dat Wolff hele stukken moest kruipen, wilde hij verder komen. In hartje Turkije, waar het reisgezelschap Kerst doorbracht, kreeg hij speciale kleren van wolfshuid, wat hem de opmerking ontlokte dat men hier 'een Wolft in wolfskleren' kon zien. Nog zeker duizend kilometer van zijn doel ontving Wolff bericht dat hem zekerheid gaf dat de twee gevangenen inderdaad dood waren, maar hij vond het een blamage om nu terug te keren en kwam in april in de Perzische steden Meshed en Merv aan, waar de Joden hem opriepen vooral toch niet verder te gaan: Hem wachtte een zekere dood! Hoewel hij normaliter onverschrokken was, begon Wolft zich toch een beetje zorgen over zijn veiligheid te maken en besloot alles op alles te zetten: hij reed verder in vol ornaat: Anglicaanse ambtskledij om zijn lichaam en een open Bijbel in de hand. Zo bereikte hij de stad van Boechara, waar hij onder enorme belangstelling van de lokale bevolking de stad binnenreed. Hij werd rechtstreeks naar het paleis van de Emir gebracht, waar hij de vraag kreeg of hij bereid was de in de stad Boechara gebruikelijke 'Salaam' te verrichten. Toen hij vroeg wat dat inhield, vertelde men hem dat hij in de aanwezigheid van de Koning gebracht zou worden en dat hij dan drie maal zijn baard moest strelen en daarbij roepen 'Allahoe Akbar', God is groot. Minzaam verklaarde Wolff dat hij daartoe zeer bereid was; het had Connolly's situatie ten zeerste bemoeilijkt, toen deze dat ritueel geweigerd had. Wolff zag in dat dit onschuldig was - er was geen enkele verzaking van het geloof geïmpliceerd - en zei dat hij het desgewenst ook wel dertig keer wilde zeggen, in plaats van de voorgeschreven drie! "Nadat hij de drie voorgeschreven 'Salaams' uitgesproken had, ging hij zo lang door met buigen en uitroepen 'Lang leve de Koning' dat de vorst in lachen uitbarstte en hem verzocht op te houden."
Als altijd ontembaar, stelde Wolff de minister van buitenlandse zaken van de Emir in kennis van het voornemen van "duizenden in Engeland" om hem de oorlog te verklaren, als hij niet heel snel zijn gevangenen losliet. Bij het overvloedige maal dat er op volgde vertelde de minister hem dat de gevangenen al enige tijd tevoren in het openbaar waren terechtgesteld. Wolft wilde zo snel mogelijk weer naar huis terug; hier was niets voor hem te doen. Hij mocht vrij rondrijden en bezocht de hele stad maar merkte dat er een uitgebreid netwerk van verklikkers van de Emir bestond. Dagelijks kwamen er ook vragen uit het paleis in de trant van: "Kunt u mensen uit de dood opwekken?", "Wanneer zal de Dag van de Opstanding plaatsvinden?"
(Dat laatste was wat genant, want op zijn vorige bezoek, twaalf jaar tevoren, had Wolff zich laten verleiden een datum te noemen, het jaar 1847, dat nu dichtbij kwam. Hij gaf nu te kennen dat men het boek Daniël, dat hij ervoor gebruikt had, op tweeërlei wijze kon uitleggen, maar dat die dag in elk geval 'aanstaande' was. Later gaf hij op de vraag hoe hij toch zo'n ondoordachte voorspelling had kunnen doen, het simpele antwoord: "Omdat ik toen een stomme ezel was!") Over allerhande zaken moest hij verklaring afleggen: het politieke bestel in Engeland, waarom de Prins-gemaal het zijn vrouw Victoria toestond koningin te zijn, of er in Engeland heksen waren en nog veel meer. Op de vraag: "Waarom kleedt u zich in rood en zwart?" (betrof zijn ambtsgewaad), zei hij: "Zwart geeft aan dat ik rouw over mijn gestorven vrienden. Het rood geeft aan dat ik bereid ben voor mijn geloof mijn bloed te geven." Ondertussen was iedereen in Boechara lichtelijk verbijsterd over de vraag wat het machtige Engeland bezield kon hebben maar één ambassadeur te sturen, en dan nog wel deze vreemde man.
"Hoe uitzonderlijk", zei de Emir in die tijd. "Ik heb tweehonderdduizend Perzische slaven en niemand die zich om hen bekommert; vanwege twee Engelsen komt echter iemand helemaal uit Engeland en eist op zijn dooie eentje hun vrijlating." Na een paar conflicten, waarin de meestal tactvolle Wolft zijn gastheer in woede voor 'leugenaar, verrader en geboefte' (alle ongetwijfeld verdiend!) uitmaakte, meende hij ook zelf dat hij geen gunstige prognose qua levenskansen meer had, maar zowaar, hij werd plotseling vrijgelaten! De Perzische ambassadeur kwam bij de Emir en dreigde hem met zeer ernstige straften, als 'de Engelse ambassadeur' niet stante pede werd losgelaten! Dat kwam net op tijd, want de vorst had hem juist gevraagd of hij moslim wilde worden. "Zeg de koning: NOOIT, NOOIT, NOOIT", was Wolffs antwoord geweest. Meteen daarop had de beul zich bij hem vervoegd met de woorden: Joseph Wolft, wat met Stoddard en Connolly gebeurd is gaat nu met jou gebeuren."
Hij had met zijn hand naar zijn keel gewezen "en dus bereidde ik me op de dood voor en had ook opium op zak, opdat, als mijn keel werd afgesneden, ik de pijn niet zou voelen.
Tenslotte wierp ik echter mijn opium weg en bad, en schreef een tekst voorin mijn Bijbel." Karakteristiek voor de waaghals Wolff was dat hij op het allerlaatste moment ook deze diepe crisis overleefde. Toch bleek, toen hij thuis was, dat hij Centraal-Azië en de rest van de wereld, die hij zo onvermoeibaar bezocht had, nu voor gezien hield.
Hij bleef voortaan thuis, de stellig ongewone predikant van een piepklein Engels dorpje.

Noten:
1. Dit is een ietwat bijgewerkte versie van een verhaal dat in een boek over de zendingsgeschiedenis staat dat DV in het najaar zal verschijnen onder de titel Tot het uiterste gaan.

2. Een groot deel van dit artikel is ontleend aan het boek Ttie Golden Road to Samarkand van Wilfrid Blunt. uitgave Hamish Hamilton. Londen. 1973.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief