Hoe lezen wij de schrift? (2)

1996-08-09
  • Jaargang 40
  • nummer 16
In het eerste deel van deze reeks heb ik de vraag aan de orde gesteld, hoe de Bijbel ons inzicht kan verschaffen in Gods wil voor ons leven. We zagen dat het niet mogelijk is, Gods wil voor ons leven rechtstreeks uit de Bijbel te halen. Toch kunnen wij de wil van God wel degelijk uit de Schrift leren kennen. In dit tweede deel moet daarom de vraag aan de orde komen, hoe de Schrift, ondanks haar historische karakter, toch het gezaghebbende Woord van God voor ons leven kan zijn. Hoe moeten we de Bijbel lezen?

Ik denk dat het op dit punt goed is, nog eens stil te staan bij het kader waarin deze vraag opkomt. We worden in het leven geregeld met vragen geconfronteerd die te maken hebben met de manier waarop wij, als christenen, ons leven behoren in te richten en bepaalde verschijnselen behoren te beoordelen. Nu eens hebben die vragen betrekking op wat we moeten doen, bijvoorbeeld bij welke kerk we ons moeten aansluiten, hoe we moeten omgaan met de televisie, met genotmiddelen en met ons geld, welke beslissingen we moeten nemen in ons werk, hoe we met andere mensen moeten omgaan en of we ons beschikbaar moeten stellen voor een kerkelijk ambt. Dan weer worden we geconfronteerd met vragen die betrekking hebben op de wijze waarop we bepaalde verschijnselen moeten beoordelen, bijvoorbeeld hoe we moeten aankijken tegen ongehuwd samenwonen, euthanasie, echtscheiding, de gelijkstelling van mannen en vrouwen in het kerkelijke ambt, de verharding in de samenleving of de ontmanteling van de verzorgingsstaat. Als wij ten aanzien van dit soort vragen onze weg proberen te zoeken en daarbij bedenken, waartoe wij in Christus gerechtvaardigd zijn, dan komt vanzelf de vraag op: Wat zou God willen dat ik deed - wat zou God van dit verschijnsel vinden? Er staan ons drie wegen open om die vraag te beantwoorden: Bijbelstudie, zelfbezinning en gebed. Als het goed is, komen deze wegen in onze dagelijkse 'stille tijd' samen.

Persoonlijke en publieke sfeer
Bij de beantwoording van strikt persoonlijke vragen ('wat moet ik doen'), ligt de nadruk meer op de zelfbezinning en het gebed. We lezen ook in de Bijbel, maar dat draagt meestal niet zozeer het karakter van een Bijbelstudie alswel van een hulp bij de zelfbezinning en het gebed. Naar mate de vragen echter een meer publiek karakter krijgen ('wat moeten wij doen', of 'wat moet men doen'), zoals in kerkelijke en politieke discussies, verschuift de nadruk naar de Bijbelstudie. Dan gaat het beroep op de Schrift een grote rol spelen, omdat we behoefte hebben aan een objectief criterium om uit te maken, of wat iemand als de wil van God beschouwt ook werkelijk de wil van God is. We vinden dat objectieve criterium in de Schrift.
Het is van belang om dit onderscheid tussen persoonlijke en publieke levensvragen in het oog te houden.
Want het hele vraagstuk van het gezag van de Schrift - waar het in dit artikel toch in wezen om gaat - speelt eigenlijk alleen in de publieke sfeer, met name in de kerk. In de persoonlijke sfeer is doorslaggevend, welke overtuiging in gebed en gelovig luisteren naar de Schrift langzamerhand in ons groeit. Of de Schrift daarbij op een juiste wijze wordt uitgelegd en toegepast, is niet van wezenlijk belang. Beslissend is, dat we ons, op onze eigen wijze luisterend naar de Schrift, hebben laten overtuigen (vgl. Rom. 14:5)'. Anders wordt het, als we beslissingen moeten nemen die ook gevolgen hebben voor anderen, bijvoorbeeld als we ons standpunt moeten bepalen in kerkelijke kwesties of ten aanzien van verschijnselen in de samenleving, of als we als gezagsdragers een oordeel moeten geven over het gedrag van anderen. Dan komt het erop aan, ons niet alleen te beroepen op datgene wat we in onze persoonlijke overtuiging als de wil van God menen te zien, maar wat op grond van de Schrift moet worden gezien als de wil van God voor ons leven, ook voor het leven van de ander. Het is in deze publieke sfeer, dat het erop aankomt de Schrift op een juiste manier te lezen en toe te passen, omdat we anders onbewust de fout kunnen begaan, in 's Heren naam aan anderen een gebod op te leggen dat in wezen slechts onze eigen opvatting is.

Sleutelwoorden
Daarmee kom ik dan weer op de hoofdlijn van mijn artikel: Hoe moeten we de Schrift lezen en toepassen?
Hoe verschaft de Schrift ons inzicht in de wil van God voor ons leven? Als de Bijbelse normen en leefregels ons niet rechtstreeks voorschrijven hoe we naar Gods wil behoren te leven, hoe kunnen we dan toch belijden dat de Schrift het gezaghebbende Woord van God is, ook voor ons leven? Ik denk dat we ten aanzien van deze vragen een stuk verder komen met behulp van de sleutelwoorden omgang en Wijsheid. De Schrift is tot stand gekomen in de omgang van God met zijn volk. Zij is de uitdrukking van die omgang in menselijke taal, weergegeven door profeten, kroniekschrijvers, dichters, apostelen en evangelisten. Zowel in de omgang zelf als in de neerslag daarvan in de Schrift openbaart God Zich aan zijn volk, laat God zich kennen. Met name in de vorm van normen en leefregels (maar daarnaast ook in zijn handelen) laat God weten, wat Hij van zijn volk verlangt. Deze wil is niet bedoeld als een abstracte wet voor alle plaatsen en tijden, maar als zijn wil in de concrete situatie waarin Hij met zijn volk omgaat. Maar tegelijk toont God in die concrete, op de historische situatie betrokken wil zijn Wijsheid ten aanzien van de mens. En deze Wijsheid is, anders dan de concrete normen en leefregels waarin zij wordt uitgedrukt, niet aan plaatsen en tijden gebonden. Want zij is God Zèlf, die gisteren en heden Dezelfde is. Dezelfde Wijsheid geldt voor vandaag en morgen evenzeer als voor het verleden en wijst daarom ook ons de weg die we moeten gaan. Vanuit die Wijsheid kunnen we Gods wil voor ons leven leren kennen - tastenderwijs, zeker, maar toch met de zekerheid van het geloof.
Met het sleutelwoord omgang doen we recht aan het historisch karakter van de Schrift. De Schrift is niet als een abstract gegeven van 'boven' gekomen, maar vormt de neerslag van de concrete omgang van God met zijn volk in de geschiedenis. Zoals een vrouw haar man kent, zo kent Gods volk de Here. Zoals de vrouw op grond van haar kennis van het karakter van haar man van tevoren weet hoe hij over iets zal denken, zo weet Gods volk dat van de Here op grond van de Wijsheid die Hij in de Schrift heeft geopenbaard. Wie die Wijsheid veronachtzaamt, kan zich niet verontschuldigen met het excuus, dat hij Gods wil niet kon kennen omdat deze niet rechtstreeks in de Schrift te vinden is. Met het sleutelwoord Wijsheid doen we recht aan het blijvende in Gods wil. Dat blijvende vinden we niet in concrete Bijbelse normen of leefregels.
Juist omdat die normen en leefregels telkens concreet betrokken zijn op de historische situatie waarin zij gegeven zijn, gelden ze niet voor alle plaatsen en tijden. Andere situaties vragen om andere regels, omdat regels die in de ene situatie heilzaam zijn in de andere situatie juist een averechts effect kunnen hebben. Jezus toont dat duidelijk aan in Matth. 19:3-9.
Mozes had de mannen geboden hun vrouw bij echtscheiding een scheidbrief mee te geven. Dat was in die tijd heilzaam voor de vrouw. Maar na verloop van tijd ging dit gebod zich tegen de vrouw keren, omdat de mannen de scheidbrief gingen zien als een vrijbrief om naar eigen willekeur van hun vrouw te scheiden. Daarom vervangt Jezus het gebod door een ànder gebod: gij zult in het geheel niet scheiden. Op dezelfde manier kunnen wij vrijmoedigheid vinden om, uitgaande van de Wijsheid die God in zijn normen en leefregels heeft getoond, te zoeken naar àndere normen en leefregels waarin voor onze tijd dezelfde Wijsheid tot uitdrukking komt.

Kernvragen
Door beide sleutelwoorden te hanteren, kunnen we recht doen aan het gezag van de Schrift als het geschreven Woord van God, zonder het historisch karakter van de Schrift te veronachtzamen. We moeten ons dan telkens twee dingen afvragen: 1. Wat openbaart de Schrift van Gods Wijsheid in de situatie waarin het Schriftwoord geschreven werd? en 2. Wat betekent diezelfde Wijsheid voor onze situatie hier en nu? Door deze vragen consequent te onderscheiden, ontkomen we aan de problematiek van de hermeneutisch georiënteerde theologie (die de kennis van Gods wil afhankelijk stelt van de eigen culturele 'verstaanshorizon'), zonder te vervallen in het biblicisme, dat Gods wil rechtstreeks uit de Bijbel meent te halen. We vinden in de Schrift een objectief kenbare en gezaghebbende maatstaf voor ons handelen, maar niet één die kritiekloze onderwerping vraagt aan een eens geschreven letter. Het is een maatstaf die in wezen niets anders is dan God zèlf, die ons in Christus heeft vrijgekocht en voor wie wij daarom in liefde willen leven zoals Hij het in zijn Wijsheid heeft bedoeld. In het volgende nummer hoop ik beide vragen nader uit te werken.

Noot
1. In verband hiennee vraag ik mij af, of mannen en vrouwen vandaag de dag wèrkelijk moeite hebben met de tekst dat de man het 'hoofd' is van zijn vrouw. Ik denk dat die moeite pas opkomt in de discussie in kerkelijke kring, dus in de publieke sfeer. In de persoonlijke sfeer speelt veel meer, hoe de onderlinge taak- en rolverdeling zal zijn. En daar komt men vandaag de dag na wat gesprekken wel uit, zonder zich te bekreunen over de precieze betekenis van het hoofdschap van de man en de onderdanigheid van de vrouw. Zo verklaar ik ook de opmerking van ds.
Mudde, dat "veel christenen de gelijkwaardige omgang tussen man en vrouw in dankbaarheid beleven, met een volstrekt rein geweten en als een gave van God" (J.M. Mudde, 'Verwetenschappelijking van het geloof?', Opbouw, 3ge jaargang (1995) nr. 12, p. 226). Ik geloof inderdaad, dat op dit punt in de persoonlijke sfeer lang niet altijd een spanning met de Bijbel wordt ervaren. Dat komt denk ik, doordat de Bijbel in de persoonlijke sfeer een veel minder objectieve rol speelt dan in de publieke sfeer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief