Het feest van 'The holy city'
1996-03-08
In Israël wordt luisterrijk herdacht, hoe 3000 jaar geleden koning David Jeruzalem op de Jebusleten veroverde en tot zijn Koninklijke residentie verhief. Een historisch feit dat het herdenken waard is!- Jaargang 40
- nummer 5
Overigens zullen wij de enigen niet zijn, die zich afvragen of de huidige situatie in Israël zo'n luisterrijke viering wettigt. Ook velen in Jeruzalem zelf zetten daar hun vraagtekens bij. Dat doet ondertussen niets af van de gedenkwaardigheid van het feit zelf.
Sinds de dag immers dat koning David, voorvader van de Messias, Jeruzalem binnentrok, heeft dat onaanzienlijke bergstadje een rol gespeeld in de heilsgeschiedenis en wordt ze zelfs 'de heilige Stad' genoemd. Hoevele psalmisten en profeten hebben sindsdien haar weg niet begeleid en haar lof bezongen? Is er dan ook voor óns geen reden om Davids verovering van de stad der Jebusieten te herdenkensindsdien immers de voorafbeelding van 'het Nieuw Jeruzalem'?
Tactische keuze
In slechts 3 verzen van 2 Sam. 5 wordt een uiterst beknopt verslag van de verovering van Jeruzalem gegeven. David was toen ± 6 Y2 jaar koning in Hebron, in het Zuiderland. De stammen in het zuiden waren de eersten om de gezalfde des HEREN als hun koning te erkennen. De stammen in het noorden voelden zich nog te sterk verbonden aan het huis van Saul om zo maar ineens op David over te schakelen.
David heeft hen niet geforceerd tot die keuze. Hij heeft hen de tijd gegeven en deed tenslotte zelf een wijze keus van een residentie, die bij alle stammen instemming zou kunnen vinden: dat onbetekenende bergstadje, ergens tussen de zuidelijke en de noordelijke stammen in. De stad van de Jebusieten lag immers binnen geen enkele stam van Israël. De Jebusieten hadden nog altijd als Kanaänieten hun zelfstandigheid tussen de stammen van Israël weten te handhaven. Davids keuze van Jeruzalem als zijn residentie was dus wel bijzonder tactisch. Zo kon immers geen enkele van de 12 stammen zich bevoorrecht óf gepasseerd voelen. En vanuit Jeruzalem kon David zijn koningschap van lieverlee uitbreiden over gehéél Israël. Zo kan Jeruzalem worden een stad van samenbinding en eenheid, de stad van Israëls shalom!
Uiteraard waren de Jebusieten bepaald niet ingenomen met Davids plannen. Niet minder dan hun zelfstandigheid stond op het spel en ze hebben zich dan ook krachtig verzet, zij het meer met woorden dan met daden.
Ze hebben David met sterke taal gewaarschuwd: "Het lukt u nooit onze stad binnen te komen; onze stad ligt hier veilig en wel, bijna onbereikbaar, in de bergen; onze situatie is uitermate voordelig voor ons en nadelig voor u."
En ze voegen er honend aan toe: "Zelfs al bestond onze verdediging uit louter blinden en lammen, dan zouden die u nog kunnen tegenhouden! U komt er nooit in! Vergeet het maar."
"Nooit zullen Davids vaandels wapperen op de hoogste punten van Jeruzalem!"
Dat is dus het laatste woord van de Jebusieten: David komt hier nooit binnen! De overmoedige hoontaal van een toch niet helemaal gerust hart.
En dan komt er zo onmiddellijk achteraan: "Maar David veroverde de burcht Sion, dat is de stad Davids." De stad van zijn keuze is toch zijn stad geworden.
De stad van Gods keuze tevens!
Want de naam Jeruzalem zal nooit meer uit de heilige geschiedschrijving, uit psalmen en profetieën verdwijnen.
Ja, zelfs op de nieuwe aarde zal de naam van Jeruzalem teruggevonden worden! Men heeft wel een parallel getrokken uit Ezechiël 16, het verhaal van het te vondeling gelegde meisje, dat door de HERE gevonden wordt en opgenomen, meegenomen en aangenomen, opgevoed en grootgebracht, tot ze de mooie bruid wordt van Hem die haar met zoveel liefde altijd had omringd: Israël, zo klein van kracht, Jeruzalem, een onooglijk bergstadjegroeit uit tot de bruidstad van het laatste Bijbelboek! De gouden stad met de paarlen poorten, the Holy City!
Zou er onder deze profetische belichting ook voor óns geen reden zijn tot herdenking van wat 3000 jaar geleden gebeurde, toen David de stad van zijn keus en van Gods keus met Gods hulp mocht innemen? Hoe dat toeging lezen we, al weer erg beknopt, in de tekst van 2 Samuël. Daarbij heeft een ondergrondse watergang, door Davids mannen ontdekt, een rol gespeeld.
Onder leiding van de dappere Joab zijn ze via die watergang de stad binnengekomen.
En op deze manier werd de overmoedige Jebusieten hun hoontaal tegen de gezalfde des HEREN betaald gezet.
Blinden en lammen
Maar daarmee hebben we onze tekst nog niet uitgeput. Het valt op hoe de bijbelschrijver maar kort de bocht omgaat in zijn verslag van de inname van de stad - en veel meer woorden besteedt aan wat de Jebusieten tegen David en David tegen de Jebusieten gezégd hebben. Daarom willen we daarop nog terugkomen en dieper ingaan.
Wat zeiden de Jebusieten ook al weer toen ze David hoonden? "U komt hier nooit binnen - blinden en lammen zouden u nog tegenhouden." En hoe reageerde David daarop? Hij zal het wel niet tegen de Jebusieten zo gezegd hebben, maar tegen zijn eigen mannen: "Wie de Jebusieten wil verslaan moet via de watergang binnendringen.
En wat die lammen en blinden aangaat - daar heb ik een grondige afkeer van." De bijbelschrijver voegt er dan aan toe: "Zo is het gezegde ontstaan: blinden en lammen mogen er niet binnen komen."
Merken we wel hoe hier de hoontaal van de Jebusieten helemaal ómgekeerd wordt? Wat zij tegenover David gehoond hebben, keert als een boemerang terug op het hoofd van de blinden en lammen die zo makkelijk David buiten de stad zouden houden! Als het later een gezegde wordt onder Israël: blinden en lammen komen er niet in ... wáár komen ze dan niet in? De oude Statenvertaling heeft: niet in het huis.
Goslinga vertaalt in zijn Commentaar en Korte Verklaring: in huis, en houdt het algemeen. Andere uitleggers denken hier aan het Huis des HEREN, de Tempel, die later in Jeruzalem zal verrijzen.
Het is één van de regels voor het Tempelverkeer, dat blinden en lammen daar geen dienst mogen doen, ook al zijn ze van priesterlijke afkomst. Misschien ligt hier ook de verklaring waarom een man als Jeremia, die toch van priesterlijk geslacht was, nooit als priester gediend heeft: wellicht had deze man met zijn priesterlijk hart een lichaamsgebrek, een handicap, die hem de tempeldienst voor Gods heilig aangezicht onmogelijk maakte (verg. Lev. 21:18 e.v., Jer. 1:1). En waarom? Wel: de heiligheid van God gaat uit naar de volkómenheid, de héélheid, zonder gebrek!
Heelheid in Gods schepping
Allicht wordt ons nu ook duidelijkwaar we ons stellig al aan gestoten hebben - dat David een hartgrondige afkeer heeft van lammen en blinden!
Wat klinkt ons dat hard en wreed in de oren! Hoe kan de bijbelschrijver dat zo maar neerschrijven over de man naar Gods hart? Maar juist dáárom kan dit van David gezegd worden: als man naar Gods hart en naar Gods beeld heeft hij net als zijn God een grondige afkeer van álles wat aan de schone schepping gebroken is en misvormd en gebrekkig. Dat is de eer van onze Schepper te na! Heeft Hij niet van alles wat uit zijn handen kwam gezien en gezegd, dat het 'zeer goed' was? Hoe is het sindsdien verworden! Geen wonder dat God - én de man naar zijn hart - zo'n grondige afkeer heeft van alles van al het mismaakte en misvormde.
Dat mogen we toch niet hard van God en wreed van David vinden! Is het niet veeleer een bewijs van gevoeligheid als mensen lijden onder de gebrokenheid en hunkeren naar de heelheid in Gods schepping?
Dat koning David waarlijk geen hard en wreed man was kunnen we immers weten uit het verhaal van Mefiboseth, de zoon van Jonathan, die ten gevolge van een ongeval als kind al aan beide voeten verlamd werd.
Hoe heeft koning David zich na de dood van Jonathan niet ontfermd over die zwaar gehandicapte zoon van zijn boezemvriend: Mefiboseth was dagelijks 'gast aan tafel' in het paleis (2 Sam. 9:1-7)!
David is niet minder barmhartig voor lammen en blinden, dan God zelf, die zijn eigen Zoon naar Jeruzalem zond om lammen en blinden te genézen in de Tempel, op de dag van zijn intocht in Jeruzalem (Matth. 21 :14). Die van Gods Huis een rovershol maakten joeg Hij naar buiten - maar de lammen en blinden genas Hij en haalde Hij naar binnen! Zeker, deze Davids Zoon zegt het zijn vader na: "Lammen en blinden komen er niet in" - en daarom genéést hij hen, maakt hun lichamen héél en zet zó de poorten van Gods Huis en Tempelhof voor hen open! Pas nadat we aan onze ellende ontdekt zijn, mag en kan ons de verlossing overkomen!
Is het niet om stil van te worden? Maar tegelijk ook om er luide van te zingen: "Hosanna de Zoon van David, de Verlosser van Israël!"
Wederoprichting
Denken we niet onwillekeurig hierbij ook aan de wederoprichting van de verlamde man bij de tempelpoort, genaamd de Schone? Verlamd van zijn geboorte af aan ontsierde hij toch in feite de Schone Poort van de Tempel!
Hij lag er buiten en kwam er niet in! Maar in de naam van Jezus Chris- I tus door Petrus weer opgericht loopt hij , zo maar de Tempel binnen! Door het Sanhedrin ter verantwoording geroepen getuigt Petrus van 'de wederoprichting aller dingen', het volledig herstel van alle dingen! Door de grote Davidszoon, Jezus Christus (Hand.
3:2,7,8,21)! Als het huidige Israël in onze tijd Hem zó eens mocht gaan erkennen en bejubelen!
3000 jaar geleden - dat wordt nu in Jeruzalem herdacht en gevierd. Maar hoe? In een verdeeld Israël en in een verdeeld Jeruzalem, waar joden en Palestijnen elkaar elke vierkante meter betwisten. Waar elke dag de slachtoffers vallen van geweld en terreur.
Wat moet dat voor een feest worden?
Kunnen wij dat meevieren? Moeten en mogen wij niet getuigen van het nieuwe Jeruzalem? Moeten wij, in plaats van ons te verliezen in herinneringen aan 3000 jaar geleden niet uitzien naar de machtige komst van de enige en ware Messias, de Stichter van het Jeruzalem dat bóven en van bóven komt, de Verlosser van Joden en christenen, van islamieten en heidenen - de Wederoprichter van álle din- ' gen, en de Heler van al het verbrokene?
Dan staan de poorten van de Stad Gods naar álle kanten open en de eer en heerlijkheid der volken zal daarbinnen komen!
Neen, zoals het nu is en wij nu zijn, komen we er niet in, maar gereinigd door het bloed van het Lam en geheeld door de Geest van Christus zullen we in de Grote Naam van de Heilige God van harte welkom geheten worden: "Ga in tot het Feest van uw Heer!" Het feest van de Holy City!