'De overigen'

1996-03-08
  • Jaargang 40
  • nummer 5
In de NBG- vertaling luidt 2 Cor. 2, 17a als volgt: ,,Want wij zijn niet als zovelen, die winst maken uit het woord van God’’.
Deze vertaling behoeft – ook als men uitgaan van dezelfde Griekse tekst als de NBg – vetalers – enige correctie.

Drie verbeteringen
Om te beginnen, betekent het werkwoord dat hier vertaald is met 'winst maken uit' veeleer: 'aan den man brengen'. Paulus bezigt hier een term die eigenlijk betekent 'kleinhandel drijven in een artikel'. Nu kan dit woord wel eens een wat negatieve bijklank krijgen. De apostel heeft hier rn.i, mensen op het oog die hun 'artikel' aanprijzen, terwijl het in werkelijkheid van inferieure kwaliteit is. (Wij krijgen dat type kooplui heden ten dage nog wel eens aan de deur; worden er soms ook tegen gewaarschuwd.) Ik zou hier dan ook voelen voor de vertaling 'aansmeren'.
Verder staat er niet 'zovelen', maar 'de velen', d.w.z. 'de grote massa', 'het gros'.
Ten slotte hoort de bepaling 'die winst maken' (of beter dus; 'die aansmeren') niet bij 'zovelen' (of beter dus: 'het gros'), maar is verbonden aan 'wij zijn'. Er staat: "Want wij zijn niet, zoals het gros, bezig het woord van God (den mensen) aan te smeren".
Het element van verdienste ('winst maken', NBG) speelt bij het hier afgekeurde bedrijf waarschijnlijk wel een rol, maar wordt hier, dunkt mij, niet naar voren gehaald. Dat blijkt uit de tegenstellingen die Paulus in de tweede helft van dit vers laat volgen.
Hij zegt niet: "Wij brengen Gods boodschap belangeloos". Over dát punt heeft hij het in 1 Cor. 9 gehad.
Nee, hij zegt; wij prediken "kennelijk' vanuit een zuiver geweten, kennelijk krachtens opdracht van God, onder zijn toeziend oog, in verbondenheid met Christus". Trwijl het gros van de 'kooplui' het zo nauw niet neemt met wat ze van hun waar beweren, weet Paulus zich in zijn geweten gehouden over dat wat hij 'uitvent' de waarheid te zeggen; over dat evangelie den mensen niets wijs te maken; bij hen geen verwachtingen te wekken die dat evangelie niet waar kan maken. Hij verzint namelijk niet zelf zijn praatje waarmee hij den boer op gaat; hij weet zich door Gód gestuurd. Hij beseft ook, dat God hem nauwlettend in het oog houdt en van hem verantwoording zal vragen. Hij weet zich de spreekbuis van Christus zélf.
Niet om Paulus' belangeloosheid dus, maar om zijn betrouwbaarheid als evangelieprediker gaat het hier m.i.
Dat blijkt nog eens ten overvloede uit 4,2: "wij hebben die achterbakse praktijken, waarvoor je je moet scharnen-, vaarwel gezegd, zodat we niet met schelmenstreken werken of Gods woord vervalsen; nee, door de wáárheid aan het licht te brengen proberen wij ons voor het oog van God zo geloofwaardig te maken, dat ieder ervan overtuigd raakt".

Een andere lezing
Tot zover mijn kritiek op de NBG-vertalers, als ik uitga van de door hén gekozen Griekse tekst. Maar mijn kritiek gaat nog iets verder.
Ik heb al eens gezegd", dat Aland c.s .. de door hen geconstitueerde tekst niet' klakkeloos aanvaard wensen te zien (en dat is hier dezelfde tekst als die waarvan de NBG-vertalers zijn uitgegaan).
Dit Editorial Committee heeft nl. bij monde van Metzger op tal van plaatsen verantwoording afgelegd van zijn keuze'. Daarmee nodigen ze als , het ware deskundige gebruikers uit, ' zonodig met tegenargumenten te komen, om een andere lezing te ver- ' dedigen.
Welnu, de befaamde papyrus nr. 46 (uit ongeveer 200) heeft hier - samen met enkele andere tekstgetuigen - in ' plaats van 'de velen': 'de overigen'. De verschillen tussen de beide Griekse woorden waarom het hier gaat zijn gering; er staat resp. 'polloi' ('velen') en 'Ioipoi' ('overigen'). Een verschrij- .
ving ligt in zo'n geval wel voor de hand.
Op welke grond heeft nu het Edttonal' Committee de lezing van p. 46 afgewezen?
Metzger schrijft: "in elk geval lijkt 'de overigen' een te beledigende uitdrukking voor Paulus dan dat hij die in deze context zou hebben gebezigd".
Ik maak daaruit op, dat Metzger c.s. hier 'de overigen' verstaan als 'de overige evangeliepredikers'.
En inderdaad zou Paulus, als hij dát bedoelde, zich zeer beledigend heb-: ben uitgelaten over zijn collegae apostelen en evangelisten: als ware hij de enige die op een zuivere wijze de boodschap van God uitdroeg. Maar bedoelt Paulus dat nu echt met 'de overigen'?

De betekenis van 'de overigen'
Ik vrees, dat het EC niet heeft bedacht, dat 'de overigen' in het NT meermalen een heel andere betekenis heeft, nl. de buitenstaanders, de ongelovigen.
Dat dit woord in die zin gebruikt werd, wordt zonder meer duidelijk uit een interessante toevoeging in het handschrift 0 in Lc. 11,2. Het heet daar bij Lucas heel kort: "wanneer gij bidt, zegt (dan): ..." (En dan volgt het Onze.
Vader.) Vergelijkt men nu de inleiding op het Onze Vader in de paralleltekst bij Mattheüs, dan ziet men, dat deze evangelist uitvoeriger is, en zich als volgt uitlaat: "En gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door de veelheid van hun woorden verhoord te zullen worden" (6,7). Nu heeft iemand die de desbetreffende tekst bij Lucas las, blijkbaar gemeend er goed aan te doen de pas uit Mattheüs aangehaalde woorden toe te voegen. Maar wat zien we dan gebeuren? Hij heeft 'de heidenen' vervangen door 'de overigen'!
We vinden 'de overigen' in deze betekenis ook in Hd. 5,13. Na wat Ananias en Sapphira is overkomen, zit de schrik er niet alleen bij de gemeenteleden in, maar bij "allen die het hoorden"
(v. 11). Nu gebleken is dat wie zich bij de gemeente voegt zo tot in z'n geweten doorzien wordt, en dat zelfs zijn heimelijke zonden zo worden bestraft, durft niemand van de ongelovigen zich bij de gemeente aan te sluiten, ook al zou hij dat misschien (b.v. om bepaalde materiële voordelen, zoals de even eerder gememoreerde armenzorg) wel hebben gewild. Ze beseffen nu: met huichelen loop je in het domein van den Geest tegen de lamp.
Ook in Filipp. 1,13 zal dat de bedoe ling van het onderhavige woord zijn: aan het hele hof en aan alle buitenstaanders is duidelijk geworden, dat Paulus om zijn betrokkenheid op Christus gevangen zit.

Paulus' taalgebruik
Wat echter voor ónze tekst het meeste gewicht in de schaal legt, is dat uitgerekend Paulus maar liefst driemaal elders het woord in die zin bezigt in de verbinding met 'zoals': "zoals de overigen".
Het betreft de volgende plaatsen: Ef. 2,3 "ook wij waren (vroeger), net als de overigen, mensen op wie echt Gods toorn rustte".
1 Thess. 4,13: Paulus wil zijn lezers duidelijk maken, hoe het staat met de ontslapen gelovigen "om te voorkomen dat jullie net zo bedroefd zouden zijn als de overigen, die geen hoop hebben". (Vergelijk met deze typering van heidenen als 'mensen zonder hoop', Ef. 2,11.12.) 1 Thess. 5,6 "Laten wij dan ook niet slapen, zoals de overigen, maar wakker zijn en nuchter".
In m'n boven geciteerd artikel heb ik gesteld, dat het taaleigen van een auteur een van de voornaamste criteria is, als er gekozen moet worden tussen twee lezingen. Nu komt 'hoi polloi' ('de velen', 'de grote massa') bij Paulus nooit in een vergelijking voor, als de concordantie mij niet bedriegt.
Waar hij 'de velen' bezigt, is er bovendien niet alleen van een tegenstelling sprake tussen 'de velen' en 'de ene', maar ressorteren 'de velen' ook onder 'de ene', als afstammelingen onder hun stamvader (Rm. 5,15.19; zo ook 1 Cor. 10,33, vgl. 4,15) of als leden onder het lichaam (Rm. 12,5; 1 Cor.
10,17). En dat is hier in 2 Cor. 2,17 bepaald niet het geval. Bovendien is elders waar Paulus zichzelf vergelijkt met de overige apostelen, aan wie het EC hier waarschijnlijk heeft gedacht, dat woord 'apostelen' door hem toegevoegd (1 Cor. 9,5).
Waar nu daarentegen de wending 'zoals de overigen' in Paulus' spraakgebruik min of meer stereotiep blijkt te zijn, wanneer hij de christelijke levenshouding vergelijkt met de heidense", daar verdient m.i. in 2 Cor. 2,17 de lezing van p.46 duidelijk de voorkeur boven die welke de bewerkers van Nestle-Aland hebben gekozen.
Paulus weet, dat er ook onder de nietchristenen - bij Joden zowel als heidenen; vgl. voor de eersten b.V. Hd.
13,6; 19,13 - rondtrekkende leraars zijn (rhetoren, filosofen, genezers e.d.) die hun boodschap" aan den man proberen te brengen, zonder dat ze zich er al te druk over maken, of wat zij den mensen aan baat daarvan voorspiegelen, nu ook echt gegarandeerd is.
Hij daarentegen kan met de hand op het hart verklaren, dat de boodschap die hij brengt echt is wat hij ervan beweert: een kracht van God tot behoud (Rm. 1,167).

Noten:
1. Het door NBG hier tweemaal onvertaald gelaten 'hoos' ('als') is inderdaad op plaatsen als deze wat moeilijk weer te geven. Het geeft m.i. aan, dat de na dit woord volgende bepaling een hoedanigheid aangeeft die naar voren treedt; een eigenschap waarin Iemand oJ Iets zich presenteert. 1k denk, dat dit ook de bedoeling van het bewuste woord is in het bekende Opb. 5,6 "ik zag een lam staan als geslacht". Het was het lam aan te zien, dat het geslacht was; die hoedanigheid trad naar voren. Ook daar zou de vertaling 'kennelijk' m.i. bruikbaar zijn: "ik zag een lam staan; het was kennelijk geslacht".
2. Dat christenen zich achteraf schamen voor wat ze eertijds als heidenen deden, zegt Paulus ook in Rm. 6,21.
3. Opbouw,Jrg. 37, blz. 431, kol. 1.
4. Bruce M. Metzger, A Textual Commentary on the Greek New Testament, United Bible Socletles, 1971.
5. Men zou geneigd zijn te denken, dat het taalgebruik van dengene die in Lc.
11,2 de toevoeging in D op zijn geweten heeft, door Paulus is beïnvloed.
6. De vergelijking tussen Paulus en de niet-christelijke 'leraars' beperkt zich uiteraard tot het uüdragen van een boodschap ('logos'). Bij de niet-christenen is dat niet, zoals wèl bij Paulus, de boodschap van God.
7. Men lette erop, dat Paulus ook hier het 'zich ergens (niet) voor schamen' naar voren haalt. Zie hierboven, noot 2.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief