Over de val van Israëls eerste koning
1996-09-06
Hoe is het mogelijk dat Samuël in ons tekstvers al van ‘een ander’ als koning spreekt, terwijl hij daar volgens 15: 35, 16:1 niets van blijkt te (willen) weten?- Jaargang 40
- nummer 18
Slachtoffers
Veel mensen zien koning Saul in 1 Sam 13 als het slachtoffer. Ook het hoofdstuk zelf is echter 'slachtoffer', nl. van de uitleggers die zeggen dat de schrijver er toch maar een rommeltje van maakt.
Immers, volgens de gangbare verklaring en vertaling spreekt Samuël hier tegen Saul al van een ander, die God tot koning zal aanstellen, een man naar Gods hart. Echter, blijkens 15:35, 16:1 droeg Samuël leed over Saul. Jahwe moet nadrukkelijk Samuëls bezwaren overwinnen eer deze bereid is naar 8etlehem te gaan om David te zalven. Merkwaardig toch: de Samuël die in 13:14b vlot spreekt van een andere koning, blijkt verderop van niets te (willen) weten. Nu kan een boek best 'oneffenheden' hebben b.v. als gevolg van bronnen die de schrijver gebruikte. Hier blijft de vraag hoe iemand die toch bepaald wel schrijven kon, déze grote tegenstrijdigheid in zijn verhaal over het hoofd kan hebben gezien. Of, IS er helemaal geen tegenstrijdigheid?
De zaak is belangrijk. Want er zijn nog meer 'slachtoffers'. NI. al die gelovigen die, ten prooi aan afschuwelijke ziekte van de geest, steevast dit woord aangrijpen als 'bewijs' van hun noodlot zoals ze dat ervaren. Saul heeft volgens hen nog maar amper één fout(je) begaan of Samuël heeft het al over een andere koning! Kennelijk heeft Saul nooit ècht een kans bij God gehad. Als je geen 'mens naar Gods hart' bent, dan bèn je dat nu eenmaal niet. Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje. En dat allemaal als gevolg van de harde taal die Samuël hier volgens de gangbare vertalingen spreekt. Reden genoeg om ons af te vragen: staat er wel in 13:14b wat de vertalingen zeggen? Wat was er ook alweer gebeurd?
De Heer of de Begunstiger'?
Op zekere dag is Saul overgegaan op een klein staand leger. In geval van nood uit te breiden met onder de wapenen te roepen krijgers. Zo'n toestand doet zich voor als Jonatan de patstelling met de Filistijnen doorbreekt, en dezen dat niet op zich laten zitten. De situatie escaleert, men mobiliseert. Voor Israëls reservisten, verzameld rondom de drie vendels van Sauls legertje, wordt de toestand hachelijk. Saul zit op spelden als hij in deze situatie de voorgeschreven ontmoeting met de man Gods (10:8) afwacht. Er beginnen mensen te deserteren.
Daarom waagt Saul het, zèlf maar het brandoffer op te dragen. Naar hij zegt omdat hij 'de gunst van Jahwe nog niet heeft gezocht'. Dat verraadt hoe hij de toestand ziet: de militaire situatie duldt geen uitstel, en dus... Dat Jahwe de Héér der legerscharen is, wat b.v. nog in 11:5w Sauls vertrouwen en kracht was, lijkt hier volkomen vergeten ... Toegegeven: het is een angstig dichtbij ons liggend vergrijp waaraan Saul zich bezondigt. Een vergrijp tegen het volstrekte afhankelijk-zijn van God. Dat wat Israëls koningschap nu net maakte tot 'het àndere koningschap'. Alleen: - moest Samuël daarop nou ècht zó uitpakken?
Man naar Gods hart
Twee zaken beheersen de vertalingen, nl. 1 'een man naar Gods hart' = David, vgl. Hand 13:22; en 2 met het voegwoord kf (vert. 'omdat') is de reden van Sauls vervanging genoemd.
M.i. is op allebei af te dingen. Wat 1 betreft, 'man naar Gods hart' was toen (nog) niet een op één persoon (David) gefixeerde uitdrukking. Wanneer is iemand een man (of vrouw) naar Gods hart? Psalm 147:1Ovzegt het helder: 'Jahwe heeft geen welgevallen aan de kracht van het paard, noch behagen in de benen van de man; Jahwe heeft welbehagen in wie ontzag voor Hem hebben, en het van Zijn goedertierenheid verwachten'. Als zo'n man was Saul begonnen. Een man die zich nauwelijks raad wist met de waardigheid die Jahwe hem op de schouders legde. Een grote, verlegen man, die zich op de dag van zijn uitroeping als vorst verstopte. Die op diezelfde dag door de aan hem geschonken Geest van Jahwe de wijsheid opbracht geen aandacht te schenken aan broeders die hem verachtten. Die kon afwachten de tijd door Jahwe bepaald. Maar die tóen ook zonder aarzeling de vijand bij Jabes in Gilead op het lijf viel en versloeg! Iemand die het met het opperbevel van de goede God werkelijk waagde. Zo 10:22v, 10:27, 11:5 e.v. Maar dat betekent dat we in 13:14 een Saul zien, die bijna letterlijk van zijn begin-geloof is afgevallen.
Samuël: toorn of ontzetting'?
Ik meen nu, dat vss 13/14 ons laten zien dè conclusie van ontzet1ingdie Samuël uit dit gebeuren trekt. Hij beseft dat Sauls negeren van Jahwe's uitgesproken opdracht juist inzake zijn afhankelijkheid als Gods gezalfde, nooit een kleinigheid kan zijn. Het staat er nog levendiger dan wij denken. Samuël zegt: 'Voorwaar, nu had Jahwe uw koningschap over Israël voorgoed bevestigd, en nu kan uw koningschap niet bestendig zijn'. Over tragédie gesproken! En hoe gaat hij dan verder? Met het uiten van diezelfde verbijstering. Aldus: 'Jahwe had Zich (nog wel) een man naar Zijn hart uitgezocht'. NI. de verlegen, maar door Gods Geest geleide Saul, die nu zo totaal veranderd blijkt! Van een andere koning is nog helemaal geen sprake...
'Omdat' of 'dat toch!''?
Het laatste zinsdeel van vs 14 wordt ingeleid met het voegwoord kt. Prof. Lettinga leerde ons destijds enthousiast de grondbetekenis van zulke woordjes. Ki' is 'hoe zeer het waar is dat'. Zo kan het een conjunctie tot stand brengen als 'want', 'omdat', 'ookal'. Maar ook rechtstreeks in een uitroep gebruikt worden als 'dat toch!', 'hoe!' M.i. is het laatste hier het geval, en voegt Samuël zijn vorst Saul toe: 'Dat u toch niet in acht nam wat Jahwe u bevolen heeft!' Als dit juist is, heeft dat gevolgen voor alle 'slachtoffers'. Ook kunnen we niet volhouden dat Saul alleen slachtoffer was. Dat wás hij, maar wel van zijn eigen afwijken van Jahwe; hij dorst de volstrekte afhankelijkheid van God niet meer aan. Een 'ontzettende' keuze, - en ook niet ver van uw en mijn bed.