Huizen van barmhartigheid (2)

1996-09-06
  • Jaargang 40
  • nummer 18
In de vorige aflevering werd geschreven over opwekkingsbewegingen in Nederland in de 19e eeuw. Deze bewegingen betekenen een grote stimulans voor het christelijk sociaal werk. Eén van de drijvende krachten achter dit werk was Ds. Mr. Dr. Willem van den Bergh. Hij ontwikkelde plannen om te komen tot ‘een gesticht voor idiote kinderen’.

In Nederland kende men in 1890 nog geen leefgemeenschap die bedoeld was voor de zorg voor verstandelijk gehandicapten. Vaak woonden ze samen met psychiatrische patiënten, alcoholisten en verwaarloosde kinderen en volwassenen binnen één instelling. Wel bestond er inmiddels in Den Haag een kostschool voor zwakzinnigen.
Het kostte Van den Berg veel moeite om de Gereformeerde diaconieën te overtuigen van de noodzaak tot hulp aan 'idiote kinderen'. Was deze zorg bijvoorbeeld wel een taak voor de kerk? Organisatorisch gezien was het moeilijk om de zorg in de praktijk gestalte te geven: het ging immers om een nieuw initiatief. Opmerkelijk was daarbij de visie dat Van de Bergh van mening was dat de zorg voor verstandelijk gehandicapten in een breder perspectief moest worden gezien: het bestrijden van de moeilijke maatschappelijke omstandigheden die (mede) leidden tot de 'noodzaak om iets te doen voor verstandelijk gehandicapten. De inspiratie voor de praktijk van deze zorg deed Van den Bergh op tijdens een aantal reizen naar Duitsland. Daar bestond een groot aantal kerkelijke instellingen voor o.a. 'verwaarloosde kinderen', maar ook voor 'doofstomme' en zwakzinnige kinderen.
Met deze kennis van de praktijk voerde Van den Bergh in Nederland een warm pleidooi om de diaconieën van zijn Gereformeerde kerk ervan te overtuigen dat het een taak van de kerk was om zorg te dragen voor mensen die niet voor zichzelf op konden komen. Tijdens de eerste provinciale diaconale vergadering van de Gereformeerde Kerken in Gelderland (onder voorzitterschap van Ds. Van den Bergh) werd een collecte gehouden 'voor een provinciaal gesticht voor idiote kinderen'. De oprichters gingen, volgens dr. Jak, behoedzaam te werk. Men liet zich uitgebreid voorlichten aan de hand van 'voorbeelden' in het buitenland. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er veel overeenkomsten zijn aan te wijzen tussen de instelling 's HeerenLoo in Ermelo en de zgn. Alsterdorfer Anstalten in Duitsland. De praktijk van de zorg voor verstandelijk gehandicapten in Nederland heeft Van den Bergh zelf echter niet meer met eigen ogen kunnen aanschouwen.

's HeerenLoo-Loozenoord
In 1891 werd de eerste instelling van de Vereniging 'sHeerenLoo geopend; de ook nu nog bestaande leefgemeenschap ’s HeerenLoo - Loozenoord in Ermelo. Men nam kinderen uit heel Nederland op. Sommigen waren thuis onhandelbaar, anderen werden in hun woonomgeving voortdurend geplaagd, de woonomgeving was niet ingesteld op de zorg voor een verstandelijk gehandicapte, er was sprake van medische complicaties (vooral: aandoeningen van de luchtwegen, epilepsie), van verwaarlozing. Sommige beschrijvingen zijn zo nauwgezet dat we (met de huidige kennis van zaken) achteraf een (kinderpsychiatrische) diagnose kunnen stellen.
Hoe zag die zorg er in de eerste jaren uit? Wie oude foto's ziet of manuscripten leest, heeft de neiging om er meewarig over te doen. Wat ouderwets is dat allemaal, wat achterhaald! Wie echter dieper in de geschiedenis duikt, zal ontdekken dat er met de beperkte middelen van die tijd veel goeds werd verricht. Sterker nog; we komen ideeën tegen die in onze tijd nog altijd actueel zijn. Het bestuur van de Vereniging zag 's HeerenLoo als een pedagogisch behandelingstehuis. Men werkte met een gericht doel. Het ging daarbij niet alleen om verzorging, maar ook om opvoeding. Uiteraard werd dit pedagogische klimaat mede beïnvloed door het feit dat men vooral jonge kinderen opnam. Volgens de eerste geneesheer-
directeur, dokter Fokko Kortlang, behoorden de maaltijden de beste momenten van de dag te zijn. Men probeerde het eten sfeervol te laten verlopen, waarbij men steevast pogingen deed om een gesprekje met de bewoners aan te gaan. Ook het in bad gaan vormde een vast ritueel. Een goede beweging en goede verzorging zouden ten goede komen aan het algemeen welbevinden. De sfeer moest fris, licht en helder zijn. Lichamelijke kastijdingen van patiënten mochten in geen geval plaats hebben, evenmin als het vastbinden van bewoners. Voor het personeel werd het volgen van een 3-jarige cursus verplicht gesteld.

Een eeuw later: het sociale klimaat
Ruim 100 jaar later kijken we nog eens terug naar de droevige omstandigheden die het noodzakelijk maakten dat er door christenen hulp geboden werd. Wat opvalt is dat de situatie aan het eind van de 20e eeuw steeds meer gelijkenis gaat vertonen met de omstandigheden aan het eind van de 1ge eeuw. In Nederland is deze overeenkomst nog niet zo sterk, maar wie bijvoorbeeld op de hoogte is van de bezuinigingen op de sociale zorg in de Verenigde Staten ziet dat daar een groeiende groep inwoners buiten de samenleving is geraakt. Vooral in de sociaal ontwortelde miljoenensteden ontstaan ghetto's. En juist in deze grote steden zien we (naast de voortschrijdende ontkerkelijking) groeiende kerken die zich het lot van deze allerarmsten aantrekken. Pieter van Kampen heeft hier al het een en ander over geschreven gepubliceerd.
Dichter bij huis zien we dat ook de kerken in óns land (maar vooral opnieuw: bewogen christenen uit verschillende kerken) het als hun taak zien om daadwerkelijk hulp te bieden aan mensen die aan de rand van de samenleving functioneren. Het zijn lichtpuntjes van hoop; diaconale projecten waarbij christenen zich inzetten voor mensen die in bijzonder moeilijke omstandigheden verkeren. Iedereen die de aanvragen bij de kerkelijke diaconieën kent of die de kerkelijke pers (zoals 'Opbouw') leest, kan op de hoogte zijn van deze bemoedigende projecten.

Een eeuw later: de zorg en het onderwijs
Wie in oude herdenkingsboeken over de zorg voor verstandelijk gehandicapten en psychiatrische patiënten bladert, ziet parallellen met de huidige zorg in de landen in Oost-Europa. Weeskinderen, verwaarloosde kinderen en verstandelijk gehandicapten, samen in één tehuis, vaak in uniforme kleding, gefotografeerd in schoolbanken. Die plaatjes komen we in Nederland nauwelijks meer tegen. Gelukkig is de zorg voor verstandelijk gehandicapten sterk veranderd (en nog steeds in beweging). Toch moeten we niet 'meewarig doen' over de zorg van vroeger: met beperkte middelen werd er veel goeds verricht en dat soms met een opmerkelijk moderne visie.
Zo is het al dan niet verantwoord zijn van het gebruik van dwangmiddelen (zoals het vastzetten en opsluiten van bewoners) nog altijd een thema dat veel aandacht vraagt. Ook het belang van lichaamsbeweging en van een goede sfeer aan tafel zijn onderwerpen die steeds weer besproken moeten worden. Wat het onderwijs betreft zijn er ook opvallende gelijkenissen tussen het einde van de 1ge eeuwen onze tijd. Zo probeerden de mensen van het Reveil de school een tegenwicht te laten zijn tegen de slechte omstandigheden in de wijken en in de gezinnen.
Nu roept de politiek dat de school tot taak heeft de kinderen normen en waarden bij te brengen. Kennelijk raakt de samenleving opnieuw ontwricht en biedt het gezin (helaas) volstrekt onvoldoende tegenwicht tegen deze ontwikkeling.

Gevolg van een opwekkingsbeweging?
Or. Jak schrijft dat de christelijke opwekkingsbeweging in de 1ge eeuw een belangrijke aanzet heeft gegeven voor de sociale zorg in Nederland. Is dat niet wat overdreven? Tegenstanders van christelijke sociale zorg zullen naar voren kunnen brengen dat de kerken in die tijd één van de weinige maatschappelijk bestaande kaders vormden van waaruit de zorg georganiseerd kon worden. Daar tegenover kan worden gesteld dat de opwekkingsbewegingen niet direct kerkelijk gebonden waren, maar (net zoals bv. de Evangelische Alliantie in onze tijd) hun wortels vonden bij personen die elkaar gevonden hadden in hun verlangen naar een opwekking in Nederland. Bovendien ging het vaak om nieuwe initiatieven. Pas later werden kerkelijke diaconieën weer meer ingeschakeld.

De geschiedenis herhaalt zich
Dr. Jak heeft een boeiend boek geschreven. Hij heeft gebruik kunnen maken van een schat aan informatie (omdat in onze tijd de telefoon het geschreven woord in belangrijke mate heeft vervangen, zal het moeilijker worden om later zo gedocumenteerd geschiedschrijving over onze tijd te plegen). 'Huizen van barmhartigheid' is allereerst een historisch document. De geschiedenis lijkt zich echter te herhalen. Daarom is het boek niet alleen historisch, maar ook actueel.
De dreiging van een tweedeling in de maatschappij, met de daarmee gepaard gaande ontworteling, is een verdrietige zaak. Als christenen hierdoor hun diaconale taak beter gaan verstaan is dat echter een verblijdend gegeven. De vroegchristelijke kerk en de kerk in de tse eeuw werden geestelijk rijker door het samengaan van een intensieve bestudering van de bijbel en het bieden van hulp aan de armen. Ook de kerk in onze tijd kan, door Woord en daad tastbaar samen te laten gaan, geestelijk groeien.

N.a.v.: Dr. Theo Jak, Huizen van Bannhartigheid. Uitgegeven in de serie Monografieën van de Vereniging 's HeerenLoo. Omvang: 290 bladzijden (waarvan 40 pagina's aan noten); prijs: f 24,50, inclusief porto. Te bestellen bij: Stichting Zorgverlening 'sHeerenLoo, Postbus 647, 3800 AP Amersfoort, (033)-4601801

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief