De oorsprong van het kwaad

1996-09-06
  • Jaargang 40
  • nummer 18
Er was eens een haas die wilde weten waar het kwaad vandaan komt. Hij had een boel ellende gezien en dat had hem aan het denken gezet. Hij liep en liep en liep, totdat hij een olifant tegenkwam. “Als iemand weet waar het kwaad vandaan komt, dan weet hij het”, dacht de haas, “die kolos kan volgens mij veel kwaad doen, en doet dat ook regelmatig, als ik mij niet vergis.”

"Pardon?", vroeg de haas en klopte aan de poot van de olifant. "Ja?", klonk een verbaasd antwoord van boven. "Meneer, kunt u mij zeggen waar het kwaad vandaan komt?", vroeg de haas beleefd. Nu was de olifant waarlijk van zijn stuk, zozeer dat hij door zijn voorpoten zakte om de haas eens goed te bekijken. "Wat bedoel je eigenlijk?", vroeg hij toen.
"En waarom wil je het weten?" De haas begon snel en zenuwachtig te praten. Tot zijn eigen verbazing hoorde hij zichzelf vertellen over de dood van vele van zijn broertjes en zusjes, over de bosbrand waarvoor hij eens had moeten wegvluchten, over de knal die zijn vader van haasje de voorste tot ovengerecht had gemaakt. De haas praatte en praatte, terwijl hij toch helemaal geen prater was ... , dacht hij. De olifant luisterde, terwijl hij toch helemaal niet zo'n luisteraar was ..., dacht hij. Toen de haas eindelijk ophield met praten, omdat er teveel tranen achter in zijn keel zaten, wist de olifant precies wat de haas zocht en waarom hij zocht. Hij begreep het probleem volkomen, sterker nog: hij had het probleem ineens ook. "Lieve haas, ik snap je", zei de olifant na een lange stilte. "Ik kan je geen antwoord geven, maar ik wil het ook weten. Ik ga met je mee. Twee weten meer dan een." Dat was mooi. De haas had nog niet gevonden wat hij zocht, maar toch was er iets veranderd. Het probleem was niet opgelost maar verdubbeld en toch was de haas zijn probleem kwijt, de olifant had het overgenomen en de haas nam dat van de olifant over en het is toch gemakkelijker om met het probleem van een ander rond te lopen, dan met dat van jezelf. Bovendien is het een grote troost, zo'n gemeenschappelijk bezit.

Samen gingen ze op weg. Ze liepen en liepen en liepen tot de olifant plots leek te verstarren. De haas keek vragend naar hem op. De olifant gebaarde voorzichtig met zijn slurf en toen zag de haas het ook: een mens.
Een mens met een geweer. De loop van het geweer wees naar een groepje gazellen die nietsvermoedend stonden te grazen. De haas werd koud en heet tegelijk en knikte heftig. Kijk, daar had je de oorsprong van het kwaad. Hij had het kunnen weten. Zo was hij immers ook zijn lieve vader kwijtgeraakt. "Dat is hem. Daar zoeken we naar", gebaarde hij naar de olifant.
De olifant trilde van ingehouden spanning en, ja warempel, van vreugde. "Kleinigheid", gebaarde hij naar de haas.
"Zal ik de oorsprong van het kwaad de grond instampen? Dan zijn we daarvan af." "Ja", jou schieten en voor mamma. Maar hoe kom jij hier?" Het werkte niet, dat antwoord en toen die vraag weer, want het kind schrok zo van het antwoord dat het in tranen uitbarstte en met zijn voetje stampte en gilde: "Ik eet nooit meer vlees, nooit meer, nooit meer, nooit meer. Ik eet nooit meer, helemaal niks nooit." De vader schoof het geweer naar zijn schouder, pakte het kleine ventje van de grond en drukte het stijf tegen zijn grote borst. Hij kuste hem en streelde hem tot het huilen en schreeuwen ophield en nog hield de man zijn kind stijf tegen zich aan. "Ben je me achterna geslopen?", vroeg hij toen zacht, want hij wilde het toch weten. Het kleine mannetje knikte zwijgend. De vader schudde zijn hoofd en fronste zijn wenkbrauwen. Hij dacht gebaarde de haas driftig en het zou allemaal bloederig en onbevredigend zijn afgelopen als er niet, juist op dat moment, iets onverwachts was gebeurd. Het struikgewas ritselde en een klein mensje kwam tevoorschijn. "Pappa, pappa!" schreeuwde hij zo hard hij kon met zijn kleine mensenstemmetje. De gazellen sprongen er meteen vandoor, maar het leek of de man nog erger schrok dan zij. "Wat doe jij hier?", riep hij met een stem die donderde en bibberde tegelijk. Hij klemde het geweer tegen zich aan, met de loop naar de grond, alsof hij het wilde beletten om weg te lopen. "Pappa, je wou toch niet echt schieten he?", vroeg het jochie. "Wat doe jij hier?", vroeg de man. "Je wou toch niet echt schieten he?", vroeg het kind. Kinderen kunnen hun vraag langer vasthouden dan volwassenen, dus gaf de man maar eerst antwoord.
"Lieve knul," zei hij, "jij vindt vlees toch ook lekker. Ik wou lekker vlees voor jou schieten en voor mamma. Maar hoe kom jij hier?" Het werkte niet, dat antwoord en toen die vraag weer, want het kind schrok zo van het antwoord dat het in tranen uitbarstte en met zijn voetje stampte en gilde: "Ik eet nooit meer vlees, nooit meer, nooit meer, nooit meer. Ik eet nooit meer, helemaal niks nooit." De vader schoof het geweer naar zijn schouder, pakte het kleine ventje van de grond en drukte het stijf tegen zijn grote borst. Hij kuste hem en streelde hem tot het huilen en schreeuwen ophield en nog hield de man zijn kind stijf tegen zich aan. "Ben je me achterna geslopen?", vroeg hij toen zacht, want hij wilde het toch weten. Het kleine mannetje knikte zwijgend. De vader schudde zijn hoofd en fronste zijn wenkbrauwen. Hij dacht waarschijnlijk aan dat grote geweer en aan zijn kleine lieve mannetje.
Het was zo'n ontroerend gezicht: die gevaarlijke grote man en dat kleine kind, dat de haas tranen langs zijn snuit voelde lopen. Per slot kwam ook de herinnering aan zijn eigen vader boven. "Dat is ook wat", bromde de olifant, toen de jager met het kind in zijn armen in het struikgewas was verdwenen, "gelukkig dat ik hem niet in elkaar heb gestampt zeg. Stel je voor dat dat kind dan tevoorschijn was gekomen. Ik had me dood geschaamd. Je stampt makkelijker iets de grond in dan dat je het eruit stampt, als je begrijpt wat ik bedoel." Toen moest de haas opeens hardop huilen en hij wist niet of het was omdat hij moest denken aan zijn eigen vader, of omdat hij verdrietig was omdat ze nu toch de oorsprong van het kwaad niet gevonden hadden, of omdat hij zo opgelucht was dat er niks was gestampt met zijn toestemming. Waarschijnlijk was het van alles wat.

Verslagen stonden ze samen een tijdje stil, in gedachten verzonken. Toen hief de olifant voorzichtig zijn slurf in de hoogte. Gelukkig dat die niet vol tranen zat, want nu rook hij onraad, terwijl de haas in zichzelf verzonken zat te snotteren. "Hou op," zei hij kordaat, "ik ruik vuur. Geen tijd voor sentimentaliteiten. Wegwezen." De haas was ineens een en al haas. Vrijwel op dat moment kwamen ook de eerste vluchtende dieren al hun kant op. De haas draaide zich om en koos het hazenpad en ook de olifant zette het op een hollen. Het werd een wilde paniektocht, waarbij van alles en iedereen onder de voet werd gelopen.
Kilometers verder viel de haas neer. Hij was ver buiten het bereik van het vuur en volkomen aan het eind van zijn latijn. Maar na een hazeslaapje had hij de boel weer aardig op een rijtje. "Dat was waarschijnlijk de oorsprong van het kwaad." bedacht hij. "Het vuur. Natuurlijk. Ik had het kunnen weten." Waar is de olifant? Ik ga maar eens op zoek. Ondertussen was de olifant op zoek naar de haas, maar uiteraard was het haas die de olifant vond. (Ik ga niet uitleggen waarom, als je dat niet snapt, is dit verhaaltje niet aan je besteed.) "Daar had je de oorsprong van het kwaad", zei de haas, zelfs zonder te groeten. "Werkelijk?" zei de olifant. "Denk je dat echt?" "Tuurlijk", zei de haas, "had je niet wat kunnen doen?
Uittrappen b.v. of blussen met die grote brandweerslang van je?" "Ik eh bbb", stotterde de olifant verward en de haas begon zich geweldig op te winden. "Ik zag bovendien," wreef hij de arme olifant ook nog in de oren, "ik zag dat je een paar dieren omver liep. Die zijn waarschijnlijk levend verbrand."
"Wat?", trompetterde de olifant, "En dat zeg je me nu pas? Wat heb jij gedaan om die dieren te redden?"
De haas verloor in een klap al zijn ergernis. .Oeioeioei", jammerde hij, "je hebt gelijk. Ik was bang, ik heb alleen aan mezelf gedacht." "Ja", zei de olifant beteuterd, "ik was in paniek en ik loop met mijn lompe poten toch al zo gemakkelijk overal overheen. Wat een ellende."

Ze zwegen een tijdlang verslagen. "Ik krijg opeens een vreemde gedachte", zei de haas. "Ik luister", zei de olifant.
"Nou", legde de haas uit, "die man hè, die jager, die wou niks kwaads. Hij wou vlees voor zijn kleine jongetje, maar het had wel bijna het leven van een gazelle gekost. En wij wilden ook niks kwaads, maar we hebben wel een heleboel vernield en we hebben niemand geholpen, ik omdat ik bang was en jij omdat je zo groot bent."
"Juist", zei de olifant, "dat is inderdaad een vreemde gedachte." "Het is nog gekker", hernam de haas, "het zou wel eens kunnen dat we nu toch de oorsprong van het kwaad op het spoor zijn." "Het vuur?", vroeg de olifant.
"Nee, mijn angst", zei de haas. De olifant was perplex en keek naar de haas of er nog iets kwam, maar er kwam niks meer. "Je wilt toch niet zeggen ....", vroeg de olifant toen, "je bedoelt toch niet dat ik nou jou in elkaar moet stampen? Nee toch?"
"Ben je helemaal mal", schrok de haas. "Als je dat maar uit je lompe kop laat. Het zal je niks helpen ook, want je kunt jezelf niet in elkaar stampen en de oorsprong van het kwaad ligt ook in jou, in jouw paniek en jouw lompheid."
"O?", zei de olifant en keek naar de haas. Maar die zei niks meer. Toen ging hij zelf nadenken en na een lange stilte was ook deze gedachte van de haas in het olifantenhoofd verdubbeld. "Ik weet niet of ik dit een leuke ontdekking vind", zei de olifant na een lange stilte. "Het is een heel akelige ontdekking", zei de haas. "Het betekent dat de oorsprong van het kwaad in onszelf zit en dat we er dus niet meer van weg kunnen lopen hoe hard we ook rennen."

Het was heel, heel lang stil. Een verdrietige stilte. "Nu hebben we dus niks meer te zoeken", zei de olifant ten langen leste moedeloos. "Toch wei", zei de haas en veerde opeens op, "De oplossing." "Wat?", vroeg de olifant.
"We hebben nu de oorsprong van het kwaad gevonden, nu de oplossing nog." Ja, daar zat wat in.
"Waar gaan we beginnen?", vroeg de olifant, die nu werkelijk helemaal geen idee had waar hij naar uit moest kijken, maar stiekempjes al meer onder de indruk kwam van de inzichten van de haas. "Ik heb zo'n idee dat we weer bij een mens moeten wezen", mijmerde de haas. De olifant trok zijn wenkbrauwen op.
"Denk je?", vroeg hij, "Volgens mij draagt de mens nog meer van de oorsprong van het kwaad bij zich dan jij en ik bij elkaar. Denk eens aan dat geweer en het zou me niet verbazen als hij ook iets met het vuur te maken had." "Daarom", legde de haas uit, "Misschien liggen oorsprong en oplossing dicht bij elkaar. Dat zie je wel vaker in de natuur. Ja toch?" "Misschien", mompelde de olifant, nog niet helemaal overtuigd. "Ik hoop het maar", zei de haas, nu meer tegen zichzelf dan tegen zijn vriend, "dan ligt de oplossing ook dicht bij mijn hazenhart."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief