Geloof in Christus en euthanasie (1)

1996-03-22
  • Jaargang 40
  • nummer 6
Vorig jaar besteedde NOVA ruime aandacht aan het onderwerp euthanasie. Ook het verlangen naar euthanasie vanwege ouderdomsmoeite kwam aan de orde. Enkele oude vrouwen werden aan het woord gelaten. In dat gesprek werd pijnlijk duidelijk hoe groot de last van het leven voor hen was. Gesproken werd over de eenzaamheid vanwege het wegvallen van geliefden, over het kleiner worden van gezichtvermogen, verminderd gehoor, gebrek aan mobiliteit, incontinentie, pijnlijke chronische ziekten. Gevraagd werd hoe de vrouwen over euthanasie dachten. Stuk voor stuk spraken zij zich uit voor de mogelijkheid een zachte dood te kunnen sterven. Een vrouw, die door blindheid en doofheid ernstig in haar levensgeluk was aangetast, had reeds om euthanasie verzocht. Een ander had vast laten leggen, dat zij euthanasie zou krijgen, zodra zij afhankelijk van verpleegkundige hulp zou worden.


Bejaarden vragen om euthanasie, maar ook aids- en kankerpatiënten, die de afbraak van hun lichaam niet langer kunnen of willen dragen, ook psychische patiënten, diègeen andere uitweg zien, ook ouders die het laten lijden van hun ernstig defecte, te vroeg geboren kind niet langer kunnen verantwoorden.

Achtergrond
Algemeen wordt er een oorzakelijk verband gelegd tussen deze roep om euthanasie en de mogelijkheden van de moderne medische wetenschap. Onze levensverwachting mocht enorm toenemen, maar tegelijk kan het moment waarop de dood intreedt bijna eindeloos opgerekt worden. De Haarlemse psychiater B.E. Chabot noemt de ontdekking van de penicilline het markeringspunt van deze ontwikkeling. Hij schreef: "Bejaarden, kanker- en aids-patiënten sterven in meerderheid na een langdurig ziekbed, waarin sneldodende oorzaken zoals longontsteking, hartinfarct, hersenbloeding, of ziekten van andere vitale organen veelal omgebogen kunnen worden tot jaren verder leven met dezelfde, of meer handicaps. Dat was vijftig jaar geleden anders. Wie destijds kanker had of oud was en getroffen werd door een van de snelle doders, kon erop rekenen binnen enkele dagen uit zijn lijden verlost te zijn.,,1 Dat deze voorstelling van zaken minimaal een kem van waarheid bevat, wil ik op geen enkele manier in twijfel trekken. En evenmin dat er hierdoor onontkoombaar uiterst moeilijke dilemma's en vragen, waarmee we vroeger zo niet geconfronteerd werden, op ons afkomen. We hoeven alleen maar te denken aan de bezinning die vorig jaar in Opbouw gevoerd werd i.v.m. het levensverlengend handelen bij pasqeborenerr', Of je nu gelovig bent of niet, christen of nietchristen, allemaal hebben of krijgen we direct of indirect, vroeg of laat te maken met onvoorstelbaar moeilijke beslissingen die genomen moeten worden. Ook al ben je ~ zoals ook ik - van mening, dat het werkelijk verschil maakt of je een mens laat sterven door een behandeling te staken of door een behandeling uit te voeren", dan nog rijst de vraag naar de criteria die je hebt om die beslissing te nemen.

Niet het complete beeld
Toch geloof ik niet dat de opkomst van euthanasie uitsluitend een gevolg is van technische ontwikkelingen. Letten op de moeite van de ouderdom, bijvoorbeeld, dan geloof ik niet dat de last van de ouderdom - en die is groot - nu op zich 'zwaarder is dan vroeger. Door de sterk gestegen levensverwachting is het probleem wel vanuit quantitatief oogpunt toegenomen, maar niet vanuit qualitatief oogpunt. Siaan we de Bijbel op, nu even alleen als bron van kennis van het verleden, dan blijkt de moeite van de ouderdom van alle tijden te zijn.
Ook toen konden mensen oud, tot zeer oud worden. Psalm 90 meldt, klaarblijkelijk een feit constaterend: "De dagen onzer jaren, daarin zijri zeventig jaren, en, indien wij sterk zijn, tachtig jaren."
Ongetwijfeld werden er in die tijd minder mensen tachtig danteqenwoordiq, maar het moeten er nog genoeg geweest zijn. Van de hogepriester Eli lezen we: Eli nu was achtennegentig jaar oud en zijn ogen stonden star, zodat hij niet meer kon zien (1 Sam. 4:15). En van de profetes Hanna weten we, dat zij ongeveer vierentachtig jaar oud was (Luk. 2:37). En hoe onnoemelijk zwaar de last van de ouderdom ook toen was, wordt geschetst in een van de meest aangrijpende tekeningen van de ouderdom die de wereldliteratuur kent, Pred. 12:1-7; ... op de dag dat de wachters van het huis beven en de sterke mannen zich krommen, en de maalsters ophouden omdat haar aantal gering geworden is, en zij die uit de vensters zien hun glans verliezen, en de deuren naar de straat gesloten worden; als het geluid van de molen verzwakt, en de stem hoog wordt als die van een vogel en alle tonen gedempt worden; op de dag dat men ook vreest voor de hoogte, en er verschrikkingen op de weg zijn, de amandelboom bloeit, de sprinkhaan zich voortsleept en de kapperbes niet meer helpt.. .. Ook toen zei men van deze dagen: Ik heb daarin geen behagen (12:1). Ook komen we via de Schriften in aanraking met slopende ziekten, waaraan mensen uitziehtsloos lijden. Een man is zo volstrekt verlamd, dat hij door vier vrienden gedragen moet worden. Een vrouw lijdt al jaren aan bloedvloeiingen en is ten gevolge daarvan in een totaal isolement terecht gekomen. En hoezeer ook toen de mensen geleden hebben onder hun ziekte of handicap moge blijken uit het wanhopige geroep van Bartimeüs: Zoon van David, heb medelijden met mij!! Wanneer we deze tekeningen van de hoogbejaarde en ernstig lijdende mens op ons in laten werken, moeten we wel tot de conclusie komen dat het verhaal van Chabot, als zou het verschil tussen toen en nu vooral de afwezigheid van 'snelle doders' zijn, niet compleet is. De opkomst van euthanasie in onze samenleving laat zich er slechts ten dele uit verklaren. Niet de mate waarin wij lijden is veranderd, die kon vroeger net zo groot zijn, niet de beleving van het lijden is veranderd, die was zeker zo intens, maar de omgang met het lijden. Aan de wens tot euthanasie gaat een bepaalde omgang met het lijden vooraf.

Religieuze oorzaak.
Het is in dit verband, dat ik iets wil vertellen over de wijze waarop een hoogbejaarde vrouw - ze werd ouder dan de hogepriester Eli - haar last droeg. Het bovenstaande fragment van Pred. 12:3-7 was in haar helemaal bewaarheid geworden. Uiterst breekbaar was ze geworden, om haar botten zat meer vel dan vlees. Haar gezichtsvermogen was zo achteruitgegaan, dat ze bijna blind was, horen deed ze haast niet meer.
Haar kamertje in het bejaardentehuis kwam ze vrijwel niet meer uit. Ze leed aan kanker. Heel langzaam doofde haar levensvlam uit. En toch aanvaardde zij de last van de ouderdom, niet gelaten of klagerig, maar eenvoudig en geduldig. "Ik heb hier niet om gevraagd", zei ze, "van mij hoeft het ook niet, maar ook dit gaat niet buiten de HEERE om." Ik mocht haar pastor zijn. Ook zou ik iets kunnen vertellen van een broeder die ik heb leren kennen en wiens lichaam stukje bij beetje door de kanker gesloopt werd, maar die - zolang hij leefde - de HERE bleef bezingen in zijn lied, ook toen hij geen stem meer had om te zingen. Wat me bij deze broeder en zuster ontzettend heeft getroffen - en het treft me keer op keer dat ik het mee mag maken, ook bij vele anderen - is de kracht van het geloof, en ook het wonder van Gods nabijheid in het lijden. Mensen kunnen, na soms heel veel strijd, een vrede ontvangen, die het verstand te boven gaat.
Het is een vrede waarvan ik hoop en bid dat ik hem ontvangen mag mocht het ooit zover komen. Maar waar het me in dit verband om gaat, is dat de opkomst van euthanasie niet alleen een medische, maar ook een religieuze oorzaak heeft. Er ligt ook een verband met het verdwijnen van het geloofsperspectief, ja, het niet meer in geloof kunnen terugvallen op de HERE.

Psalm. 23
De vragen waar iemand in zijn lijden mee te maken krijgt, zijn als machten waarmee hij geconfronteerd wordt.
Waaraan ontleen ik mijn waardigheid als de aftakeling en de ontluistering van mijn lichaam compleet is? Waaraan ontleent mijn leven zijn zin, als ik nergens toe in staat en alleen maar mezelf en anderen tot een last ben? Hoe kan ik het ooit opbrengen om de weg van het lijden te gaan? Waarom zou ik mijn lot niet in eigen hand nemen wanneer ik mijn lijdensweg niet (langer) kan of wil volbrengen? De moeite die achter deze vragen schuilgaat komt op gelovigen niet minder fel, scherp en pijnlijk af dan op niet-gelovigen. Maar door het geloof kan de omgang met de machten gaan verschillen. AI is het alleen maar vanwege Psalm 23, de HERE is mijn Herder. "Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij." Het maakt verschil of je zo'n woord voor ogen hebt of niet.
Het maakt verschil, zelfs als je het je nog niet eigen hebt kunnen maken, maar desondanks als richtpunt voor je hebt. Met dat ik dit schrijf besef ik, dat een arts, een jurist, een wetgever weinig met deze analyse kan. Je kunt hier in onze samenleving geen politiek mee bedrijven. Maar voor wie geloven kan het misschien een stimulans zijn, om verder na te speuren wat de betekenis van het christelijk geloof kan zijn voor de omgang met het lijden. Vanuit het geloof in Jezus Christus en die gekruisigd hoop ik dat een volgende keer te doen.

Noten
1. Trouw, 14januari 1996, pag. 19.
Ook ds. H. de Jong is deze opvatting toegedaan, zie Opbouwjrg. 38 no. 13, pag. 237.
2. Dr. H. Wierenga schreef een viertal artikelen over levensbeëindigend handelen bij pasgeborenen (Opbouw, 3ge jrg. no. 6-9), waarop door een drietal scribenten gereageerd werd (Opbouw, 39e jrg. no. 10-12, waarna dr. H. Wierenga een afsluitend artikel schreef (Opbouw, 39e Jrg. no. 13).
3. Twee punten van bovengenoemde gedachtenwisseling in Opbouw hebben een blijvende indruk op me gemaakt: ten eerste, dat alle scribenten het erover eens waren, dat te vroeg geboren kinderen niet ongeacht de consequenties behandeld moeten blijven worden. Ten tweede een - later niet door dr. H. Wierenga besproken - opmerking van prof Knol, die stelde: "Ik blYf volhouden dat er in religieus en ethisch opzicht een principieel verschU is tussen het staken van een behandeling en het beëindigen van het leven door een behandeling." (no. 12, pag. 234)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief