Hoofdprogramma

1996-03-22
  • Jaargang 40
  • nummer 6
Inleiding op het thema van deze ontmoetingsdag: '(De) weg van de kerk'

Visie voor de toekomst?
R.R. Ganzevoort

Men hoeft maar een enkel boek of artikel te lezen, een zondagmiddagdienst bij te wonen, of het bij iemand te vragen die langer dan 15 jaar meedraait in de kerk. De conclusie is bijna op voorhand duidelijk: het gaat niet goed met de kerk. Aan alle kanten zie je de leegloop plaatsvinden. Op de een of andere manier lijkt het wel of we als kerken niet in staat zijn aan te geven hoe het geloof in de Here Jezus Christus van belang kan zijn voor mensen van onze tijd.
Sommigen zitten met de handen in het haar, misschien dat er zelfs wel eens een slapeloze nacht uit voortkomt, al ben ik bang dat we zo afgestompt zijn geraakt, dat het ons te weinig doet dan dat we er onze nachtrust om zouden verliezen. Anderen zijn krampachtig bezig met het zoveelste trucje of techniekje om de jeugd (alsof alleen zij het zouden zijn die vertrekken!) vast te houden of terug te krijgen.

Diagnose
En wij? Wij Nederlands Gereformeerden lijken tot nu toe de dans enigszins te ontspringen. Tot nu toe blijft ons ledental vrij stabiel, zo rond de dertigduizend.
In gesprekken die ik daarover wel eens heb, worden als redenen genoemd de bijbelgetrouwe prediking en de positieve sfeer. Dat zou kunnen, maar ik ben bang dat er op zijn minst ook andere factoren zijn. Wie de cijfers bekijkt, bijvoorbeeld met het commentaar van ds. Storms in het informatieboekje van 1995, die ziet dat dat voor een belangrijk deel komt doordat we een geboorte-overschot hebben, waarmee de onttrekkingen worden gecompenseerd. Niet echt een reden om de toekomst zonnig tegemoet te zien. We zullen in onze kerken wel wat langer dan in andere kerken gelijk blijven in aantal, maar dat is niet direct door onze geestelijke rijkdom. Daar komt nog iets bij. Onze kerken bestaan nu bijna dertig jaar. Dat betekent - in grove lijnen - dat de kinderen die nu geboren worden door ouders worden opgevoed die zelf van meet af aan Nederlands Gereformeerd waren. Tot nu toe waren de ouders persoonlijk betrokken bij de laatste scheuring, en hebben ze toen een duidelijke keuze moeten maken. De leden van toen, de opvoeders van toen, stonden bewust voor een bepaalde zaak en een bepaalde keus.
In de nabije toekomst krijgen we te maken met de tweede generatie-problematiek: jong-volwassenen die niet anders weten dan dat ze NG zijn, en die ook aan hun kinderen wellicht minder bewust en minder radicaal dit geloof en deze kerk zullen voorhouden.
We moeten er dan ook volgens mij op rekenen dat ons veilige ledental in de komende jaren minder stabiel zal blijken.

Behandeling
Wat doen we eraan? Wat willen we er mee? Wie de stemming peilt krijgt geheel tegenstrijdige meningen te horen. Dat varieert van een uiterst conservatisme (vasthouden en bewaren van de klassieke leer, vormen en gebruiken), tot een grote openheid voor vernieuwingen (waar soms ook een gevaarlijke mate van geestelijke vrijblijvendheid in zit). De felheid waarmee deze broeders en zusters elkaar bij tijden bestoken maakt duidelijk hoezeer het ons aan het hart kan gaan, dat we wat voor ons wezenlijk is niet kunnen overbrengen aan onze kinderen of mensen om ons heen. Dat soms (te) scherpe woorden worden gebruikt is triest, maar geen reden elkaar los te laten. We staan samen voor de levensgrote vraag hoe we verder moeten. Het proces, waarin we zoeken naar een goede richting kan op verschillende manieren aan de orde worden gesteld. In dit artikeltje kies ik er twee: management en geestelijke verdieping. In handboeken voor managers wordt vaak aandacht besteed aan de vraag in welke fase van de levensloop een bedrijf of organisatie zich bevindt. Het maakt heel wat uit of dat de eerste pioniersfase is, waarin de markt wordt verkend, de explosieve groeifase, waarin de markt wordt veroverd, een fase van evenwicht, van terugloop, of van afsterven.
Afhankelijk daarvan worden andere vragen gesteld en andere doelen bepaald. Voor de fase waarin wij ons bevinden, die op de overgang van stabiel evenwicht naar terugloop ligt, komt de fundamentele vraag aan de orde wat nu eigenlijk het bestaansrecht is van de Nederlands Gereformeerde Kerken, zowel landelijk als ter plaatse. (Ten overvloede: de vraag wordt zo dadelijk nog eens theologisch aan de orde gesteld, hier bespreken we het eerst in het menselijke vlak.) In management-termen: wat is het 'mission statement' van onze kerk?
Hebben we helder voor ogen wat onze plaats is temidden van andere kerken, wat het eigene is, waar we de moeite voor doen om in het brede spectrum van kerkelijk Nederland een zelfstandige positie in te nemen? En fundamenteler nog: hebben we een helder antwoord op de vraag of (en zo ja: wat) we in deze maatschappij te bieden hebben? Laat ik het maar eens duidelijk stellen: volgens mij hebben we geen antwoord op deze vragen.
Niet alleen hebben we niet geleerd om ze in deze termen te stellen, er bestaat onder ons een koudwatervrees om zo doelgericht en beleidsmatig ons kerk-zijn te doordenken. We zwabberen en dobberen. Dat hoort ook een beetje bij onze achtergrond en geschiedenis, waar een aversie tegen al te duidelijke structuren, en een zoeken naar een evenwicht tussen orthodox en modern en tussen reformatorisch en evangelisch aan de ene kant de kracht van de Nederlands Gereformeerde kerken kan zijn, maar aan de andere kant ook onze zwakheid kan worden.
Het antwoord op deze vragen moet mijns inziens vooral gezocht worden in een geestelijke verdieping. Aantrekkingskracht heeft de kerk in de geschiedenis alleen gehad waar het duidelijk zichtbaar werd dat het leven in de relatie met de HERE een positieve uitwerking heeft op het alledaagse leven. Als anderen zien dat de gemeente leeft in en vanuit de directe ontmoeting met de Here Jezus Christus, daar haar bestaansrecht aan ontleent, en daaruit haar doel en richting bepaalt, dan kan het gebeuren dat men gaat beseften dat dit geloof de moeite waard is. Dan kunnen mensen gaan zoeken naar de betekenis van het geloof in de Here God. Dan zou er sprake kunnen zijn van bekering. Ik formuleer het maar heel voorzichtig.
Het gaat immers niet om een succesformule, maar om een levenshouding.
Ik weet dat velen onder ons dat voor zichzelf ook inderdaad zo ervaren. Er is in onze kerken bij velen sprake van een eerlijk, oprecht en doorleefd geloof, waaruit ook voor het dagelijks leven consequenties worden getrokken.
Daar wil ik niets aan afdoen. En toch denk ik dat het grote gevaar van afkalving en leegloop ook ons raakt, omdat we niet in staat zijn dat geloof, die levenshouding zo vorm te geven en uit te dragen dat anderen er warm van worden. Hoe levend en dynamisch ons geloof ook mag zijn, voor de buitenstaander zijn we een traditionalistisch clubje, waar zondag aan zondag dezelfde oude koeien uit de sloot worden gehaald. Hoe dan wel?
Hoe brengen we daar dan verandering in? Volgens mij niet door een goede preek alleen. Hoe belangrijk ook de verkondiging is, ik geloof niet dat daar het probleem ligt. Elke voorganger laat wel eens een steek vallen, maar persoonlijk ben ik er van overtuigd dat er in onze kerken schriftuurlijk, persoonlijk en praktisch gepreekt wordt (al zal dat de ene keer heus wel iets meer zijn dan de andere keer). Een nieuw preek-offensief verandert niet zoveel aan de situatie.
Naar mijn gevoel komt het er op aan dat we ons grondig bezinnen op ons beleid. Waartoe zijn we kerk in deze wereld? Wat vraagt de huidige cultuur aan vormen? Wat hebben we precies te bieden, en welke doelgroep hebben we op het oog? Zou het mogelijk zijn om kerk te zijn voor de wereld, om zo gericht te zijn op mensen die Jezus niet kennen, dat ze Hem bij ons kunnen leren kennen? Zouden we iets van bijvoorbeeld Willow Creek kunnen leren, waar men doelbewust, beleidsmatig, en diep-geestelijk gestalte geeft aan de roeping om buitenkerkelijken!
ongelovigen in contact te brengen met het evangelie?
Of, en daar ligt misschien de belangrijkste vraag: willen we dat helemaal niet? Hebben we geen visie meer voor de verkondiging van het evangelie in een duistere wereld? Beperken we onze roeping tot de ondersteuning van zendelingen die ver weg de goede boodschap brengen? Dat is wezenlijk, maar het kon wel eens een alibi zijn.
Als we erkennen dat de zendingsopdracht fundamenteel is voor het gemeente-zijn, wordt het dan geen tijd om ons eigen gemeente-zijn daarop te doordenken? Zijn onze erediensten toegankelijk voor buitenstaanders?
Begrijpen ze er iets van? Zijn onze verenigingen en activiteiten open voor gasten? Durft u nog een 'heiden' mee te nemen?
Als we op dergelijke vragen negatief moeten antwoorden, dan wordt het tijd ons te bezinnen op de vraag of Jezus Christus werkelijk zo belangrijk voor ons is. Dan wordt het tijd ons te bekeren tot Hem, die kwam om ons te redden, en niet alleen ons, maar de hele wereld. Dan wordt het tijd ons toe te wijden aan de zaak van zijn Koninkrijk.
Het gaat niet om een oordeel over personen of gemeenten. Het gaat om een vraag aan ons allemaal. Een vraag voor gemeenteleden en voor kerkeraden en predikanten. Het gaat om een vraag naar de kern van de zaak: Wie is de HERE voor ons? Hoe krijgt dat gestalte in onze levens en in onze gemeenten? Christenen werden in de eerste eeuw wel "mensen van de weg" genoemd. Die vraag komt op de ontmoetingsdag aan de orde: welke weg dan? En hoe gaan we die weg?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief