Geroepen om te helpen
1996-04-05
In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan leert Jezus ons dat godsdienstige en nationalistische grenzen geen rol mogen spelen bij het helpen van mensen in nood. De Samaritaan uit de gelijkenis ziet aan de kant van de weg geen Jood liggen, maar een mens. Zelfs je vijand behoor je te helpen, zegt Jezus, want hij is een mens. Zelf had Jezus dat uit het Oude Testament geleerd. In de mozaïsche wetten staat: alsje ziet dat de ezel van je vijand onder zijn last bezwijkt, moet je er niet handenwrijvend van leedvermaak naar staan kijken, maar dan moet je je handen uit de mouwen steken en hem een helpende hand bieden. Naar onze tijd overgebracht zou je het volgende geval kunnen krijgen: je hebt ruzie met een buurjongen. Die heeft je een keer een lelijke hak gezet.- Jaargang 40
- nummer 7
Daarom wil je niets meer met hem te maken hebben. Jullie groeten elkaar ook niet meer. Als je hem tegenkomt, kijk je hem straal voorbij. Maar op een dag in de stad zie je dat hij in de problemen zit.
Hij heeft een stelletje dozen op de bagagedrager van zijn fiets. Hoewel hij er zelf naast loopt en ze met één hand in bedwang probeert te houden, lukt hem dat niet. Telkens vallen ze op de grond.
Als je dat ziet, is de verleiding groot om te denken: net goed: laat hem maar lekker modderen. Maar de bijbel zegt: niets daarvan. Je moet naar hem toegaan en hem helpen. Dat is voor mensen altijd een moeilijke opgave geweest. Er is dan ook vaak weinig van terecht gekomen.
Het Oude Testament en Jezus zeggen: God verwacht wel iets van je. Als je geconfronteerd wordt met mensen die het moeilijk hebben en in nood verkeren, gaat het niet aan om als de priester en de Leviet uit de gelijkenis met een grote boog om hen heen te lopen. Je bent geroepen om te helpen.