De verloochening van Jezus door Petrus
1996-04-05
Het gaat me vooral om twee vragen: hoe heeft Petrus zover kunnen komen dat hij zei dat hij Jezus niet kende; dat hij zelfs is gaan vloeken en zweren om die ontkenning kracht bij te zetten? En: hoe heeft hij daarna verder kunnen leven, nadat hij op die manier zelf kapot gemaakt had wat voor hem het allerbelangrijkste was, zijn relatie met Jezus? Om die vragen te beantwoorden zal ik niet veel meer doen dan de geschiedenis navertellen. Op grond van wat de evangeliën vertellen wil ik proberen me enigszins in Petrus te verplaatsen.- Jaargang 40
- nummer 7
Petrus had gezegd dat hij voor Jezus wilde sterven als het moest. En dat had hij echt gemeend. Daarom had hij, toen uit de woorden van Jezus duidelijk was geworden dat het die nacht erop aan zou komen, een wapen bij zich gestoken, een zwaard. En ook al paste dat niet goed bij de manier waarop Jezus zelf reageerde, toen ze probeerden Jezus te arresteren, trok hij dat zwaard en sloeg erop los. Niet erg beheerst misschien, in het wilde weg, maar hij raakte iemand aan zijn hoofd, zodat er een oor werd afgesneden.
Op dat moment begon de verwarring in hem pas goed. Deze hulp werd door Jezus streng afgewezen: "wie naar het zwaard grijpt zal door het zwaard omkomen! Zou Ik de beker niet drinken die de Vader Mij heeft gegeven?" Jezus gaf Zich zomaar over! Hij liet Zich door Judas kussen.
Hij liet Zich zonder verzet meenemen.
Toen sloeg Petras op de vlucht, met de anderen. Hij mocht niet vechten.
Hij kon zich niet zomaar laten arresteren.
Wat kon hij nog anders dan in het donker proberen te ontsnappen?
Jezus
Maar er kwam niemand achter hem aan. Het ging alleen om Jezus.
Daarom vatte Petrus weer wat moed.
Op een afstand volgde hij de groep die Jezus gevangen genomen had. Hij zag hoe ze in het huis van de hogepriester verdwenen. Hij bleef staan bij de poort, zich afvragend hoe hij daar ongemerkt binnen zou kunnen komen.
Toen kwam een andere discipel die met hem meegekomen was en die wel naar binnen was gegaan, weer terug.
Hij praatte even met de portierster en zei toen tegen Petrus: je kunt ook binnenkomen als je wilt.
Zo onopvallend mogelijk deed hij dat.
Hij liep naar het midden van de binnenhof en sloot zich aan bij een groep mensen die zich daar warmde bij een vuur. Onopvallend kon hij dan volgen wat er in een van de vertrekken met Jezus gebeurde. Daar stond Hij, de man die hij meer dan drie jaren was gevolgd. Gespannen keek Petrus toe.
Hij hoorde hoe de hogepriester en de anderen Jezus vroegen naar zijn leer.
Hoe Jezus weigerde daarop te antwoorden.
Hij zag hoe ze allerlei getuigen beschuldigingen tegen Jezus lieten inbrengen. Maar hoe ze er niet in slaagden een overtuigende aanklacht tegen Hem te vinden. Toen vroeg de hogepriester, ten einde raad: "Ik bezweer U bij de levende God: bent U de Christus, de Zoon van God?" Vol spanning keek Petrus toe. Wat zou Jezus antwoorden? "U zegt het. Maar van nu af aan zult u de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand van de Machtige en komend op de wolken des hemels."
Hoe kan dat? dacht Petrus. Toch de Zoon van God? Maar hoe kan Hij zich dan gevangen laten nemen? Hij zag hoe de hogepriester zijn kleren scheurde, vol verontwaardiging over wat Jezus gezegd had. Hij hoorde hoe het doodvonnis werd uitgesproken. Hij zag hoe ze Jezus sloegen met hun vuisten. Hoe ze Hem in het gezicht spuwden. Hoe anderen Hem in het gezicht sloegen. Als vastgenageld aan de grond keek hij toe.
Opeens klonk er een stem naast hem: "Was jij ook niet een van hen, van die Jezus van Galilea?" Verward keek Petrus om, nog verbijsterd over wat hij had gezien. Hoe Jezus - de Zoon van God!? - dat alles over Zich liet komen.
"Nee, ik ken Hem niet. Ik weet niet wat je bedoelt."
Petrus
Petrus begreerp dat het nu te gevaarlijk voor hem werd in het licht van het vuur. Het was beter wat dichter bij de poort te zijn. Daar was het veiliger. In het donker, minder mensen. En hij kon sneller weg komen. Daarom trok hij zich wat terug. En opnieuw keek hij naar wat zich daar afspeelde, nu van een grotere afstand. Was dat de Jezus in wie hij geloofd had? Zijn verwarring werd steeds groter. Hij begreep niets meer van de man aan wie hij zijn leven verbonden had.
En opnieuw klonk er een stem: "Die man hoorde ook bij Jezus, de Nazoreeër."
"Mens, waar heb je het over!
Ik ken Hem helemaal niet!" Even later zeiden ook een paar anderen die daar stonden te praten: "Inderdaad, jij hoort ook bij hen. Je taal verraadt je." Toen kreeg Petrus het echt benauwd. Van zijn vroegere zelfverzekerdheid was niets meer over. Hij begon te vloeken en te schreeuwen. "Ik ken die man niet!" Op dat moment kraaide een haan. En meteen drong het tot Petrus door wat hij gedaan had. Jezus had het van tevoren gezegd: "Voor de haan kraait, zul jij Mij driemaal verloochenen."
Hij keek nog eenmaal om naar waar Jezus stond. En zijn ogen ontmoetten de ogen van Jezus. Toen kon hij niet meer. Hij liep weg, door de poort, huilend, als een gebroken man.
Misschien was er wel iets waar van wat Petrus zei: hij kende Jezus nog niet echt. Het was niet alleen angst waarom hij Jezus verloochende. Het was ook de verwarring over wat er gebeurde. Dat Jezus Zich liet gevangen nemen. Dat Hij Zich liet slaan. En dat Hij tegelijk duidelijk zei dat Hij de Zoon van God was die de verlossing zou brengen.
Herstel
Tot zover over de eerste vraag: hoe kon het gebeuren dat Petrus Jezus verloochend heeft? Nu nog kort over de tweede: hoe heeft Petrus hierna verder kunnen gaan? Hij blijft bij de kring van de discipelen. Hij blijft zelfs een van de belangrijkste. Hoe kan dat? Heeft hij zich dan niet zo geschaamd dat hij de anderen niet meer onder ogen durfde komen? Die anderen waren ook gevlucht. Maar niemand van hen had gedaan wat Petrus had gedaan: gezegd, gezworen of gevloekt, dat hij Jezus niet kende.
En hoe kan het dat Petrus later toch die voorname plaats in de gemeente heeft kunnen innemen als leider van de apostelen?
Ik noem drie dingen:
1. Jezus had Petrus gewaarschuwd.
Hij had het van tevoren gezegd. Dat was op dat moment uiterst pijnlijk, voor Petrus ook onbegrijpelijk. Maar toen het was gebeurd, was het ook een troost. Jezus had het geweten. Hij had hem niet afgewezen. Hij had hem zelfs nog gevraagd samen met Johannes en Jakobus met Hem mee te gaan toen Hij Zich terugtrok om te gaan bidden. Sterker: Jezus had gezegd: Ik heb voor jullie gebeden.
Het gebed van Jezus heeft Petrus vast gehouden. God heeft ervoor gezorgd dat hij niet in wanhoop en vertwijfeling is vastgelopen.
2. Petrus had een vriend. Het is opvallend dat in Johannes 20 wordt verteld dat Maria Magdalena, als ze ontdekt heeft dat het graf van Jezus leeg is, naar Petrus en de andere discipel, die Jezus liefhad, gaat. Die andere discipel moet wel Johannes geweest zijn.
Petrus had dus iemand om naar toe te gaan. Niet om te doen alsof er niets gebeurd was. Maar met zijn verdriet, zijn schuld en zijn schaamte. Johannes heeft geluisterd en hem niet veroordeeld.
3. Petrus is de eerste apostel die Jezus ontmoet na de opstanding. Wat er toen tussen Jezus en Petrus is gesproken weten we niet. Dat blijft een geheim tussen Jezus en Petrus.
Maar er heeft ook een publiek gesprek plaats gevonden, een tijd later bij het meer van Tiberias. Daar heeft Petrus voor de ogen van de anderen, driemaal op de vraag van Jezus moeten antwoorden of hij Hem echt liefhad.
Driemaal had hij gezegd dat hij Jezus niet kende. Driemaal wordt de vraag gesteld of hij Jezus liefheeft. Driemaal zegt Petrus dat het echt zo is. Maar dat de vraag tot driemaal toe herhaald werd heeft hem diep geraakt. Jezus heeft Petrus vast gehouden. Hij heeft hem ook de tijd gegeven om te leren wat het volgen van Jezus echt betekent.
Maar Jezus neemt de verloochening door Petrus wel serieus. Hij wordt niet verontschuldigd. Alleen op deze manier kan hij zijn verantwoordelijke plaats in de gemeente innemen.