Geloof in Christus en euthanasie (3)

1996-04-19
  • Jaargang 40
  • nummer 8
Wat kunnen wij leren van de rechtvaardigen die leden onder vijandschap van onrechtvaardige en goddeloze mensen, voor onze omgang met het lijden tgv ouderdom, slopende ziekten en ernstige handicaps in deze tijd? Op deze vraag wil ik in dit laatste artikel over ‘Geloof in Christus en euthanasie’ concreet ingaan.

Twee beperkingen moet ik mezelf overigens opleggen. De eerste is, dat het onmogelijk is om binnen het bestek van dit artikel recht te doen aan alle uitingen van geloof in lijden en hun betekenis voor ons. We kunnen slechts een zeer beperkte greep doen uit de talloze en heel verschillende stemmen die opklinken in de Schriften.
Ik hoop dat de greep die ik gedaan heb voor de lezer een aanzet mag zijn om zelf in dit spoor verder denkend de Schriften te lezen. De tweede beperking is, dat ook dit artikel niet geschreven is met het oog op alle denkbare situaties waarin het verzoek om euthanasie kan opkomen. Ik heb me bewust beperkt tot wat rn.l. vanuit bijbels oogpunt de hoofdlijn is. Vragen als 'Wat mag (nog) wel, wat niet (meer)?', heb ik laten liggen. Niet alleen omdat ik de deskundigheid mis om op dergelijke vragen in te gaan, maar ook omdat ik bewust voor een pastorale benadering en niet voor een ethische verhandeling, een normatieve benadering heb gekozen. Deze artikelen wijzen meer een weg waarop we - achter de Kerk van alle plaatsen en eeuwen aankunnen gaan, dan een wet die op allerlei verschillende personen en situaties van toepassing is.

Geen eigen rechter zijn
Uit die laatste opmerking mag overigens niet opgemaakt worden, dat er in de weg die de lijdende rechtvaardigen gegaan zijn, geen normatieve momenten zitten. Die zijn er wel, en kort wil ik bij een in mijn ogen voor het vraagstuk van de euthanasie niet onbelangrijk normatief moment de vinger leggen.
Een doorgaande lijn in de houding van de rechtvaardigde jegens zijn vijanden is, dat hij het recht niet in eigen hand neemt. Hij wil zichzelf niet verlossen door onrecht met onrecht te beantwoorden, maar doet, weerloos en kwetsbaar als hij daarom is, een beroep op God. Deze houding maakt de rechtvaardige tot een ootmoedige, dat is iemand die zich in zijn uiterste nood helemaal terugtrekt op God, zijn enige helper, de enige Rechter. Die houding, geen eigen rechter zijn ('Wreekt uzelf niet geliefden'), maar het recht in Gods handen leggen ('laat plaats voor de toorn, want Mij komt de wraak toe'), is kenmerkend voor de rechtvaardige. Dit geeft hem
daarom iets wachtends, iets verwachtends. Je kunt zijn houding typeren als een van verlangend uitzien naar de HERE
doortrokken lijdelijkheid: 'Wees stil voor de HERE en verbeid Hem.' (Ps. 37 : 7). Zo geeft de ootmoedige zichzelf uit handen, legt hij zijn lot in de handen van God. Het is deze houding van ootmoed waarvan ik me afvraag of we die ook niet op onze omgang met lijden door ernstige ziekte moeten overbrengen. Ook ernstige ziekte en ouderdom zijn vijanden, je kunt ze haten. En het ligt dan niet ver om in het geding met hen d.m.V. actieve euthanasie het recht in eigen hand te nemen. Maar rn.i. wijst de stijl van de ootmoed een andere weg. In dit verband wil ik opnieuw Prof. Knol aanhalen die schreef 'dat er in religieus en ethisch opzicht een principieel verschil is tussen het staken van een behandeling en het beëindigen van het leven door een behandeling.' Ook als dit verschil in de medische praktijk soms flinterdun is, - soms bepaald ook niet!lijkt deze opvatting mij teruggaan op een religieuze grondhouding die kenmerkend is voor de rechtvaardige.
Daarin zie ik dus een voor ons normatief element liggen. Maar om dat normatieve element is het me deze reeks niet allereerst te doen. Wat we immers zo hard nodig hebben op de weg van het lijden is niet alleen een antwoord op de vraag wat mag en wat niet, maar ook op de vraag of het lijden opgebracht kan worden, en zo ja, hoe.
Omgang met lijden is niet alleen een kwestie van ethiek, maar niet minder een kwestie van pastoraat. En het is m.n. hier dat we steun kunnen vinden bij de wijze waarop de rechtvaardigen hun lijden doorstonden. Puntsgewijs wil ik een aantal gegevens die m.l. van belang zijn voor de bezinning op euthanasie in de gemeente van Christus aanstippen.

1. Klagen mag
Laat je de gebeden van de Bijbel op je inwerken, dan word je getroffen door de ruimte die de rechtvaardigen krijgen om hun klacht te uiten. De volle breedte van hun lijden - lichamelijk, psychisch, sociaal, religieus - mogen zij tot in detail voorleggen aan God, verg. bijv. Ps. 22 : 2-22. En zelfs de verschrikkelijkste diepten van het menselijke lijden krijgen via de rechtvaardigen stem in de Schriften. Ik denk dan aan de noodkreet van een Job (Job 3), een Elia (1 Kon. 19: 4) en een Jeremia (Jer. 20 : 14-18), die door hun lijden zozeer naar de grens van het bestaan zijn geduwd, dat de duisternis van de dood hun liever is dan het licht van het leven, zoals dat ook het geval is met mensen die om euthanasie vragen. Geen enkele klacht van de rechtvaardigen wordt door de Schrift onder censuur geplaatst. Zelfs als rechtvaardigen in hun klagen te ver gaan - zoals de HERE vindt van een Job en een Jeremia - wordt de klacht zelf ongecensureerd doorgegeven. De HERE zij dank daarvoor.
Uit deze grote ruimte die de klacht krijgt, blijkt, dat klagen mag. Een mens hoeft z'n stand niet op te houden bij God. Hij mag zich uiten zoals hij zich voelt: teleurgesteld, ontmoedigd, wanhopig, opstandig. Het is de HERE liever dat wij tegen Hem protesteren, dan dat wij Hem negeren.
Maar, zal iemand vragen, wat heeft dit gegeven met euthanasie te maken?
Wel, het uiting geven aan je moeite, vrijuit klagen, het benoemen van je ellende, kan het begin zijn van greep krijgen op je ellende. Op het ongenoemde en onbenoemde krijg je geen greep, geen vat. Verzwegen nood leidt tot zoiets als hooibroei in je hart (Ps.
39 : 3,4). Van deze bijbelse ruimte voor de klacht kunnen wij m.n. in Nederland nog wel wat leren. Het klimaat in Nederland is nogal klaag-vijandig.
Je mag wel ziek zijn, maar niet klagen. "Niet klagen, maar dragen.", een typisch Hollandse zegswijze. Jeremieren' - ja, het klagen van Jeremia is spreekwoordelijk gewordenheeft een negatieve bijklank. Een afwijzende houding jegens de klager klinkt erin door. Maar juist die afwijzing kan een oorzaak zijn van nog erger gevoelens van eenzaamheid en zinloosheid.
En dat die gevoelens de roep om euthanasie versterken kunnen moge duidelijk zijn. Bij de HERE is dat anders. Klagen mag. Spreek je maar uit, dan proberen we er samen greep op te krijgen.

2. Medemenselijkheid
Hiermee te verbinden valt, dat het een van de grootste noden van de rechtvaardige is, dat mensen hem links laten liggen. Hoe dikwijls geven de psalmdichters niet aan, dat allen zich tegen hen keren, ja, dat zelfs vrienden hen verlaten hebben. Hieruit blijkt, dat het lijden van een mens ten zeerste wordt versterkt als hij verstoken blijft van medemenselijkheid. Ik geloof dat je dit ook mag omkeren. Het je als mens gedragen weten door een (biddende) gemeenschap van zorgvuldig meelevende mensen helpt, ook als dat het lijden zelf niet opheft. Mee-lijden en mee-leven lossen het lijden niet op, maar maken de last wel dragelijker.
Anderen kunnen je overeind houden door er voor jou te zijn. Het is in dit verband dat ik wil wijzen op de belangrijke rol die hospices (huizen voor terminale patiënten) in Engeland spelen. In Nederland is het hospice van Kuria in Amsterdam hiermee vergelijkbaar.
Hoewel de medemenselijkheid die daar in praktijk gebracht wordt niet impliceert, dat er nooit om euthanasie gevraagd wordt, is het een feit, dat het verblijf in de hos pices de roep om euthanasie zeer sterk doet verminderen.

3. In gesprek blijven
Naast uitingen van angst, pijn en wanhoop vinden we in de klacht van de rechtvaardige ook uitingen van geloof en hoop. Eigenlijk is elke aan God geadresseerde klacht al een uiting van geloof en hoop. Het opmerkelijke van deze geloofsuitingen is echter, dat ze de ziele-nood soms (verg. bijv. Ps. 56 : 1-12), maar zeker niet altijd (verg. bijv. Ps. 55) opheffen. Het is dus niet zo dat het gemiddelde van 'nood' en 'geloof' 'berusting' is, of zoiets. Het misschien wel meest aangrijpende voorbeeld hiervan is het reeds vermeide gebed van Jeremia in Jer. 20, dat, na een moment van triomferend geloof, eindigt(!) met enkele zinsneden waaruit blijkt dat Jeremia zich in een diepe geestelijke depressie bevindt.
Het gebed biedt niet altijd uitkomst.
Toch, en dat kenmerkt de rechtvaardige, volhardt hij in het gesprek met God. Dat is wezenlijk voor het lijden van de rechtvaardige, dat het in gesprek met God doorstaan wordt.
Blijf in je lijden in gesprek met God, roept 'de wolk van getuigen' ons toe.
Blijf bidden. En vaak, jazeker, vaak zie je dan dat de HERE God op een gegeven moment in gesprek gaat met jou ... Dat Hij op Zijn wonderlijke wijze kracht aan je geeft om je kruis te dragen, dat je zijn hand op je schouder voelt. Blijf dat van Hem verwachten en houd Hem eerbiedig aan Zijn belofte, dat Hij in antwoord op het gebed een vrede zal geven die alle verstand te boven gaat, zoals dat ook bij Jezus Christus was, wiens verschrikkelijke strijd in de hof van Gethsemane uitmondde in vrede.
Hoewel het altijd een wonder is om te zien dat iemand die vrede krijgt, betekent dit niet, dat het ontvangen van die vrede volstrekt ongrijpbaar is. Mijn ervaring is, dat ook woorden uit de Heilige Schrift kunnen helpen het zicht op God te vinden. Woorden die je ook helpen een ander zicht te krijgen op je zelf en je ziekte. Met enkele van die Schriftwoorden wil ik deze artikelen afsluiten.

4. De HERE is mijn eer
Een van de meest opvallende trekken in de Schriften is, dat de rechtvaardige zich door de vijand ongelooflijk gekleineerd en vernederd voelt. 'Ik ben een worm en geen man, een smaad voor de mensen en veracht door het volk.' zegt de dichter van Ps. 22. Het is onterend een speelbal van anderen te zijn en een voorwerp van spot. Maar de afbraak van het lichaam en de aftakeling van de geest door een slopende ziekte of een handicap zijn - op een andere manier - ook onterend, vernederend. Gevoerd moeten worden, door een ander uit je ontlasting gehaald moeten worden, heeft iets mensonwaardigs. En steeds vaker lees ik, dat het probleem dat aan euthanasie vooraf gaat niet zozeer een pijnprobleem is als wel een waardigheidsprobleem.
Dat lijkt me niet onwaarschijnlijk. Ten eerste, omdat de afbraak van het lichaam mensonterend is, en ten tweede omdat in de body-cultuur die onze samenleving is een gaaf lichaam en een onafhankelijke persoonlijkheid belangrijke waarden zijn. Maar hoe ga je hier mee om?
In Ps. 3 belijdt de door zijn vijanden als verachtelijk en minderwaardig afgeschilderde rechtvaardige: De HERE is mijn schild, mijn eer! De HERE is mijn eer betekent, dat de dichter van deze psalm zijn waardigheid niet ontleent aan de waardering die hij krijgt van zichzelf of zijn medemensen, maar aan de HERE. De HERE, die machtige God, mijn aanzien ligt in Hem. Zoals een kind kan groeien vanwege het aanzien dat zijn ouders hebben, zo groeit de dichter op verdiepte wijze boven zijn vijanden uit dankzij het feit dat de HERE zijn God is. Zo kan ook in ernstige ziekte de HERE Zelf je laatste plekje waardigheid zijn. Maar dat kleine plekje waardigheid kan dan ook alles betekenen.
Zelfs zoveel, dat Paulus ergens van zichzelf kan zeggen dat hij niets heeft, maar alles bezit (2 Kor. 6 : 10).

5. Anders kijken
Enigszins in de lijn hiervan ligt het, dat de Schrift je helpt om door de ogen van het geloof naar je ontluisterde 'ik' te kijken. Kijken naar jezelf, naar de medemens door de ogen van het geloof doet anders kijken. Wij mensen zijn niet wat wij zijn in de ogen van onze medemens. Wij mensen zijn zelfs niet wat wij zijn in de ogen van onszelf. Wij mensen zijn pas werkelijk wat wij zijn in de ogen van God. En Gods ogen zien anders. Een prachtig voorbeeld hiervan is te vinden in Ps.
92 : 14,15. Van de rechtvaardige staat daar geschreven: Geplant in het huis van de HERE, groeien zij in de voorhoven van onze God. Zij zullen in de ouderdom nog vrucht dragen, fris en groen zullen zij zijn'. Wanneer je met enkel menselijke ogen naar sommige oudere medemensen kijkt, kan dit Schriftwoord cynisch overkomen. Wat je fris en groen noemt ... Maar het is maar met welke ogen je kijkt. Een door ouderdom uitgeteerd mens is in Gods ogen fris en groen, wanneer hij of zij met de soms minimale vermogens die er zijn verkondigt 'dat de HERE waarachtig is, mijn rots in wie geen onrecht is.' (Ps. 92 : 16). Die belijdenis maakt de oude-van-dagen frisser en groener dan de flitse jongen die er prat op gaat, dat hij alles doet wat God verboden heeft. In deze bijbelse zin fris en groen kan dus ook de mens zijn die gesloopt wordt door kanker of door MS, of aids. In Gods ogen zijn we niet wat we dan van onszelf denken. Meer dan eens heb ik gemerkt dat ook het verhaal van 'het penningske der weduwe' in Luk. 21 : 1-4 een zieke kan helpen met andere ogen naar zichzelf te kijken. Het weinige dat de weduwe aan de HERE gaf was meer dan alles wat de rijken gaven. Zo kan ook 'het weinige' dat een zieke voor de HERE doet, veel meer zijn dan 'het vele' dat een gezonde doet. De Schrift helpt ons anders te kijken. En tegelijk helpt zo'n woord als Ps. 92 : 16 ons in het lijden een doel voor ogen te stellen. Het doel van ons leven is gelegen in de verheerlijking van Gods Naam, niet alleen in goede, maar ook in kwade dagen, als het moet door lijden heen, zoals ook de HERE Christus door zijn lijden heen de HERE verheerlijkte. In lijden proberen het weinige wat ons nog is overgelaten te investeren in liefde tot Hem, totdat het hier op aarde niet meer hoeft en wij de lofzang voortzetten met de schare die niemand tellen kan.

Vreemdelingschap
Deze artikelen zijn geschreven vanuit het geloof in Jezus Christus en die gekruisigd. Ze zijn geschreven om de gemeente van Jezus Christus te bemoedigen en niet bedoeld als een bijdrage aan de brede maatschappelijke discussie die momenteel gaande is. Maar vervreemd je je met deze benadering niet van de samenleving?
En maak je het de leden van de gemeente van Christus - die toch binnen de context van deze samenleving moeten functioneren - niet veel zwaarder om christen te zijn? Misschien wel, maar hoewel ik er in zijn algemeenheid van harte voor ben om alle nodeloze obstakels tussen Kerk en samenleving weg te nemen, zie ik uitgerekend op het punt van de omgang met het lijden weinig mogelijkheden voor aanpassing. Dat komt, omdat de omgang met het lijden zo heel nauw samenhangt met de essentie van het christelijk geloof. De Kerk heeft vanaf het begin geleefd uit lijden van Jezus Christus en die gekruisigd.
De Kerk zelf heeft ook steeds moeten lijden - vreemdelingschap - en door dat lijden zijn velen tot inkeer gebracht. Het op dit punt vreemdeling blijven in een samenleving die Christus niet volgt, lijkt me - vrees ik! - iets onontkoombaars. God zij dank hoeven we die weg echter niet alleen te gaan.

Noten: 1. Opbouw. 40stejrg. nr. 6. pg. 105 2. Job 38-42:6; Jer. 15: 19

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief