Jakobs vlucht
1996-05-03
Handigheid van de mens- Jaargang 40
- nummer 9
Mensen, die heel graag iets willen bereiken, zijn vaak, als ze het inderdaad bereikt hebben, toch niet echt gelukkig: In hun ijver om te slagen zijn ze wel eens te handig, waardoor ze wel eens een aantal essentiële dingen over het hoofd zien. Zo ook Jakob in Gen. 25-27: Hij wil ten koste van alles de zegen voor de eerstgeborene in ontvangst kunnen nemen, maar hij loopt voortdurend God voor de voeten: hij grijpt eigenlijk eigenmachtig vooruit op Gods beloften (een kenmerk trouwens van zonde in het algemeen).
Toen Jakob geboren werd, had hij de belofte gekregen, dat hij, als jongste zou domineren: "de oudste zal de jongste dienen". Wat de rol van moeder Rebekka geweest is in het leven van Jakob in het omgaan met die belofte, wordt ons niet met zoveel woorden verteld, maar Jakob was haar lieveling en het is niet ondenkbaar, dat Rebekka haar zoon al vroeg van die belofte verteld heeft en dat Jakob op haar aanraden naar een gelegenheid is gaan zoeken om die belofte te incasseren. Die gelegenheid deed zich voor, toen Esau wel trek had in de door Jakob klaargemaakte linzen moes, waarbij Jakob het eerstgeboorterecht als prijs daarvoor vroeg.
Heel handig!
Genade van God
In zijn handigheid heeft Jakob echter wel enkele dingen over het hoofd gezien: Door deze ruil werd hij van de beide tweelingbroers de eerstgeborene.
Maar de belofte van God gold nou juist de jongste, de niet-eerstgeborene.
Esau verkocht zijn ondergeschikte positie mét zijn eerstgeboorterecht.
Zo werden de rollen omgedraaid.
Maar niet door Esau's berekening, nee, want als Esau berekenend had willen zijn, dan had hij zijn eerstgeboorterecht wel zo gauw mogelijk kwijt willen hebben zien te raken.
Toch heeft Jakob in zijn berekenend handelen Gods beloften niet kunnen verijdelen. Wel is de vervulling van Gods beloften langs een grote omweg tot stand gekomen, met alle onplezierige gevolgen voor Jakob: vlucht, ontberingen, aan den lijve ondervonden bedrog. Maar toch: "Jakob heb Ik liefgehad" ... Gods genade blijft, ook al grijpt een mens er wel eens op vooruit.
Huwelijksplannen
Uitvoerig vertelt de schrijver van de Jakob-geschiedenis over Jakobs vlucht voor de wraak van Esau, maar hij geeft er a.h.w. een lichter tintje aan door het te stellen in het kader van Jakobs zoeken naar een geschikte levenspartner. Hij krijgt allerlei adviezen en vermaningen mee van zijn oude vader, en als Jakob uit het gezicht verdwenen is, richt de schrijver zijn aandacht op Esau en deelt mee, dat ook deze een vrouw kiest, hoewel hij er op dat moment al twee had (Gen. 26:34,35).
Ook Esau blijkt berekenend te zijn: met zijn huwelijk met Mahalath lijkt hij te willen laten zien, dat ook hij ongevraagd adviezen van zijn vader opvolgt: immers, kreeg Jakob opdracht een vrouw te kiezen uit de familie, Esau doet dat ongevraagd!
Maar zijn plan om hiermee bij zijn vader in de gunst te komen en toch nog een zegen van zijn vader te kunnen verwerven, mislukt en wel ten diepste hierom, dat het een schijnvertoning is; er verandert niets in de verhoudingen: Esau houdt aan zijn zondige leven vast: de twee Hetitische vrouwen, die Isaak en Rebekka zoveel verdriet bezorgden blijven; er is dus geen sprake van echte bekering.
Jakobs reis
Als we de route bekijken, die Jakob moet gaan, valt op dat het in wezen precies de tegenovergestelde route is, welke Abraham gegaan is op zijn tocht naar het beloofde land: Jakob trekt uit Berseba (Gen. 28:10), in het zuiden, via Betel (Gen. 28: 19), naar het noorden om in Haran (Gen. 29:4) terecht te komen; Abraham trok uit Haran (Gen. 12:4), via Betel (Gen. 12:8), naar zijn uiteindelijke woonplaats Berseba (Gen. 22:19). Abraham was met alleen Gods belofte op weg gegaan, maar God had hem rijk gezegend; al die door God aan zijn Jakobs voorouders gegeven rijkdommen moet Jakob nu achterlaten. Armer en eenzamer dan Abraham er in kwam, gaat Jakob weg uit het beloofde land, door God teruggezet naar het begin. Jakob moet leren om de regel van Gods verbond te houden: probeer niet in eigen kracht, met list of geweld, de belofte vervuld te krijgen, maar vertrouw op Gods genade. Die is immers genoeg.
Later in Jakobs leven blijkt, dat hij dit inderdaad geleerd heeft. Op zijn sterfbed heeft hij bij de zegening van zijn zonen en bij een terugblik op zijn levensweg daarvan getuigd, toen hij zei: "Op uw heil wacht ik, o Here" (Gen. 49:18).