Alleen de ervaring maakt een theologie
1996-05-03
Dit artikel gaat over Luther. Voor menigeen spreekt hij meer tot de verbeelding dan de zo streng en droog lijkende Calvijn. Toch is zijn gedachtengang weinig bekend. Nu herdacht wordt dat Luther 450 jaar geleden is gestorven, is er een goede gelegenheid om in Opbouw iets te schrijven over zijn fascinerende theologie.- Jaargang 40
- nummer 9
Een proefschrift als eye-opener
Zelf maakte ik pas echt kennis met Luther toen ik de basis-opleiding voor het predikantschap al had afgerond.
Or Jan Veen hof, indertijd hoogleraar dogmatiek aan de VU in Amsterdam, gaf mij in het kader van mijn doctoraalstudie een lijstje belangrijke boeken op ter bestudering. Een van die boeken, de dissertatie van de Kamper hoogleraar J.T. Bakker uit 1956, ging over de theologie van Luther. In een Rotterdams antiquariaat kon ik dit vergeelde en wat onooglijk uitgegeven proefschrift op de kop tikken. Het behoort nu tot mijn best gelezen en meest gekoesterde boeken. Het werkte voor mij als een eye-opener: achter het bekende motto 'gerechtvaardigd door het geloof alleen' bleek een even stoutmoedige als diepzinnige denkwereld schuil te gaan. Bakker noemt zijn - voor niet-theologen helaas weinig toegankelijke - boek Coram Deo, dat betekent 'voor Gods aangezicht'. Daarmee verwijst hij naar Luthers opvatting, dat een mens nooit een zuiver beeld van God kan krijgen wanneer hij buiten beschouwing laat dat hij als zondaar voor Gods aangezicht staat. Dat is een ongewoon uitgangspunt.
Meestal wordt geprobeerd om God te benaderen vanuit een 'neutraal' gezichtspunt. Neem de Godservaringen naar aanleiding van wat te zien is in de natuur, bijvoorbeeld een indrukwekkende zonsondergang. Er zijn mensen die om zo te zeggen religieus onbevooroordeeld naar die zonsondergang kijken. Zij laten bij die waarneming heel bewust eventuele eerdere ervaringen met God niet meespelen.
En dan, terwijl God dus om zo te zeggen nog niet voor hen op het toneel was verschenen, krijgen zij een religieuze ervaring. Naar hun besef verwijst de schoonheid van de ondergaande zon naar een diepere werkelijkheid: 'Hier moet God achter zitten'.
Het is niet toevallig, dat in het verlengde hiervan pogingen zijn ondernomen om het bestaan van God te bewijzen. De gedachte is dan, dat de natuur zo mooi is en zo ingenieus in elkaar zit, dat er wel een Schepper móet zijn. Dan is het helemáál duidelijk dat niet gesproken wordt vanuit een reeds bestaande relatie tot God.
Integendeel: het beeld dat men van God ontwerpt, is dan het resultaat van redelijke overwegingen, die helemaal losstaan van de ervaring met God die men bijvoorbeeld aan het avondmaal heeft opgedaan. Van een dergelijke 'objectieve', wetenschappelijke benadering van God wil Luther niet weten.
Hij is er diep van overtuigd, dat je als mens op die manier nooit een waarheidsgetrouw beeld van God krijgt. Hij ziet er niets anders in dan koude abstracties, die aan God geen recht doen, maar ook niet aan onze eigen geschiedenis met God. Je komt de ware God alleen op het spoor, als je jezelf meeneemt, jezelf als mens die nu eenmaal vanwege de zonde niet neutraal tegenover God staat.
De mens en zijn vrouw
Laat mij aan de hand van een voorbeeld verduidelijken wat Luther bedoelt. In Genesis 3 wordt verteld, hoe de mens en zijn vrouw zich na de zondeval verborgen voor God (vs 8).
Daar blijkt angst voor God achter te zitten (vs 9,10). Is het nu denkbaar dat de mens op dat moment overweldigd kon worden door de schoonheid van de natuur in de avondkoelte, en van daaruit verheven gedachten over God kon koesteren? Het lijkt zeer onwaarschijnlijk, doordat het conflict met God een neutrale waarneming in de weg stond. Het ruisen van de bomen, voorheen wellicht goddelijke muziek in zijn oren, had nu iets dreigends. Het avondlicht was niet meer een stille verwijzing naar Gods heerlijkheid, maar een onheilspellende voorbode van een eindeloze nacht. De mens had met God een verstoorde relatie, en daardoor was zijn hart vervuld met vrees. Heel zijn waarneming van de natuur werd door die vrees bepaald: de kleuren en de geluiden kon hij volstrekt niet meer 'objectief' interpreteren.
Luther zegt: "Als een mens een kwaad geweten heeft, vreest hij zelfs voor een ritselend blad!" Maar ook het omgekeerde geldt. Hoe zullen de mens en zijn vrouw naar de natuur gekeken hebben toen de HERE hun, dwars door het oordeel heen, toch ook zijn genade betoonde (Genesis 3:21)?
Ongetwijfeld met gemengde gevoelens.
Aan de ene kant stonden zij oog in oog met manshoge distels en doornen.
Verdreven uit de hof van Eden als zij waren, zal die wildernis niet in staat zijn geweest hen tot een blijmoedige religieuze ervaring te brengen.
Aan de andere kant viel er in die zin licht in hun leven, dat zij er zeker van mochten zijn dat God hun de beschermende hand boven het leven hield.
Daaraan zullen zij moed hebben ontleend om onbevreesd en hoopvol verder te trekken in de wildernis. En van daaruit zullen zij door het geloof in elke fraaie zonsondergang de vertrouwenwekkende heerlijkheid van God hebben herkend...
Dit voorbeeld is niet willekeurig gekozen.
De relatie die de mens en zijn vrouw volgens Genesis 3 hadden tot God, heeft namelijk allerminst een uniek karakter. Immers, niet alleen het eerste mensenpaar, maar al hun nakomelingen staan allesbehalve neutraal voor Gods aangezicht. Geen mens kan er bij het naderen tot God omheen, dat Hij zich in zijn eer aangetast voelt door de zonde, en dat Hij desondanks genadig zijn hand naar ons uitsteekt. Wat hierboven van de mens en zijn vrouw gezegd is, geldt van ons allemaal: onbevangen religieuze ervaringen zijn niet meer voor ons weggelegd. Op welke manier wij ook proberen God in ons leven te ontmoeten - het zal altijd een abstractie blijven wanneer wij de crisis die onze verhouding tot Hem beheerst buiten beschouwing laten.
Het belang van het subject
De vraag is, wat het belang van dit alles is. Schieten we er wat mee op, als Luther gelijk heeft met zijn stelling, dat een mens die op zoek is naar God altijd zichzelf meeneemt als zondaar voor Gods aangezicht? Wel, als het hier alleen om theologische scherpslijperij zou gaan, zou het jammer van de ruimte in Opbouw zijn om er zoveel woorden aan te besteden. Maar ik houd het erop, dat Luther ons met deze inzet juist op een spoor zet waarop we verder kunnen komen bij het nadenken over ons geloof. Wat zijn benadering namelijk zo interessant maakt, is dat zij aandacht vraagt voor wat wij noemen 'het belang van het subject'. In onze tijd heeft zich het besef aan de mensen opgedrongen, dat pure 'objectiviteit' veel moeilijker te realiseren is dan in het verleden wel gedacht is. Tot in de natuurkunde toe blijkt het zo te zijn, dat het standpunt van de waarnemer van invloed is op wát hij waarneemt. Ook waar men zich verre houdt van een volkomen subjectivisme - waarbij dat wat voor de een waar is, het voor de ander niet is - ziet men scherp dat volstrekte 'neutraliteit' in het waarnemen en redeneren en rechtspreken onmogelijk is. Het bijzondere is nu dat Luther daar in zekere zin op vooruit is gelopen.
Inderdaad is hij van mening, dat de ervaringen die wij mensen als zondaar met God hebben, bepalend zijn voor de manier waarop wij Hem kennen.
Zo heeft hij de uitspraak kunnen doen die boven dit artikel staat afgedrukt: "Alleen de ervaring maakt de theoloog". Hij bedoelt daarmee nog niet eens zozeer, dat datgene wat een theoloog over God zegt alleen maar waardevol is als het ook echt doorleefd is - al bedoelt hij dat óók. En hij wil zeker niet zeggen, dat onze religieuze ervaringen de bron zijn waaruit de theoloog moet putten als hij iets over God wil zeggen. Laat het duidelijk zijn: Luther kent maar één bron voor onze Godskennis, en dat is de bijbelse openbaring. Maar het staat voor hem vast, dat er in de bijbel geen objectieve waarheden staan die een mens vanuit een neutrale positie, op grond van objectief onderzoek, al dan niet kan aannemen. Nee, de inhoud van de bijbel correspondeert met de positie van de lezer als zondaar voor Gods aangezicht. Wat de bijbel over God zegt, staat geheel en al in relatie tot mijn ontspoorde mens-zijn. Daarom zal ik niets van de bijbel begrijpen als ik mijzelf buiten beschouwing laat, mijzelf als zondaar, met alle consequenties vandien. Zo kan Luther van Erasmus zeggen, dat hij het Nieuwe Testament wel vertaald heeft, maar niet gevoeld. Dat weegt voor hem zwaar: hoe zou je het NT goed kunnen vertalen, als je niet aanvoelt hoe daarin de zondaar voor Gods aangezicht wordt aangesproken? Dat is de bedoeling van het gezegde dat alleen de ervaring de theoloog maakt.
Warm
Het is illustratief, dat Luther door dit uitgangspunt in botsing is gekomen met de RK-e theologie van zijn tijd.
Die hechtte namelijk juist wel grote waarde aan een 'neutrale' en 'objectieve' benadering van God. De basis voor alle spreken en denken over Hem werd gevormd door de puur redelijke bewijsvoering dat Hij wel móest bestaan. Op die basis kwam men tot een beeld van God zoals Hij was in zichzelf, nog even helemaal afgedacht van zijn relatie tot mensen, laat staan van de verstoring van die relatie tot mensen. Daardoor had deze theologie, hoe fabelachtig knap ook, iets uitgesproken koels. Het wezen van God, in al zijn verhevenheid en volmaaktheid, werd zo goed en zo kwaad als dat ging omschreven en aangeduid, maar wat die God kon betekenen voor de mens, met zijn angsten en zorgen, met zijn schuld en zijn lijden onder de vergankelijkheiddat was een ander verhaal. Natuurlijk kwam ook dat verhaal aan de orde in de RK-e theologie; aan de beschouwingen over Gods wezen werd de leer toegevoegd hoe deze God zich tot ons mensen verhoudt. Maar dit tweede verhaal blîjft een toevoeging, iets dat er bij komt, en in de grond van de zaak is de relatie van God tot ons mensen dan ook iets bijkomstigs. Als het erom gaat wie en wat God éigenlijk is - dan doet die relatie niet terzake.
Met deze benadering heeft Luther principieel gebroken. Voor hem draait alles juist om dat tweede verhaal: Gods relatie tot ons mensen. Hij ontkent niet dat God ook 'los' van die relatie bestaat, maar hij acht het een onmogelijkheid voor ons mensen om over dat 'zuivere' wezen van God iets te zeggen. Sterker nog: hij is ervan overtuigd dat wij, als wij dat toch proberen, het niet meer hebben over God, maar over een levenloze abstractie.
De levende God is voor Luther de God die in relatie staat tot mensen en in die relatie zeer toornig is over de zonden, maar ook in Christus een God is van grote genade. Ergens doet hij de merkwaardige uitspraak, dat het lied van hen die door het Lam gekocht zijn met zijn bloed, een ander lied is dan dat van de engelen die God in eeuwigheid loven. Hij bedoelt daarmee, dat de engelen geen ervaring hebben met de begenadiging van zondaren, en dat daarom hun loflied anders klinkt dan dat van de verlosten.
Zoals de engelen God zien, in zijn ontoegankelijke majesteit - dat is voor ons niet weggelegd. Maar omgekeerd: zoals wij mensen God in het hart mogen kijken wanneer wij in Christus zijn genade ondervinden - die kennis van God is zo wezenlijk, dat de engelen er jaloers op kunnen zijn (I Petrus 1:12)!
Zo bindt Luther de kennis van God streng aan de relatie die wij tot Hem hebben. Hij kent geen 'objectieve' verhalen over God die vervolgens toegepast moeten worden, maar kan en wil God niet anders ter sprake brengen dan in zijn gerichtheid op ons. Het stond voor hem vast: in alles wat wij mensen over God kunnen zeggen, komen wij zélf voor! Daardoor krijgt zijn theologie iets heel warms. Hij preekte zó over God, dat zijn hoorders gingen begrijpen: "God is tot in het diepst van zijn wezen in mij geïnteresseerd."
Actueel
Het zal duidelijk zijn dat vanuit dit standpunt niet alleen kritisch gekeken moet worden naar de middeleeuwse RK-e theologie. We weten maar al te goed, hoe in onze eigen gereformeerde traditie maar al te vaak op een 'objectieve' manier over God gesproken is. Hoeveel preken zijn er niet gehouden, waarin het wél over God en de bijbel ging, maar niet over mij?
Daarvoor kunnen allerlei argumenten worden aangevoerd. Het is toch niet de bedoeling dat de méns in het middelpunt komt te staan? En zijn al die preken waarin krampachtig geprobeerd wordt de hoorder aan te spreken, uiteindelijk niet minder waardevol dan die waarin de Schrift verklaard wordt en goede en ware dingen over Gód gezegd worden? Tja, wie durft daar nog wat tegenin te brengen...
Wel, daarvoor moet je bij Luther zijn.
Als er één theoloog is geweest die ervoor is opgekomen dat God en niet de mens in het middelpunt staat, dan hij. En als er iemand geloofde dat een preek over God moest gaan en dus de Schrift moest uitleggen, dan Luther.
Niettemin zou hij heftig protesteren tegen al die gereformeerde verhalen over God, die wel heel erg wáár en bijbels zijn, maar waarvan ik als mens niet koud of warm word. Want voor Luther zijn dat geen ware verhalen over God. Het enige ware verhaal over God is het evangelie dat een God aan mij voorstelt die mij aanspreekt op mijn vervreemding van Hem, en mij in het hart wil raken met het offer van zijn Zoon. Voor Luther is er dan ook maar één soort echt gereformeerde, reformatorische preken, namelijk preken die over mij gaan, juist doordat ze over Gód gaan. Daarom is het geen tijdverspilling om je aan het eind van de twintigste eeuw nog met Luther bezig te houden. Een groot Lutherkenner, de Duitse theoloog Gerhard Ebeling, heeft gezegd dat Luthers tijd nog moet komen. Laat dat overdreven klinken - een feit is, dat zijn inzet hoogst actueel is!