Facelift in het aanschijn van de dood
1996-05-03
In het derde hoofdstuk van zijn tweede brief aan de gemeente in Corinthe trekt Paulus een verrassende en zeer gedurfde vergelijking tussen Mozes en zichzelf. Ik geef beknopt die vergelijking weer, om daarna twee vragen te stellen, die ik poog te beantwoorden.- Jaargang 40
- nummer 9
Samenvatting van 2 Cor. 3
v. 6. Mozes, zo zegt Paulus, kwam met een wet die den zondaar veroordeelde, ja, ter dood veroordeelde; ik, Paulus, breng een evangelie dat den zondaar vrijspreekt, ja, levend maakt. Tot dat laatste was de wet niet in staat (Gal. 3,21; vgl. Rom. 8,3); dat kan alleen de Geest.
v. 12. Nu, omdat ik van mijn evangelie zulke effecten verwachten mag - dat het nl. den zondaar levend maakttreed ik heel vrijmoedig op, anders dan Mozes.
vv 7-9. Spiegelde Mozes als 'doodsdienaar' reeds zozeer Gods luister, dat de Israëlieten het niet konden uithouden naar hem te kijken (Ex. 34,30), hoeveel te meer dan ik als dienaar van den Geest die levend maakt.
v. 10. Nee, die luister van Mozes - of beter: van zijn wet - valt eigenlijk in het niet, vergeleken met die veel hogere luister van mij - of beter: van mijn evangelie -.
v. 11. Mozes(1) glans raakte gaandeweg uitgewerkt (v. 7 slot)', omdat zijn wet, hoe hoog in luister, bestemd was te verdwijnen (Hebr. 8,13)(2); maar mijn evangelie is blijvend (1 Petr. 1,23.25), en dus de luister daarvan groter.
vv. 13-15. Voor dat voorbijgaand karakter van de wet nu hebben de Israëlieten geen oog. En eigenlijk heeft Mozes dat in de hand gewerkt door een doek op zijn gezicht te leggen, als hij stralend bij God vandaan kwam. Daardoor ontging hun namelijk, hoe die glans op zijn gezicht een einde nam. Zo bleven zij in de waan, dat die glans nooit verdofte; dat dus ook de vigeur van zijn wet blijvend was. Nog altijd lezen ze zó de wet: met een doek voor; waarbij hun niet uit de doeken wordt gedaan(3), dat in Christus het oude verbond wordt uitgeschakeld.
Zoals een doek hun het zicht op het afnemen van de glans op Mozes' gelaat benam, zo ligt er nu nog een sluier over hun hart, zodat ze geen oog hebben voor Christus, "die het einde der wet is tot vrijspraak voor ieder die gelooft" (Rom. 10,4).
v. 18. Hoe heel anders dan bij Mozes is dat bij ons (v. 13 begin), aldus Paulus: wij leggen nl. géén doek op ons gezicht; en zo spiegelen wij de luister van onzen Heer. Daardoor krijgt ons uiterlijk een steeds groter luister, precies zoals je dat kunt verwachten van een Heer die Geest is. Een Geestelijke 'facelift'.
Wat zegt het citaat in v. 16?
Het zal u zijn opgevallen, dat ik in bovenstaande samenvatting aan v. 16 en het daarbij aanknopende v. 17 ben voorbijgegaan. Daar doet zich nl. de eerste vraag voor die ik wilde stellen.
Dat we hier met een aanhaling uit Ex. 34,34 te doen hebben, lijdt geen twijfel.
In de vorm wijkt de tekst van Paulus iets af van die van de Septuagint.
In laatstgenoemde griekse weergave heet het: "maar wanneer hij - d.i. Mozes - naar binnen ging - nl. in de ontmoetingstent, waar de Heer zich aan Mozes openbaarde - oog in oog met den Heer, om met Hem te spreken, ...". Paulus schrijft: "Maar wanneer hij teruggaat naar den Heer, ...".
De verlevendiging die Paulus hier aanbrengt door in plaats van de verleden tijd de tegenwoordige ("teruggaaf') te gebruikèn, zet zich voort in de afsluitende hoofdzin: "doet hij zich de doek af"(4), Wat zien we nu echter in bepaalde vertalingen gebeuren? Om maar met dat slotzinnetje te beginnen: men heeft de mediale vorm van de Septuagint ("hij deed (doet) zich de doek af") omgeduid als passivum, waarbij men als onderwerp 'Mozes' verruilt voor 'de doek': "wordt de doek afgedaan". (aldus Stat.vert., Luth. en Leidse vert., Brouwer, Canisius, NBG, Willibrord, met onderling kleine verschillen in bewoordingen.) Een soortgelijke ingreep pleegt men in de voorafgaande generaliserende temporele bijzin: "wanneer hij (d.i. Mozes) teruggaat naar den Heer". Een deel van de vertalers vervangt 'hij' (Mozes) hier door 'het' (d.i. het in de voorafgaande zin genoemde 'hart'). Zo Stat.vert. en Luth.vert.
Veel ingrijpender en volstrekt ontoelaatbaar is de ingreep waarbij men ofwel 'iemand' als onderwerp binnensmokkelt (zo Brouwer, NBG en Willibrord) ofwel 'men' (zo Canisius).
Achter deze ingrepen ligt de gedachte dat Paulus hier niet ophaalt wat Mozes blijkens Ex. 34,34 deed, maar dat hij enkel de daar van Mozes gebezigde bewoordingen gebruikt, maar die ombuigt in een geheel andere zin.
Het meest radicaal zijn hier NBG en Willibrord. Houden Brouwer en Canisius nog de op zich voor tweeërlei uitleg vatbare weergave "zich wendt" aan, NBG en Willibrord schrijven ondubbelzinnig "zich bekeert'.
Hoezeer ik Paulus ook tot het leggen van een dubbele bodem in staat acht, toch is wat deze vertalers hier doen, ten enen male misplaatst. Wij hebben hier te doen met een citaat, waarin Mozes subject is. En niets wijst erop, dat Paulus nu plotseling een ánder subject op het oog heeft. De vergelijking in dit hoofdstuk gaat ook helemaal niet tussen wat Mozes deed en wat de tot dusver onbekeerde Joden zouden moeten doen, t.w. naar den Heer teruggaan. Nee, de vergelijking gaat tussen Mozes' doen en dat van Paulus (vv. 12.13).
Terecht handhaven dan ook De Vries en Smid(5) Mozes als onderwerp van de zin "Telkens wanneer hij zich tot de Heer wendt". v. 16 is nl. citaat, de uitleg van dat citaat komt pas in v. 17: "Die 'Heer' - van wien in Ex. 34,34 sprake is - is de Geest". En daarmee geeft Paulus een uitleg waarmee hij terugkeert naar zichzelf als dienaar van "een nieuw verbond, ... dat van den Geest' (v. 6). En dáárbij weer aanknopend zegt hij (v. 18), dat hij in tegenstelling tot Mozes geen doek meer voordoet. Heel de gang van het betoog pleit dan ook tegen de gangbare opvatting en weergave van v. 16.
Vrijheid contra slavernij
Wat bedoelt Paulus dan wél te zeggen, als hij Ex. 34,34 aanhaalt?
Wij zullen om het antwoord op die vraag te vinden moeten letten op het vervolg. Daar geeft Paulus, zoals ik al zei, uitleg van (althans een gedeelte van) de tekst die hij citeerde. Eerst duidt hij daar 'de Heer' als 'de Geest'; noemt vervolgens deze Geest "den Geest van den Heer" (d.i. van Christus), om daaraan tenslotte het begrip 'vrijheid' te verbinden.
Daarmee heeft de apostel in een uiterst kort bestek veel gezegd. Om maar met dat laatste te beginnen: men zal zich herinneren, hoe Paulus in Rom. 8,15 schrijft: "Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw - d.i. zoals onder het oude verbond -, te vrezen, maar gij hebt ontvangen den Geest van het zoonschap".
Met die 'slavernij' bedoelt Paulus: het geknecht zijn onder de wet, zoals overduidelijk blijkt uit Gal.
4,21-31. En zo zegt de Hebreeërbriefschrijver, dat het de bedoeling van den Zoon was "allen te bevrijden die gedurende hun ganse leven uit angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren" (2,15). En daarbij heeft hij, zoals uit het volgende vers blijkt, "het nageslacht van Abraham" op het oog.
"Waarom zouden wij sterven?" (Deut. 5,25)
'Angst voor de dood': de dood nl. die de aan de wet onderworpenen bedreigde, zoals Paulus eerder in 2 Cor. 3 gesteld had: "de letter doodt" (v. 6). Angst die ertoe leidde dat Mozes zelfs de weerschijn van Gods stralende glans nog voor de Israëlieten afschermde (v. 7). Angst die hen er helemáál van weerhield God Zélf onder ogen te komen. Deut. 5,23-33 verhaalt ons, hoe de Israëlieten, uit angst te zullen sterven Gods nabijheid ontwijken en Mozes vragen: "Nader gij en hoor alles wat de Heere, onze God, zegt; en breng gij dan alles aan ons over ..." (v. 27). De Heere vindt dat goed. En sindsdien 'pendelt' Mozes tussen God en het volk.
Als dus in v. 16 van ons hoofdstuk staat: "Wanneer Mozes teruggaat naar den Heer", dan moeten we die situatie voor ogen houden, en beseffen, dat Mozes, zo vaak hij dát deed, de Israëlieten achterliet. Ik denk dan ook, dat Paulus in het citaat uit Ex. 34,34 bewust gekozen heeft voor het werkwoord 'epistrephein' = teruggaan.
Daarin is nl. de pendelbeweging verdisconteerd; want waar een 'terug' is, is ook een 'heen'. Paulus bepaalt ons met dit woord bij het feit dat, als Mozes God tegemoet treedt, hij van de Israëlieten weggaat. Alléén, zonder zijn volk, treedt hij in Gods glans.
"Wij allen"
Hoe anders onder de nieuwe bedeling!
"Wij allen", zo bégint Paulus v. 18. En men lette op deze veelzeggende, ja een sleutelpositie vervullende toevoeging.
Paulus, die tot dusver het 'wij' van zichzelf had gebezigd (vgl. 3,1), breidt nu de kringuitvan zichzelf tot zijn medegelovigen: wij allen treden nu zonder doek voor God en spiegelen als Mozes Diens glans.
Mozes kwam heel alleen(6) God onder ogen; een onverzoenden God, voor wiens verterende gloed, en voor wiens dodende wet het volk in angst zich bergen wilde. Paulus komt samen met heel Gods volk een verzoend God onder ogen, voor wiens levendmakend evangelie zij zich allen openstellen, vrij en blij. De God van Israël openbaart zich nu nl. in de gestalte van den Geest; en wel van den Geest van onzen Heer, Jezus Christus, die door zijn verzoenend sterven ons allen bevrijd heeft van de vloek der wet, en de weg tot den Vader voor ons allen heeft geopend.
Paulus' gelaat: niet om aan te zien
De tweede vraag die ik wilde stellen, is van andere aard.
"Hoe ter wereld", zo vroeg ik mij af, "is Paulus op de gedachte gekomen zichzelf te vergelijken met Mozes, zoals deze met stralend gelaat de wet afkondigde?"
Ten diepste -dat moge duidelijk zijn- gaat het hem om een vergelijking tussen de beklemmende gloed van Mozes' wet en de bevrijdende glans van zijn (Paulus') evangelie. Dat nu de luister en het gezag van de wet zich naar buiten manifesteerde in de glans op Mozes' gelaat, is duidelijk. Maar heeft die uiterlijk zichtbare glans ooit een tegenhanger gekregen bij Paulus?
Is op diens gezicht af te lezen geweest, hoe luisterrijk het evangelie " is dat hij bracht? Bij mijn weten niet.
Veeleer het tegendeel.
In deze zelf.de brief (10,10) laat hij weten dat de mensen van hem zeggen: "Ja, schrijven, dat hij kan!
Indrukwekkend! Gespierde taal! Maar als je hem in levenden lijve te zien krijgt, is 't maar een zwak mannetje.
En als redenaar is hij waardeloos." Uit Gal. 4,14 krijgt men zelfs de indruk, dat hij aan een oogziekte leed, die hem bij tijden zo afzichtelijk maakte, dat zijn hoorders in de verleiding zouden komen hem af te schrijven, ja zelfs van hem te walgen.
Hoe komt Paulus er dan toe, wanneer hij hier zijn evangelie met Mozes' wet vergelijkt, naar die geschiedenis van Mozes' stralend gelaat te grijpen?
Ik heb een vermoeden.
Stefanus
Paulus - of liever: Saulus - is door Jezus zelf rechtstreeks als apostel geroepen tijdens zijn vervolgingsactiviteiten na de moord op Stefanus, waaraan hij "met volle instemming had meegewerkt" (Hand. 22,20). Dit verleden als 'vervolger der gemeente' (Fil. 3,6) heeft Paulus nooit kunnen vergeten: keer op keer spreekt hij van Gods bijzondere genade, dat Deze zich desondanks over hem 'ontfermd' heeft, ja zelfs hem het apostolaat heeft waardig gekeurd (1 Tim. 1,13; 2 Cor. 4,1 (!!!); 1 Cor. 7,25; 15,9). Stefanus' einde stond hem voor altijd op het netvlies gebrand.
Nu, wat was er met Stefanus gebeurd, toen hij het getuigenis aflegde dat hem het leven kostte? "En toen zij hun blik op hem vestigden(7), zagen allen die in de Raad zitting hadden, zijn gelaat als het gelaat van een engel" (Hand. 6,15). Stefanus stond daar namelijk "met zijn blik gevestigd op de hemel en zag de luister van God:" (7,55), juist als Mozes.
Die hemelse glans op zijn gelaat had dan ook voor de leden van de Raad een teken moeten zijn, dat ze in hem niet met een tegenstander (vgl. Hand. 6,14), maar veeleer met een opvolger van Mozes te maken hadden. De Raadsleden hebben het signaal wel opgemerkt, maar niet verstaan. En zo is deze nieuwtestamentische Mozes door zijn eigen volk gestenigd.
In het aanschijn van de dood
Nu valt ook voor Paulus in dit derde hoofdstuk van 2 Cor. de schaduw van de dood, zoals straks in 4,7-5,10 zal blijken. Paulus ervaart nu zélf dat sterven om het getuigenis van Jezus dagelijks aan den lijve (4,10.11). En het is dan ook niet vreemd, als nu het beeld van Stefanus weer bij hem bovenkomt. Hij ziet zichzelf hier treden in de voetsporen van zijn slachtoffer.
Hij deelt diens dood om het getuigenis van Jezus, maar weet zich ook deelgenoot van de hemelse luister die aan deze bloedgetuige vóór zijn dood verleend werd. (Is ook Paulus, ondanks zijn visuele handicap, door de Galaten al niet ontvangen als "een engel van God"? (Gal. 4,14).) Want ten diepste is dat de luister van het evangelie dat hij uitdraagt (4,4). En dat geeft hem moed, en tilt hem over zijn doodsangst heen (4,16-18).
Zo verstaan, vormt in dit sterk emotionele schrijven het derde hoofdstuk een aangrijpend hoogtepunt.
Noten:
1. Dat is de eigenlijke betekenis van het in v. 7 gebezigde werkwoord ('verdwijnen' NBC). Het hangt nl. samen met 'argos , = 'niet (meer) werkend'. Het activum betekent dus 'buiten werking zetten', het mediaal-passief 'buiten werking raken'. Het komt na v. 11 nóg een keer terug, nl. in v. 14 slot.
2. Let op de overeenstemming in beeldspraak tussen Hebr. 8,10 (en 10,16) en 2 Cor. 3,3: "een wet, in harten geschreven".
3. De vertaling "zonder weggenomen te worden, omdat..." (NBC) lijkt mij minder juist. Ik vat 'anakaluptomenon' niet op als participium coniunctum bij 'kalumma', maar als accusativus absolutus.
Het volgende 'hott versta ik dan als 'dat' (niet 'omdat'). Paulus maakt hier mi. een woordspeling: omdat ze met een 'bedekking' het OT lezen, wordt niet 'ontdekt' dat het oude verbond is uitgerangeerd. Ik heb getracht die woordspeling vast te houden door, waar er in het voorafgaande sprake is van een 'doek', hier te vertalen 'uit de doeken doen'.
4. Verlevendiging brengt Paulus ook reeds aan door het citaat zonder voorafgaande aankondiging (b.v. met de woorden "zoals geschreven staat") neer te schrijven.
5. Het Nieuwe Testament in de taal van onze tijd door Anne de Vries t, voltooid door Henk de Vries in samenwerking met Dr. H.R. Smid, deel ll, Kampen, z.j.
6. Over de uitzonderingspositie van Mozes zie Num 12,6-8.
7. Hier is hetzelfde woord ('atenizoo') gebruikt als in 2 Cor. 3,7.