Geen goed woord voor afgescheidenen

1996-05-03
  • Jaargang 40
  • nummer 9
In de vorige eeuw ontstonden in de Borrunelenvaard verschillende afgescheiden kerken. Ook in het dorp Brakel waren in 1835 een aantal mensen, die 'uit de hervormde kerk traden'. Ze voegden zich bij de kerk van Poederoyen en later gingen ze kerken in Zuilichem Aan de hand van de notulen van de verschillende afgescheiden kerken is na te gaan wat voor mensen die 'afgescheidenen' waren. Duidelijk is, dat van hen kan worden gezegd, dat ze niet behoorden tot de 'rijken en edelen'. Ze waren hongerig naar het Woord, maar op een bepaalde manier. Vandaag zouden we ze vooral zoeken in de kringen van de gereformeerde gemeenten of de meest 'rechtse' kant van de gereformeerde bond.
In 1835 was in Brakel burgemeester Wilhelmus van Dam van Brakel.
Omstreeks die tijd of een paar jaar later richtte hij zich in een toespraak tot de inwoners van Brakel. Na een inleiding zei hij dit: ..Voor eerstens zie ik op hen welke zich van de kerk of gemeente in welke zij geboren en gedoopt zijn, hebben afgescheiden: niet als tijdens de Hervorming om grove gebreeken en misbruiken; maar meerendeels uit hoogmoed en eigenwaan; ... de eenvoudige als zand in de oogen te werpen en hen te verblinden ... , na lange gebeden, onder koffy leppen en beschuit kaauwen. van bevindingen. ontmoetingen. ingevingen.
droomen en gezichten te verhalen, die niet anders bestaan, of bestaan kunnen als in leugen en bedrog..."
Van Dam van Brakel nam dus geen blad voor zijn mond. Hij voegde aan het voorgaande toe, dat niet alle afgescheidenen zo waren. Hoewel de woorden van de Brakelse burgemeester ons wellicht niet zo leuk in de oren klinken, moet worden erkend, dat hij voor een deel gelijk had, misschien zelfs voor een groot deel. De notulen van de betreffende kerken geven ons inzicht in de moeiten van de afgescheiden kerken en uit andere bronnen is bekend, dat er in vrijwel elk dorp 'gezelschappen' waren, die door hervormden en gereformeerden werden bezocht en waar 'bekeerde mensen' hun verhaal vertelden.
Ze spraken graag over hun bekering en Van Dam van Brakel wees er aan het slot van zijn toespraak terecht op, dat ..bekeering geene zaak is van een oogenblik, maar dat het niet anders zegt als verbeteren, wat ons gansche leven door moet plaats hebben..."
De mannen, die het in gezelschappen voor het zeggen hadden en altijd in het zwart gekleed gingen, hebben veel kwaad gedaan. Ze voelden zich wel. Ik vond bij iemand eens een papier met een gedicht over 'De Zwartrok'. Het laatste couplet neem ik over: ..Hij wordt als halfgod aangezien Door arme vrome zielen Die door zijn hooge waardigheid En door zijn reuk van heiligheid In 't stof haast voor hem knielen...'

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief