Jakobs droom
1996-05-17
Hemelvaart Er is – heel globaal aangeduid – een zekere relatie tussen het feest van Christus' hemelvaart en hetgeen Jakob ervaart in zijn droom:- Jaargang 40
- nummer 10
Wat Jakob ziet, is een tweerichtingverkeer tussen hemel en aarde. "En zie, engelen Gods klommen daarlangs op en daalden daarlangs neder", zo lezen we in vs. 12.
Van tweerichtingverkeer is ook sprake in de persoon van Jezus: de komst van Christus op aarde (Kerstfeest) is de ene en zijn terugkeer naar de hemel (hemelvaartsfeest) is de andere richting.
Zowel in Jakobs droom als in de persoon van onze Heer Jezus Christus is sprake van echte communicatie tussen hemel en aarde.
In beide gevallen is ook de manier waarop erover verteld wordt heel plastisch: Jakob ziet van die ladder wel de plaats van het eindpunt, maar niet het eindpunt zelf. Daar staat nl. de Heer zelf. En ook bij Lucas' beschrijving van Jezus' hemelvaart ligt de nadruk niet op een plaatsaanduiding waar Jezus nu gebleven is, maar ligt ook de nadruk op de Heer, die weliswaar weggaat, maar die weer terugkomen zal.
Geloof en ongeloof
Jakobs droom is meer dan het doorbreken van het onderbewuste in beelden, maar veeleer een ervaring van een ontzaggelijke werkelijkheid. Jakob heeft hier geen last van zijn geweten, maar hij ontvangt een boodschap: In dat tweerichtingverkeer komt iets van Gods barmhartigheid naar voren.
God laat zich kennen als een God, die niet op een afstand blijft, maar die contact wil hebben met mensen, ook al hebben die mensen hun medemensen bedrogen. Immers, wat Jakob gedaan heeft, kan niet door de beugel van de menselijke moraal. Wij zouden, als we in Gods plaats waren, wel anders handelen met zo'n bedrieger, die bovendien nog heeft laten zien en horen, dat hij eigenlijk voor zijn eigen leven niet met God wenste te rekenen: in hoofdstuk 27:20 horen we hoe Jakob spreekt tegenover zijn vader Isaäk over "de Here, uw God". Niet Jakobs God dus, maar afstandelijk 'uw God' en dat betekent dan wel zoveel als: niet de mijne. Jakob is hierin als veel moderne mensen, die wel over God gehoord hebben in hun opvoeding thuis of op school, maar die zich het geloof in die God niet eigen gemaakt hebben en over Hem alleen maar afstandelijk kunnen spreken en feitelijk ongelovig zijn.
Bevestiging van de zegen
Wat God tegen Jakob zegt, vertoont ook weer overeenkomst met wat Jezus tegen Zijn discipelen zegt bij Zijn hemelvaart: vergelijk maar het: "Zie, Ik ben met u" uit Gen. 28:15 met het: "En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld" uit Matth. 28:20. In beide gevallen wordt duidelijk gemaakt, dat God trouw is aan Zijn belofte. Van Jakobs schijnbaar doodlopende leven zonder toekomst wordt een open leven met rijke toekomst gemaakt, door Gods zegen: Jakobs nageslacht zal naar alle streken uitgebreid worden, hij zal een zegen zijn voor heel de aarde, hij zal Gods hulp en bijstand ondervinden, hij zal terug mogen keren naar zijn eigen land.
Jakob heeft dan misschien God wel vaarwel gezegd, Hem niet meer erkend als zijn God (zie boven), maar God blijft wel zeggen: Ik ben uw God.
De belofte, die God eens aan Abraham deed, wordt nu aan Jakob gedaan. Dat betekent echter niet, dat de Here achteraf toch Jakobs handel en wandel goedkeurt. God stelt er echter wel een soort grens aan, maar een ander soort grens dan Jakob zou willen stellen: Jakob wil er toch nog weer een soort handeltje van maken: als (d.i. vanaf het moment dat God gedaan heeft, wat Hij heeft beloofd, zal Jakob Hem dienen; maar God zegt: "Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb, wat Ik u heb toegezegd".
Een opgerichte steen
Ontzag voor God spreekt tenslotte uit Jakobs woorden en daden aan het eind van deze geschiedenis. Over het formaat van de steen, die Jakob opricht wordt niets verteld, maar wij zijn wellicht geneigd bij het begrip 'opgerichte steen' te denken aan het formaat van een hunebedsteen of zoiets. Het feit, dat de door Jakob opgerichte steen dezelfde is als de steen, die hij in de nacht als hoofdkussen heeft gebruikt, lijkt dat niet te ondersteunen. Wel is het zo, dat als Jakob andermaal in Betel komt (Gen. 35), hij kennelijk moeite heeft om de steen terug te vinden en er niet direkt aan denkt, dat hij hier een gelofte heeft in te lossen. Een licht gedane gelofte wellicht?! Maar Jakob moet na deze gebeurtenis in Betel zijn zwerftocht in elk geval voortzetten; hij moet nog veel leren; hij kan niet door de 'poort des hemels', die hij gezien heeft, maar moet verder trekken naar Paddan-Aram. Het moet allemaal nog veel dieper in zijn hart doordringen, maar omdat er communicatie is met de hemel, kan Jakob ook verder gaan onder geleide van die God, die ook voor ons de toekomst open doet naar Zijn belofte in Christus gegeven.
| Bijbel "Het geschreven Woord is gegeven om ons in relatie te brengen met het Levende Woord." (vertaling uit het Engels) James Ryle, The hippo in the garden |