"Geestelijke verzorging geen sluitpost"

1996-05-17
  • Jaargang 40
  • nummer 10
In Opbouw 40e jrg. nr. 5 van 8 maart 1996 schrijft drs. C. Bremmer een openingsartikel over geestelijke verzorging. Hij spitst dit toe op zorginstellingen en gevangenissen. Hij stelt, dat de bijzondere omstandigheden in dergelijke instellingen rechtvaardigen "dat een minimum aan waarborgen door de overheid wettelijk wordt vastgelegd". Hij pleit dan ook voor een algemene opdracht aan de overheid, dat er in dergelijke instellingen geestelijke verzorging zij. Hiermee "wordt ook tot uitdrukking gebracht dat geestelijke verzorging geen gunst of sluitpost is, maar een wezenlijk onderdeel van de verschuldigde zorg die niet ten achter mag worden gesteld bij materiële elementen van verzorging".

M.i. doet Bremmer terecht dit appèl op de overheid om haar verantwoordelijkheid in dezen serieus te nemen. Wat echter in dit artikel buiten beschouwing blijft, is de kerkelijke verantwoordelijkheid.
Geestelijke verzorging immers is geen neutrale aangelegenheid. Vanouds bewogen de kerken zich in hun ambtsbediening op dit terrein, hetgeen ook door de overheid is erkend door juist op de kerken - en later ook op andere levensbeschouwelijke organisaties - een beroep te doen. Wanneer dan ook vanuit de kerken de overheid gewezen wordt op haar verantwoordelijkheden, mag ook de tegenvraag naar de kerkelijke verantwoordelijkheid in dezen worden gesteld.

ArtikelII AKS
Wanneer we nu overzien, hoe de Ned. Geref. kerken omgaan met deze verantwoordelijkheid dan stuiten we allereerst op artikel 11 van het Akkoord van Kerkelijk Samenleven (AKS). Dit artikel handelt over de dienst van de predikant en bijzondere opdrachten en spreekt van de mogelijkheid sommige predikanten een bijzondere opdracht ten behoeve van geestelijke verzorging te verstrekken. Letterlijk staat er: "Het zal mogelijk zijn, dat sommige predikanten een bijzondere opdracht ontvangen ten behoeve van de opleiding tot de dienst des Woords, tot geestelijke verzorging van bijzondere aard of ter verbreiding van het evangelie."
Allereerst lees ik in dit artikel een erkenning van het werk van een geestelijk verzorger. Hij staat kennelijk op één lijn met in de kerken hoogst gewaardeerde arbeiders als zendelingen, evangelisten en kerkelijke hoogleraren.
Toch heb ik bij deze formulering wel een enkele vraag. Deze: of de formulering van dit artikel de kerkelijke verantwoordelijkheid niet verschraalt door te spreken over mogelijkheid. Het besef, dat zending en evangelisatie een verantwoordelijkheid en opdracht zijn, is in de kerken in ruime mate aanwezig.
En hoewel over de actuele invulling ervan verschillend wordt gedacht, staat ook de kerkelijke verantwoordelijkheid t.a.v. de opleiding tot de dienst des Woords niet ter discussie. Maar hoe zit het met de geestelijke verzorging?
Persoonlijk ben ik enkele malen aangelopen tegen de, ook naar mij uitgesproken, gedachte, dat een geestelijk verzorger toch maar goed wordt betaald. Hij is de weekeinden 'natuurlijk' vrij en zal 'dus' wel niet meer terug willen naar de kerken. Ook de gedachte dat een predikant als geestelijke verzorger is gaan werken, omdat het in de gemeente niet zo goed zou zijn gegaan, is nog niet helemaal verdwenen.
M.i. zijn bovenstaande gedachten, die gelukkig in onze kerken niet door een ieder worden gedeeld, een miskenning van de kerkelijke verantwoordelijkheid inzake geestelijke verzorging, waarbij ik nog voorbij ga aan de persoonlijke gevoelens van hen die in de geestelijke verzorging werkzaam zijn. De kerken hebben als uitwerking vim art. 11 AKS een commissie ingesteld voor geestelijke verzorging in de krijgsmacht. Deze commissie treedt op namens de kerken om geestelijke verzorging mogelijk te maken.
Daartoe voert zij overleg met de overheid en de dienst(en) Protestantse Geestelijke Verzorging in de krijgsmacht, benadert en werft dienaren van het Woord voor deze taak en voorziet de kerken van de nodige informatie en van advies. Deze commissie verricht uitstekend werk en haar inspanningen hebben er o.a. toe geleid dat er drie predikanten namens de Ned. Geref. Kerken werkzaam zijn als geestelijk verzorger in de krijgsmacht.

Meer dan krijgsmacht
Toch zou ik ook hierbij een kanttekening willen plaatsen. Ik constateer nl., dat onze kerken slechts actief zijn op het terrein van de krijgsmacht. Zorginstellingen, gevangenissen, koopvaardij, industrie en politie blijven buiten schot.
Voor al deze sectoren is er geen commissie en er zijn ook geen Ned. Geref. geestelijk verzorgers actief. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken, dat dit vooral historisch is bepaald, waarbij ook de gedachte, dat wij slechts een kleine kerk zijn met geringe middelen, een rol kan hebben gespeeld. Nu echter de samenleving vergrijst en steeds meer mensen in een of andere vorm van zorginstelling kortere of langere tijd verblijven, verdient het m.î. serieuze overweging om m.b.t. geestelijke verzorging ook op andere terreinen dan de krijgsmacht actief te worden. Wellicht kan gekomen worden tot de instelling van een commissie Geestelijke Verzorging overeenkomstig de bestaande, maar nu met een bredere opdracht dan alleen de krijgsmacht betreffende. Hiermee zou recht gedaan kunnen worden aan de kerkelijke verantwoordelijkheid inzake geestelijke verzorging in verschillende segmenten van onze samenleving, zeker wanneer dat ertoe zou leiden, dat ook Ned. Geref. predikanten als geestelijk verzorger werkzaam zouden worden in bijv. de gezondheidszorg. Tevens wordt het beroep op de overheid haar verantwoordelijkheden inzake geestelijke verzorging serieus te nemen klemmender, naarmate de kerken hun eigen verantwoordelijkheid in dezen verstaan.
Immers, ook in kerkelijk opzicht dient geestelijke verzorging geen sluitpost te zijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief