Over 'de weg' (3)
1996-10-04
‘Draagt God sandalen?’ Dit prikkelende zinnetje komt uit het boek van prof. dr. J. van Bruggen, een boek waar ik twee weken geleden al naar verwees. Het fragment is te vinden in het hoofdstuk over Johannes de Doper, die in Van Bruggens boek een opvallend grote plaats krijgt toegemeten. Johannes, die de weg effent voor een gestalte die enerzijds kan worden aangekondigd met de woorden van Jes. 40, zodat je de indruk krijgt dat je met de komst van Here zelf van doen hebt, maar anderzijds zo menselijk is als een man die zijn sandalen aanschiet. Johannes is het dus al, die dat goddelijke en menselijke van ‘De Sterkere’ – als groen en blauw – prikkelend dicht tegen elkaar aanzet. Daarmee word je direct in de opening van het evangelie al voor de vraag gesteld, die je in de evangeliën geregeld terughoort: ‘Wie is toch deze’ en ‘Vanwaar is Hij’?- Jaargang 40
- nummer 20
Automatische piloot
Ik mag het wel, zo'n weinig conventionele vraag als 'draagt God sandalen?' Je realiseert je op zo'n moment dat we kerk zijn met een geschiedenis van eeuwen. Waarbij eeuwenlang gepreekt is over Jezus Christus en die gekruisigd. En wij hebben persoonlijk van al die eeuwen 20, 30 of misschien 80 jaar meegemaakt, met de zondagse verkondiging week in week uit. Reeksen van preken met de taal en de benadering, die zijn wortels heeft in die eeuwenoude kerk. Alle kans dus dat ook wij ons geloof uitdrukken in de geijkte en beproefde wendingen, met misschien wel als grootste gevaar dat de verwondering uit ons geloof wegsijpelt. Of erger, dat we die verwondering zelfs niet van huis uit hebben meegekregen. Zodat je in je spreken over Jezus lijkt op een vliegtuig dat koerst op de automatische piloot. Zo'n vraag als 'draagt God sandalen' verstoort dat gangbare en geijkte en zou een hele mooie aanzet kunnen zijn om weer eens opnieuw naar de getuigen van het Nieuwe Testament te luisteren.
Vragen rond Jezus
Lezend in het boek van Van Bruggen viel me op hoe vaak er rondom Jezus vragen zijn gesteld. Vragen als 'wie is Deze' en 'vanwaar is Hij' of 'krachtens welke bevoegdheid doet U deze dingen'. Vragen, die blijven tot aan het eind van Jezus' weg op aarde: "Here, herstelt U in deze tijd het Koningschap voor Israël" (Hand 1:6). Die vragen en reacties van de omstanders zijn geen overbodige uitloop van een wondergeschiedenis of iets dergelijks, maar vormen een wezenlijk onderdeel van het getuigenis aangaande Jezus. En ze zijn zeker niet bedoeld om er aan voorbij te gaan met een licht verwijt van onze kant naar de mensen rondom Jezus: dat ze ondanks alles nog niet in de gaten hadden wie Jezus was! Daarvoor zit er in de vragen die rond Jezus te horen zijn te veel waardevol en in zekere zin begrijpelijk misverstand, ongeloof, kennen-ten-dele, maar ook verwondering in geloof of bijna geloof. En juist daarom is het voor ons goed om die vragen en reacties te beproeven en te doorleven.
Jezus vragenderwijs
Zulke vragen van mensen rondom Jezus, vragen als 'wie is toch Deze' worden gewekt door zijn eigen optreden.
'Jezus draagt de titel 'Messias' niet als een schild voor zich uit. Hij vraagt erom', zegt Van Bruggen ergens (p.124). In heel zijn optreden, zowel in zijn woorden als daden, zit iets vragends - op het uitdagende afdat roept om een antwoord.
Neem een zinnetje als 'Ik ben gekomen', dat je meer dan eens uit Jezus' mond kunt horen. Het klinkt ons zo gewoon in de oren, dat je gedachten haast als vanzelf gaan in de richting van Nazareth. Maar als je zo'n zin in zijn geheel neemt (b.v. 'Ik ben gekomen om te zoeken en te redden wat verloren is') dan kan Nazareth niet het vertrekpunt zijn. Dat geeft zo'n wending als 'Ik ben gekomen' iets intrigerends, waardoor je geprikkeld wordt om door te denken over de betekenis en consequenties van wat hier gezegd wordt. Zo stimuleren Jezus' woorden je tot de vraag: maar vanwààr is Hij eigenlijk? Of ook als Jezus in de bergrede met zoveel power de mensen aanspreekt met zijn 'Maar Ik zeg u'. Waar de profeten in het Oude Testament het deden met iets als 'zo zegt de Here', daar klinkt het bij Jezus in grote directheid. Alleen al deze wijze van uitdrukken, nog even afgezien van de verdere inhoud, maakt dat je niet om de vraag heen kunt: maar wie is eigenlijk deze spreker? Datzelfde kun je zeggen van de wonderen, die Jezus deed. Ze brengen de mensen tot ontzetting en verwondering. Je hoort dat in de reacties: "Wat is dit? Een nieuwe leer met gezag! Ook de onreine geesten geeft Hij bevelen en zij gehoorzamen Hem!" (Mc 1:27). Mensen rondom Jezus zijn zichtbaar onder de indruk gekomen van zijn macht over ziekte, demonie en natuurkrachten: ,,wie is toch deze, dat zelfs de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn" (Mt 8:27). Kortom, zijn werken roepen net als zijn woorden de vraag op naar de Persoon, die dit alles bewerkt. En ten diepste nodigen de werken (van de Christus) ieder die daarvan getuige is uit om door te stoten naar de belijdenis, dat Jezus de Christus is (vgl. Mt 11 :2-6). Van Bruggen vraagt in zijn boek aandacht voor het brede spectrum aan reacties op Jezus' optreden - van de kant van zijn discipelen, de schare, zijn tegenstanders, de demonen. Ook al is in zekere zin het eigenlijke (b.v. een wonder van Jezus) op dat moment al achter de rug, toch kunnen die reacties van de mensen rondom Jezus ons stimuleren tot een eigen evaluatie van Jezus' woord en werk. Met onontkoombaar de vraag: wie zeggen wij dat Hij is?
De zoon van de mens
Een vergelijkbaar patroon van actie en reactie is zichtbaar als Jezus zich aanduidt als 'de zoon van de mens'.
Gangbaar is de opvatting, dat de achtergrond van die typering gezocht moet worden in het Oude Testament (m.n. Dan 7:13 "met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon’) of in joodse geschriften, die ontstonden in de tijd tussen het Oude en Nieuwe Testament.
Van Bruggen ziet dat directe verband om allerlei redenen niet zo en houdt het er op dat Jezus met zijn aanduiding 'de zoon van de mens' aansluit bij wat de mensen van Hem vinden, n.1. 'niet meer dan een mens' (b.v. zoon van Jozef). De winst van die zienswijze is wel, dat je rond de benaming 'de zoon van de mens' hetzelfde ziet gebeuren als bij Jezus' woorden en wonderen. Want laat de naam zelf dan laagdrempelig zijn, door wat Jezus verder zegt en doet, schept Hij een opvallend contrast met die schamele naam (p.97). Denk b.v. aan Jezus' woorden tegenover de geestelijke leiders, dat 'de zoon des mensen macht heeft op aarde de zonden te vergeven' of 'de zoon des mensen is gekomen om zijn leven te geven als losprijs voor velen'. Dat lage en dat hoge tegelijk geeft een spanning, die je ook hier onontkoombaar stelt voor vragen als: 'wie kan zonden vergeven dan God alleen'? (Mc 2:7).
Zoon van God
Als je in de evangeliën mensen ziet komen tot de belijdenis dat Jezus meer is dan een mens, dan noemen ze Hem de Christus of de Zoon van God. Het overwegen waard is Van Bruggen's opvatting, dat ook hier een grote plaats moet worden ingeruimd voor het voorbereidende werk van Johannes de Doper.
Er was rond het jaar nul zeker toekomstverwachting in Israël, verwachting die ook gebonden was aan een messiaanse gestalte, maar die verwachting had wel een diffuus karakter. Van Bruggen stelt, dat het Oude Testament krachtig genoeg was om het volk op dit punt hoop te geven, maar te weinig om een helder beeld te verschaffen van wat vóór hen lag.
Johannes de Doper heeft door zijn prediking deze sluimerende verwachtingen gewekt en in staat van paraatheid gebracht (p.104). B.v. als Johannes 'de Sterkere' aankondigt, waarmee hij iemand aanduidt als meer dan een mens (p.125). Zo effent Johannes ook in dit opzicht de weg van Jezus; een weg, waarbij de confrontatie met de geestelijke leiders van Israël niet te ontlopen is. Maar ook dan (in de beschuldiging van godslastering) heb je dus weer te doen met zo'n reactie op Jezus' optreden, waardoor je geconfronteerd wordt met de grote pretentie in Jezus' optreden en het mysterie dat in Hem vlees en bloed is geworden. Onbegrijpelijk is die beschuldigende reactie van Jezus’ tegenstanders allerminst. C.S. Lewis zegt ergens, dat je met Jezus' optreden maar twee kanten uitkunt: of Jezus was een godslasterlijke idioot of werkelijk degene voor wie Hij Zich uitgaf.
Losprijs voor velen
Bevreemdend is ook de spanning van enerzijds Jezus' macht over ziekte en demonie en anderzijds dat Hij toeliet dat zijn werk miskend werd en zelfs voor duivelswerk werd uitgemaakt. Dat wordt wel heel navrant zichtbaar in zijn werk bij uitstek, het lijden zichzelf kan Hij niet redden' (Mc 15:31). Tot in zijn dood kwam uit, dat Jezus geen mens werd om zichzelf te dienen, maar om te dienen. Het meest bijzondere aan zijn vernedering en lijden is wel, dat daarin een immense verlossingskracht blijkt te zijn opgesloten. Hoe is dat mogelijk dat de executie van een mens zo heilzaam kan zijn, is toch een vraag die in ieder mensenhart opkomt. Als je 'moeite krijgt met Jezus' dan toch zeker hier.
Daarin daagt ook dit ultieme werk van Jezus uit tot onze reactie. Zoals je ze ook hoort aan de voet van het kruis. Niet de minste komt uit de mond van een heiden: "Waarlijk deze mens is een Zoon Gods".
Verwondert u!
Hoe heilzaam is het om je als mens van tijd tot tijd te buigen over een bloem, een paddenstoel of één of ander vreemdgevormd insect. Of zittend voor het beeldscherm van de computer voor een moment te verzinken in verwondering over het wezen van één elektron, dat onbegrijpelijk blijft, hoe handig je ook dagelijks gebruik maakt van miljoenen van die dingen. Want besturen en gebruiken van de dingen is nog iets anders dan het mysterie van het kleinste tot het grootste te doorgronden. De wereld is in wezen één groot mysterium, dat niet opgelost kan worden, maar alleen beantwoord met lof aan de grote Architect. Daar vraagt de schepping om. Wat van de schepping te zeggen is, geldt ook van Jezus (vgl. Ps 19). Hoe verwonderingwekkend is het getuigenis aangaande Jezus, zoon van de mens en Zoon van God. Of je nu let op wat Hij zegt of doet, of op de benamingen, waarmee Hij zich tooit of getooid wordt, of op de reacties die Hij losmaakt. Die verwondering, die je van elke bladzijde van het evangelie afleest, staat ver af van de onverschilligheid, waar ik het in de eerste twee artikelen over had. Ongetwijfeld helemaal niet kwaad bedoeld, maar wel onverschilligheid tot in het meest centrale toe: of Jezus nu de Zoon van God is of niet, doet er niet zo veel toe. Voor alle duidelijkheid. Ik heb niet de mensen voor ogen, 'die niet weten wat ze met Jezus aan moeten' . Die moeite vat' ik wel, sterker nog in de evangeliën zijn tal van zulke reacties te vinden. Mijn onbegrip betreft degene, die zittend op de tak van het evangelie, de vraag of Jezus Gods Zoon is voor irrelevant houdt. Maar laat ik er direct bij zeggen, dat een dorrige orthodoxie met een geloof in Jezus als op de automatische piloot, je misschien wel op die gedachte kan brengen. In een klimaat waar de verwondering over Jezus leeft - helemaal in de lijn van de evangeliën - zal die verleiding een stuk minder groot zijn.
Vier weken terug schreef ik, dat we juist in het centrale van ons geloof steeds weer onder de indruk moeten komen van dat getuigenis van de apostelen en profeten. Het genoemde boek van Van Bruggen is één van die boeken, die je (opnieuw) aanzetten tot een gespitst luisteren naar het getuigenis van de apostelen. Een getuigenis, dat ons wil brengen tot een geloof waar onze verwondering over de weg van de Zoon en de lof op Gods verlossing door Jezus Christus in te horen is.
Omdat andere alleen-menselijke pogingen tot bevrijding vastliepen. In dat licht is het misschien zo vreemd niet meer wanneer Petrus zegt dat onze redding door niemand anders is en onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven is, waardoor wij gered moeten worden (Hand 4:12)!