Open kerken

1996-10-04
  • Jaargang 40
  • nummer 20
Soms bepleiten mensen het openstellen van kerkgebouwen gedurende de hele week. God wil er immers open hof houden, zeggen ze. Kerkgebouwen en kapellen zouden volgens hen bij uitstek de plaatsen moeten zijn, waar men God ook in de week werkelijk kan ontmoeten.

Ook ik heb het wel eens betreurd dat (sommige) kerkgebouwen in de week gesloten zijn. Dat was - om slechts één voorbeeld te noemen - het geval tijdens een vakantie in het belgische Herentals. De St. Waltrudiskerk en de Begijnhofkerk daar waren beide gesloten. Mijn vrouwen ik waren er speciaal naar toe gereden, niet omdat we van mening waren dat we God daar pas werkelijk konden ontmoeten, maar omdat er zoveel moois te zien moet zijn. Helaas konden we er niet in, een verschijnsel dat vanwege de toenemende diefstal van kostbaar kerkinterieur steeds vaker voorkomt. Protestantse kerken laten we als regel zonder meer links liggen. Daar valt meestal niets te zien dat de moeite waard is. Alleen in Duitsland kun je ook in Evangelische kerken wel eens interessante dingen tegenkomen. Ook ik mag dus graag kerken binnenlopen, maar dan wel vanuit een heel andere motivering dan de in de eerste alinea genoemde. Nu zou het geen enkele zin hebben dat te vermelden, als die verschillende motieven niet te maken hadden met een verschillende visie op de plaats en de functie van een kerkgebouw. Daarover wil ik graag iets zeggen.

Alle plaatsen goed genoeg
Voor het besef van veel mensen heeft een kerkgebouw dezelfde functie als de tempel in het Oude Testament. Die tempel was inderdaad het huis van God. Daar had Hij zijn intrek genomen. De pelgrims die uit heel het land in Jeruzalem bij de tempel aankwamen, verschenen daar voor God (Ps. 84:8). De tempel was Gods huis op aarde (Ps. 84:11). Daar hield Hij open hof.
Naar de tempel gaan was: tot God naderen, voor zijn aangezicht komen, Hem ontmoeten. Vaak wordt wat in het Oude Testament van de tempel in Jeruzalem gezegd wordt, zonder meer overgedragen op kerkgebouwen.
Een kerkgebouw wordt dan ook Gods huis genoemd. Daar woont Hij. Naar de kerk gaan is identiek met: voor Gods aangezicht verschijnen. Nergens ben je dichter bij God dan in een kerkgebouw, niet alleen op zondag maar ook in de week.
Een dergelijke gedachtengang gaat vierkant in tegen het Nieuwe Testament. Christus heeft de oudtestamentische eredienst tot vervulling gebracht. Het Nieuwe Testament kent geen cultus en geen heilige plaatsen meer.
God woont niet meer in een gebouw, maar in mensen, in zijn gemeente. De christelijke gemeente is nu zijn woonplaats.
Om God te ontmoeten is een kerkgebouw geen vereiste. Ook voor ons gebed zijn we niet meer aan een speciale plaats gebonden (Joh. 4:20-24). God ontmoeten kan overal. Het kan middenin het geroezemoes van een groot warenhuis en op de snelweg achter het stuur van je auto. Het kan in een kerkgebouw maar ook in een kazerne of een politie-bureau. Het kan in een restaurant en in een binnenkamer, in een bioscoop en in een congreshal, op een stil plekje in een bos maar ook naast de bulderbaan van de druk vliegveld, waar horen en zien je vergaat. Geen van die plaatsen is beter of geschikter of heiliger dan de andere. Alle plaatsen zijn goed genoeg om God te kunnen ontmoeten.

Voor Gods aangezicht
God ontmoeten: bijna automatisch en vanzelfsprekend hanteren we deze uitdrukking. Toch komen we dergelijke uitdrukkingen in het Nieuwe Testament nauwelijks tegen. Met behulp van een concordantie laat zich gemakkelijk vaststellen, dat we in het Oude Testament regelmatig gesproken vinden van: tot God naderen; voor Gods aangezicht komen, verschijnen; God ontmoeten. Maar in het Nieuwe Testament vind je dergelijke uitdrukkingen vrijwel niet terug. Dat heeft alles te maken met het feit dat God sinds Christus niet meer in een bepaald gebouw in een bepaalde stad woont.
In het Oude Testament was God ontmoeten en tot Hem naderen heel concreet geografisch bepaald. Om voor Hem te verschijnen moest je letterlijk een aantal meters of kilometers lopen. Dat is nu niet meer zo. Ons hele leven , waar we ook zijn, waar we ook heengaan en wat we ook doen , speelt zich nu voor Gods aangezicht af. Op kantoor, in de klas, in de trein of in bad bevind ik me niet minder voor Gods aangezicht dan in een kerkgebouw. De identificatie van kerkgebouwen Gods huis heeft diepe wortels in de kerkgeschiedenis en hangt samen met het feit dat sinds de tweede eeuw na Christus het sacrale, cultische denken in combinatie met het clericalisme in de kerk begint door te dringen en daar vaste grond onder de voeten krijgt.
Aan het Nieuwe Testament is dit alles volkomen vreemd.' Volgens velen vind je in kerkgebouwen een gewijde stilte en proef je er de geest van het gebed. Het merkwaardige is echter dat dit blijkbaar alleen het geval is in een beperkt aantal, vaak middeleeuwse, kerken. Er zijn ook kerken die volslagen sfeerloos en kil zijn. Daar voel en proef je niets van wijding. Toch wordt in die kerken niet minder gebeden. De geest van het gebed en het gewijde karakter van stilte zijn dus niet zonder meer met het kerkgebouw als zodanig gegeven, maar staan of vallen met het al of niet aanwezig zijn van bepaalde architectonische eigenschappen en een zekere ouderdom van een kerkgebouw.

Vergaderruimte
Er is niet zoiets als een geest van gebed die ergens in een gebouw kan hangen. Als een dergelijke geest bestond, zou je hem in elk kerkgebouw moeten proeven en niet in een beperkt aantal. Er bestaat ook niet zoiets als gewijde stilte in onderscheid van profane stilte. Stilte is gewoon stilte. Als iemand die als gewijd ervaart, is dat niet een eigenschap van die stilte zelf, maar het gevolg van een subjectieve beleving van die stilte. Stilte kan op alle mogelijke manieren beleefd en ervaren worden. Er zijn ook mensen die de stilte van een kerkgebouw beleven als koud. Ook dat is een subjectieve beleving en geen objectieve kwaliteit van de stilte zelf. Wat is dan de functie van een kerkgebouw? Het dient als vergaderruimte voor de gemeente. Uiteraard kan een gemeente ook in andere ruimten samenkomen. Een paar voorbeelden daarvan uit mijn eigen praktijk: in Houten vergadert de gemeente in een verbouwde boerderij, waar in de week ook heel andere activiteiten plaatsvinden.
Tal van gemeenten komen samen in aula's van scholen. In Groningen preekte ik (en preek ik nog wel eens) 's zondags in een Congrescentrum, waar soms 's zaterdagsavonds de (toen nog bestaande) CPN vergaderd had of een daverend feest gewoed had, zodat de bierblikjes nog op de vloer rondslingerden. In Zuid Afrika heb ik een tijdlang kerkdiensten in de openlucht gehouden en in de gevangenis van Richmond deed ik dat op de binnenplaats. In Efeze hield Paulus twee jaar lang samenkomsten in een vergaderzaal van een zekere Tyrannus, een filosoof, die daar zijn voordrachten hield (Hand. 19:9,10). Volgens een kanttekening in een van de handschriften kon Paulus daar alleen terecht van 's morgens 11 uur tot 's middags 4 uur, de heetste tijd van de dag, wanneer de meeste mensen hun siësta deden. Daarvóór en daarna had Tyrannus zijn gehoorzaal zelf nodig.

Open gemeente
Alle genoemde ruimten zijn in principe geschikt. Geen enkele ervan is heiliger of gewijder dan de andere. Het enige criterium is de praktische bruikbaarheid. Het zou dwaasheid zijn een ruimte te kiezen waar tijdens de kerkdiensten in een bovenzaal een drumband oefent. Voor tal van buitenkerkelijken in onze tijd heeft een kerkgebouw een veel hogere drempel dan andere vergaderruimten. Het is dan ook allang niet meer zo dat een kerkgebouw per definitie de meest geschikte ruimte is voor de samenkomsten van een gemeente. Soms moet je zelfs zeggen dat een kerkgebouw de minst geschikte ruimte daarvoor is.
Moet een kerkgebouw nu de hele week openstaan? Als het erom gaat een plaats te hebben waar je God werkelijk ontmoeten kunt, zegt ik: laat de deuren dan maar dicht, want in een kerkgebouw ben ik echt niet dichter bij God dan in mijn eigen huis. Ik kan me wel voorstellen dat er andere redenen kunnen zijn om een kerkgebouw ook in de week open te stellen: als een opvangcentrum voor mensen in nood bijvoorbeeld. Niet in de zin van een vrijplaats, een asiel, zoals dat tegenwoordig wel eens het geval is. Want dan maak je van een kerkgebouw toch weer een tempel, een heilig stukje grond waar God woont en dat daardoor onttrokken is aan alle profane regels en wetten. Dat is niet in overeenstemming met het Nieuwe Testament. Maar een kerkgebouw kan wel een opvang zijn in deze zin, dat men er altijd kan binnenlopen en er altijd wel iemand vindt met wie men over zijn problemen en noden kan praten. Hier en daar functioneren kerkgebouwen al op deze manier. Het ware te wensen dat er veel van zulke open kerkgebouwen kwamen. Maar daarvoor moeten er eerst open mensen, open gemeenten zijn. Een open kerkgebouw zonder een open gemeente is niets anders dan een meer of minder geslaagd specimen van de architectuur, in het beste geval interessant voor mensen die daarin geïnteresseerd zijn, maar voor mensen in nood is dat te mager.

Noot:
Zie hierover uitvoeriger: M.R. van denBerg: De brief aan de Efeziërs. Amsterdam. 1981. p. 127-137;
Als de kerk ter sprake komt. Kampen. 1993. p. 110-128.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief