Opgediept - opgegraven

1996-11-15
  • Jaargang 40
  • nummer 23
In twee wat titel en kaft betreft op elkaar afgestemde uitgaven bundelde ds. Van den Berg een aantal eerder door hem in tijdschriften gepubliceerde artikelelen. De in Opgediept verzamelde artikelen cirkelen rond bepaalde vragen en themata. In Opgegraven staat bijbeluitleg centraal. Zoals eigenlijk alles van zijn hand is ook het hier gepubliceerde vlot te lezen: en ook de moeite waard. Tekstregisters vergemakkelijken het gebruik.
Wat Opgediept betreft, zou ik bijzonder de aandacht willen vestigen op het aangrijpende artikel 'Christus en de Amadlozi'. Het is een verhaal van het zendingsterrein waarop vdB. heeft gewerkt Het gaat over Christus' overwinning in een Zoeloe-vrouw die dreigde zich als isangoma (medium) te laten gebruiken voor het raadplegen van amadlozi (geesten van gestorvenen). Het verhaal heeft me - dat allereerst weer evenzeer geroerd als dertig jaar geleden, toen ik het voor het eerst las. Maar - dat in de tweede plaats - naar aanleiding hiervan legt vdB. ons vragen voor betreffende het bestaan van geesten van gestorvenen. Wel wijst hij bepaalde antwoorden af als in het licht van de Schrift onbevredigend. maar hij blijft zitten met een problemen-complex dat moeilijk te ontrafelen valt (blz. 33). En hij vraagt zijn lezers om opmerkingen of vingerwijzingm Als ik het slot van het artikel in deze herdruk ongewijzigd en onaangevuld herhaald zie. meen ik te mogen aannemen, dat hij geen noemenswaardige reacties op zijn uitnodiging heeft gehad. Herlezing prikkelde mij tot nadenken. Laat ik echter meteen erkennen, dat ook ik het problemen-complex niet voUedig kan ontrafeleTL Toch waag ik het een paar opmerkingen te maken.

1. vdB. verwijst o.a. naar Hand. 16.16 vv (blz. 27). De slavin met de waarzeggende geest die Paulus in Filippi volgt zou een isangoma mogen heten, vdB. citeert Strack' Bülerbeck, die zeggen, dat Lucas' omschrijving wijst op "de geest van een dode, die zijn openbaringen gaf door middel van buikspreken", evenals bepaalde amadlozi bij de Zoeloes dat doen, Onmiddellijk daarna (in paragraaf XVII) zegt hij dan: "Het verschijnsel der bezetenheid in de evangeliën is anders van karakter".
Ook in de Zoeloewereld maakt men scherp onderscheid tussen bezetenheid door een vooroudergeest en die door demonen, In dat laatste geval treedt een exorcist op. Mijn vraag: Maar Paulus treedt hier, ofschoon het om de geest van een gestorvene gaat.
dan toch maar als exorcist op: hij beveelt die geest van haar uit te gaan (v. 18)! Is er dan behalve verschil toch ook niet overeenkomst tussen beide soorten geesten? Ontmoeten we ook in de geest van een gestorvene toch niet een boze demon, een geest uit de afgrond?

2. Als dat het geval is, komen we voor de vraag, of dan ook de geest van een gestorven ware profeet als Samuel onder de boze geesten gerangschikt moet worden (1 Sam 28).
Ik vraag mij af, of we hier niet met een geraffineerde verstrengeling te maken hebben. Paulus zegt (I Cor. 10,19}:je moet niet denken, dat ik bedoel: een afgod bestaat. En hij zit daarmee op het spoor van b.v. Ps. 115,4-7 en Jes. 44.12-17. Alleen: Paulus laat het daar niet bij. Hij vervolgt: wat mensen aan zulke quasigoden offeren. offeren ze in feite aan de boze geesten. En die bestaan wel degelijk. Hun moeten de christenen dan ook uit de buurt blijven (v. 20b). De dichter van Ps. 115 en Jesqja zeggen als het ware: die afgod is maar een poppetje.
En dat is waar. Maar Paulus zegt: akkoord; maar er zit wél een boze geest achter!
Ik ben dan ook geneigd te denken, dat de vrouw uit Endor in de macht is van een boze geest. (En dat die een realiteit is die echt macht heeft, daaraan behoeven we niet te twijfelen. Denk b.v. aan Ex. 7.11-22; 8,7. Zie ook 2 Thess. 2,9 en Openb. 13.15.) En dat die haar in trance brengt; en in die geestestoestand bij haar het beeld van Samuel oproept (v.12). Wellicht is die geest het ook die haar ogen ervoor opent, dat ze in de man die haar komt raadplegen, met Saul te maken heeft (v. 12); vgl. Gen. 3,7?
De dode Samuel- daarin heeft Telder, denk ik, gelijk - speelt hier zelf geen rol. De doden weten niets, de dode Samuel zo min als alle andere doden. Niettemin: een boze geest speelt m.i. hier wel degelijk een rol. En deze geest doet zijn medium (de tovenares) geloven, dat ze met Samuel contact heeft. Wellicht imiteert hij de stem die hij haar (buiksprekend?) laat afgeven. de stem van Samuel. We mogen namelijk uit het verhaal m.i. opmaken dat Saul de stem die tot hem sprak heeft gehoord en als de stem van Samuel gemeend heeft te herkennen.

3. En nu is de meest pijnigende vraag: hoe kan, als hier iemand optreedt die de macht van een boze geest is, zij toch de waarheid spreken?
Hier denk ik aan Büeam Deze profeet. die in zijn hart tegen den Heere en tegen diens volk is blijven kiezen - getuige zijn advies aan Balak, Openb. 2,14 - heeft toch in zijn orakels tegen wil en dank laten horen. wat de Heere hem ingaf (Num 22-24). Ook boze geesten worden uiteindelijk door den Heere zelf gedirigeerd, zie b.v. 1 Sam 16,14 en 1 Kon.
22,21-23. Hoe de activiteit van Satan 'ingekapseld' kan zijn in die van den Heete, zien we, als we 2 Sam 24,1 vergelijken met 1 Kron. 21.1 (men denke ook aan Joh. 11,50,51!) Wat Opgegraven betreft, volsta ik eveneens met het aanstippen van enkele punten uit één enkel artikel namelijk dat over Openb. 19.11-21. Op blz. 30 wordt de boekrol uit Openb. 5,1 geduid als "het boek der geschiedenis'. Dat is de traditionele uitleg. Ik meen echter op goede gronden te hebben betoogd, dat het hier gaat over 'het boek des levens', lil de lijst met de namen der erfgerechtigden.
In v. 2 wordt naar mijn idee een herder gezocht die de schapen. in dat boek geregistreerd, naar hun weidegebied (het beloofde land) kan leiden.
(Zie Opbouw jrg. 36 blz. 293-295.) Blz. 38: het beest uit de afgrond (Openb. 11,7) moet niet worden geïdentificeerd met de draak uit Openb. 12 - die immers uit de hemel neerkomt (l2,3) - maar met het beest uit de zee, waarover 13,1-10 het heeft. ('Afgrond' moet men niet verstaan als 'ravijn', maar als 'onpeilbare diepte', met name ook 'het diepe water', b.v. Job 28,14; Ps. 33,7; 42,8 (LXX).) Zijn oorlog met en overwinning op de twee getuigen in 11,7 vooruitgrijpend gememoreerd, is wezenlijk dezelfde als die welke 13,7 in sterk overeenkomende bewoordingen vermeldt. (Zie Opbouw jrg. 37 blz. 122-123; 143-145; 177.) Het gaat hier - zoals vdB. terecht stelt - om een "belichaming van de Satan". Uit Openb. 17 wordt zelfs duidelijk, wie het is in wie de Satan dan vaart: Johannes van Gischala. Het gaat hier inderdaad om een exponent van "een God vijandige staatsmacht (zo vdB., blz. 38), maar dan de staatsmacht die Gods eigen volk, het oude Israël, tegen de Romeinen opbouwt in 66-70 na Chr.; een macht die God vijandig is, omdat ze opkomt uit de verwerping van den door God gegeven koning, Jezus Christus. (Zie Opbouw jrg. 37, blz. 221 v. en 238 v.) Beide deeltjes aanbevolen!

(Overgenomen uit: 'De Brug', contactorgaan van de Ned. Geref. Kerk 'Tehuisgemeente' te Groningen.)

N.a.v.:
M.R. van den Berg, Opgediept (gebundelde artikelen).
Kampen 1994. 105 blzz.; prijs J 23,90.

M.R. van den Berg, Opgegraven (gebundelde artikelen).
Kampen 1994. 102 blzz.; prijs J 23,90.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief