Wedergeboorte en bekering (1)
1996-11-29
Er zijn wel kerkelijke bladen waarin de beide hierboven staande woorden frequenter voorkomen dan in Opbouw. Wedergeboorte en bekering: het spreken daarover laten wij in doorsnee maar liever over aan onze broeders ter rechterzijde; dat is meer hun specialiteit.- Jaargang 40
- nummer 24
Toch zou het jammer zijn wanneer wij ons op dit punt zouden laten leiden door een soort koudwatervrees;al was het maar omdat we dan in de ontmoeting met broeders uit deze richting dikwijls niet zo recht weten wat we in moeten brengen tegen hun bezwaren, meestal hierop neerkomende dat het bij ons allemaal wel erg gemakkelijk gaat, en dat er met een mens toch ook nog wat moet gebeuren I Uit een gesprek met een broeder uit de Gereformeerde Gemeente ontstond de brief die ik u hierbij laat meelezen. Een enkele hier niet ter zake doende opmerking heb ik weggelaten. Publicatie gebeurt in het vertrouwen dat de erin aan de orde komende zaken ook in onze tijd zeker nog van belang zijn.
De aanleiding
..Zeer geachte broeder, .De afgelopen dagen ben ik wat blijven doordenken over ons korte gesprekje van zondag. En gaandeweg kwamen er bij mij een aantal gedachten boven die ik door middel van deze brief aan u wil doorgeven. Een brief heeft wat mij betreft ook het voordeel dat ik in staat ben op een meer overzichtelijke manier duidelijk te maken hoe mijn gedachten zijn, met name ook op het door u genoemde punt van wedergeboorte en bekering.
In de etalage
Ik begin bij wat u zei over die preek die u van mij gehoord had over het gebed, en waarin u het belangrijkste gemist had, namelijk de oproep / waarschuwing dat je wel echt moet geloven voordat je je al die mooie dingen uit de preek mag toeëigenen.
Ik heb me afgevraagd hoe het komt dat ik bij mezelf merk dat ik veel moeite heb met zo'n opmerking - en die moeite bedoel ik dan niet in persóónlijke zin, alsof ik mezelf beledigd zou voelen - dat is het niet maar ik bedoel het in religieuze zin.
Laat ik proberen duidelijk te maken wat daar bij mij achter zit. Het is dit: als ik zou doen wat u zou willen, dan zou ik voor mijn besef tekort doen aan de genade van God, tekort doen aan het onvoorwaardelijke van Gods aanbod.
Door ergens in de preek de clausule in te bouwen: ..Beste mensen, dit geldt alleen als je wedergeboren bent", zet je - onbedoeld, stellig, maar daarom niet minder duidelijk - al het voorgaande op losse schroeven.
Je bent dan als een winkelier die alle kostelijke producten uit z'n etalage rnet verve aanprijst - maar op het moment waarop de klant zegt: ..Dat wil ik graag hebben", zeg je tegen hem: ..Ja, maar je moet niet denken dat dat voor jou is; dat gaat echt niet zomaar'; en voor het oog van de verbouwereerde klant klapt de winkelier de prachtige etalage dicht. 't Was maar schijn, die mooie etalage.
Kinderen van God?
U zult zeggen: ..Maar de beloften van God gelden toch alleen voor hen die werkelijk Zijn kinderen zijn; die horen tot Zijn volk? En kun je al die mensen in de kerk dan aanspreken alsof zij daarbij horen? Er zijn toch ook ongelovigen, er zijn toch huichelaars"!" Ik kom zo bij het antwoord op die vragen.
Eerst een voorbeeld: van mijn kinderen verwacht ik dat ze van me houden. Is dat een harde wet? Moet ik daar regelmatig op aandringen? Welnee, het zijn immers mijn kinderen. En ik zou - terecht - heel verbaasd en heel teleurgesteld zijn als ze op een gegeven moment zouden zeggen: ..Pa, ik hou niet meer van je". Niet dat dat niet ooit kan gebeuren - dat kán het helaas wél - maar ik ga er niet van uit; ik verwacht het normale, namelijk dat m'n kinderen van me houden, en dat de relatie goed is, niet alleen van mij uit, maar ook van hén uit gezien. En ik ga dus ook niet in elk gesprek aan mijn kinderen vragen of ze (al) wel van mij houden - waarom zou ik het normale in twijfel trekken? Nu, ik denk dat de Here ook zo met ons omgaat. Hij heeft ons aangenomen tot Zijn kinderen, en nu verwacht Hij van ons, en Hij mág van ons verwachten, dat we zullen leven als Zijn kinderen; dat we niets liever zullen willen dan zó leven dat Hij er plezier in heeft.
De Doop
Een absolute voorwaarde voor deze visie van mij is wel dat ik de Doop volstrekt serieus neem. Als God bij de Doop zegt (en ik citeer dan maar de bewoordingen van het klassieke Doopsformulier): ..Als wij gedoopt worden in de naam des Vaders, zo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht, ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt...", dan kan ik twee dingen doen: ik kan dat geloven, ik kan het als een Goddelijk feit aanvaarden dat de almachtige Koning van hemel en aarde mij, klein mensje, tot Zijn kind heeft aangenomen, zónder enige prestatie van mijn kant, zelfs zonder dat er op dat moment ook maar enig spoor van geloof bij mij aanwezig was (want ik was nog maar een baby van een paar weken) - nog eens: dat kan ik geloven - of ik geloof het nfét; en ik zeg: ..Nu ja, God zégt dat nou wel, maar dat is natuurlijk niet echt waar . Dat is iets wat misschien in de toekomst een keer waar kan wórden: als Hij mij namelijk heeft laten wedergeboren worden en mij bekeerd heeft: ja, dan, dán mag ik mijzelf beschouwen als Zijn kind; maar nu: nee, nu nog niet; zo bedoelt God dat niet." U zult verstaan, broeder, dat ik de stellige overtuiging heb dat ons maar één ding te doen staat: en dat is de Here vertrouwen op Zijn Woord; óók op Zijn Woord zoals Hij dat bij het allereerste begin van mijn leven heeft gesproken. Kan ik Hem dáár niet vertrouwen, dan nérgens. Dan is het hopeloos; dan word ik altijd weer teruggeworpen op mijzelf; dan moet ik de zekerheid zoeken in mezelf, in mijn geloof, in mijn bevinding - in plaats van in de onwankelbare belofte van God, in het verbond dat Hij met ons sluit; 'een eeuwig verbond der genade', om opnieuw dat prachtige Doopsformulier aan te halen.
Automatisch?
Wellicht zult u nu de vraag stellenzoals in dit verband regelmatig gebeurt - of ik dan soms meen dat de Doop het garantiebewijs voor de eeuwigheid is; zodat je zou kunnen zeggen: "Ach, waar zal ik me druk over maken; ik ben toch immers gedoopt?
Wat kan me gebeuren?" Nee, zo is het zeker niet; en het is mij in feite onbegrijpelijk dat dit soort vragen telkens weer opduiken. Ik ervaar er iets bij van wat Paulus moet hebben gevoeld, als hij in de brief aan de Romeinen een aantal tegenwerpingen tegen het Evangelie suggereert, en die vervolgens afwijst met een zeer beslist: "Volstrekt niet!", of, in de Oude Vertaling: "Dat zij verre" (zie o.a. Romeinen 6:2,15; 7:7,13). Dat zijn eigenlijk nogal nette vertalingen, die maar heel gedeeltelijk Paulus' verbijstering weergeven; hij bedoelt gewoon: "Mensen, hoe kun je op het idee komen?!"
Nu, zoiets ervaar ik ook bij die vraag of je er nu verder rustig een puinhoop van kunt maken, omdat je immers gedoopt bent en het voor de eeuwigheid toch wel goed zit.
Binnen en buiten
Ik haal er een voorbeeld bij dat ik elk jaar op m'n belijdeniscatechisatie gebruik, om de jongeren een beetje duidelijker te maken hoe het nou is tussen God en hen. Als je geboren wordt, dan kom je in het gezin en in het huis van een vader en moeder.
Daar woon je, daar is je plek. Het zou heel raar zijn als je vader en moeder zouden zeggen: "Nu ja, je bent nu wel hier geboren, maar we zetten je bed buiten op straat neer, en als je later groot bent, dan moet je maar proberen om binnen te komen." Natuurlijk zeggen ze dat niet. Want jij hoort in dat huis, jij hoort in dat gezin.
Nu, zo hoor je ook als kind, dat geboren is binnen de kring waarin het heil van God wordt geloofd en beleden, vanaf het begin bij het gezin van God, en daarmee in het 'huis' van God ('huis' natuurlijk niet in de letterlijke zin, maar hier bedoeld in geestelijke zin, als de plaats waar al Gods kinderen samen wonen met hun Vader in de hemel). Dát is je startpositie: je staat niet buiten dat huis (en je moet maar zien hoe je binnen komt), nee, jij hebt van de Here een plaats gekregen bij Hem, in Zijn nabijheid, in Zijn huis. Zit je daar dan vast? Móét je in dat huis wonen? Maakt niet uit wat je doet; ook al zou je gaan slaan en schoppen en vloeken? Nee; zo is het niet. God houdt je niet tegen je wil vast. Er is een deur in dat huis; en als je per se wilt, dan kun je naar buiten. God dringt je wel, maar Hij dwingt je niet. Ik hoop dat ik op deze manier duidelijk maak wat ik bedoel. Ik zeg het nog een keer, een beetje anders: die deur in dat huis van God, die is er voor verbondskinderen nïét om hen op een gegeven moment, ergens in hun leven, naar binnen te laten (zoals dat wél het geval is voor mensen die buiten die lichtkring van Gods heil geboren zijn en later tot geloof komen; dlé gaan door die deur naar binnen). Maar voor verbondskinderen is die deur er om hen, als zij dat beslist willen, naar buiten te laten. Je hóéft niet bij de Here te blijven. Maar je bent wel onvoorstelbaar dom als je het Vaderhuis waar Hij je een plaats gegeven heeft, inruilt tegen de woestijn daarbuiten.
Angst
Ik kom terug bij het beginpunt: u bent van mening dat de mensen in de kerk meer opgeroepen moeten worden tot geloof en wedergeboorte. Natuurlijk: ik weet wat daarachter zit: de angst dat je mensen iets zou aanpraten wat niet hun deel is ('met een ingebeelde hemel naar de hei'). Akkoord; ik wil de ernst daarvan honoreren.
Maar ik stel er wel een vraag bij; want waar is de angst voor het omgekeerde: dat je mensen iets onthoudt wat van 's Heren we ge wél hun deel is? Waarom zijn wij vaak banger dat de deur van Gods Koninkrijk te wijd open staat dan dat we angst ervoor hebben dat we die deur niet ver genoeg open zetten? Erger nog: waar is onder ons de angst dat wij die deur dicht zouden kunnen duwen, terwijl de grote Herder der schapen de deur wagenwijd openzet, misschien voor ons idee zelfs wel eens wat erg ver openzet? Waar is onder ons de angst om aan Gods kleinen een aanstoot in de weg te leggen? Waar is de heilige schrik die Jezus ook óns aan het hart wil leggen in Matteüs 23:4? Kijk, dat zijn vragen die ik dan óók wil stellen, en die mij werkelijk hoog zitten."
Tot zover het eerste gedeelte van deze brief. Volgende week D. V. verder, en dan in het bijzonder over wedergeboorte en bekering..