Liever meer zingen?
1996-11-29
Mijn kerkbode-artikel over het Woord van God is door Drs. O. Mooiweer met instemming overgenomen in Opbouw.- Jaargang 40
- nummer 24
Hij plaatst echter een kanttekening, die mij liet zien, dat ik op een bepaald punt wat duidelijker had moeten zijn.
Dat wil ik hierbij doen. Ik schreef, dat wij wat mij betreft best wat meer zouden mogen zingen. Drs. Mooiweer reageerde met de opmerking, dat hij dit niet onderschreef, als hij soms in een kerkdienst wel 30 verzen telde.
Daarin ben ik het helemaal met hem eens. Het is mij ook wel eens overkomen dat de kinderen, uiteraard kleiner dan nu, zodra ze in de kerk kwamen en het bord zagen, gingen tellen. Het maximum staat als ik mij niet vergis op 34. Inderdaad, dat hoeft van mij niet, dat had ik dan ook niet in gedachten, maar wat ik wel dacht, had ik moeten opschrijven. Ik ben dan ook blij, dat ik daar even op attent werd gemaakt. Ik wil wat dieper hierop doorgaan, omdat het zingen een belangrijk deel uitmaakt van onze eredienst. De Schrift geeft ons geen vast patroon om de kerkdienst in te richten. Ik ga hier dus ook niet schrijven: Het moet zus of zo. Daar is echter heus wel over nagedacht, met name in de tijd van Calvijn.
De twintigste-eeuwse liturgische beweging laat ik hier en in het vervolg buiten beschouwing. Die heeft onze kerken niet of nauwelijks geraakt. De liturgie die onder ons gebruikelijk is of was, is een niet altijd even gelukkige variant op de voorstellen van de reformatoren. Het principe is echter dat van de dialoog, als ik het zo mag zeggen, tussen God en de gemeente: Votum (gemeente), groet (God), loflied (gemeente), wetslezing (God), antwoord (gemeente) etc. Ik weet dat het niet helemaal opgaat. Ik weet ook dat de plaats van de wetslezing bij Calvijn anders (en m.i. beter) was, maar een lijn zit er toch wel in. Laten we die maar vasthouden. Hierdoor kom je tot een beperkt aantal malen zingen. Dat aantal malen zingen zou ik niet willen opvoeren. Het lijkt mij niet juist om het lied van de gemeente te gebruiken als opvulling van dode tijd. Dan is het prijzen van God een stoplap geworden. Ik zal een voorbeeld geven. In veel gemeenten verlaat een groep kinderen te eniger tijd de kerkdienst. Dat is vaak tijdens het naspel van een lied. Wanneer komen zij terug in de dienst? Dat verschilt van plaats tot plaats, maar dat vergt wel tijd. De voorganger moet tenminste 'Amen' hebben gezegd. Dan gaat iemand de jeugd waarschuwen.
Het werkje moet worden afgerond, potloden opgeruimd, de kinderen op een rij en dan de zaal in. Daar gaat tijd overheen. "Nu, dan zingen wij nog een vers." Zo wordt de tijd opgevuld, maar zo bouw je natuurlijk niet een eerbiedige liturgie op.
Een ander voorbeeld. In het gebed spreekt de gemeente tot haar Heer.
Dan is het overbodig om voorafgaand aan het gebed de gemeente met een vers tot de Here te laten spreken. Ik hoorde ook wel eens: " Voor wij gaan bidden verootmoedigen wij ons door het zingen van. .. " Dan vraag ik mij wel eens af, wat wij eigenlijk aan het doen zijn. Verootmoedigen wij ons in het gebed of voor het gebed? Gaat het soms om het kweken van een juiste gemoedsstemming? De concordantie op het Liedboek heeft niet alleen maar voordelen. Soms heb ik de indruk dat op een trefwoord uit de te bespreken tekst wordt geselecteerd, zonder dat de inhoud van een vers wezenlijk is meegewogen. Bovendien leidt dit tot allerlei losse versjes, waardoor coupletten uit hun verband worden gerukt. Misschien generaliseer ik een beetje, maar ik meen dat wat ik schrijf toch wel een beetje herkenbaar is, ook al zult u het niet wekelijks zo aantreffen.
Als ik in het buitenland een kerkdienst bezoek, zie ik daar meestal een bord met zo'n vijf nummers, soms één meer, soms één minder. Die nummers duiden een lied, gezang, psalm aan. Zo'n lied of psalm wordt echter meestal compleet gezongen, alle coupletten. En nu kom ik bij wat ik eigenlijk had moeten schrijven. Ik wil het aantal keren dat wij in de eredienst zingen niet uitbreiden. Vier of vijf keren is naar mijn mening wel genoeg. Bij die vier of vijf keren zou ik er dan echter naar willen streven, complete of bijna complete psalmen te zingen.
David heeft ook geen losse versjes gedicht. Dat is het 'liever meer' dat ik bedoelde maar niet heb uitgewerkt. Ik weet dat Ps. 119 compleet zingen in een dienst niet praktisch is. Dat geldt voor meer psalmen. Wij moeten echter niet tegen vier, vijf of zes coupletten aanhikken. Misschien zou er dan moeten worden nagedacht over afwisselende begeleiding, wisselzang en andere zaken, maar de psalmen zouden beter tot hun recht komen. Wij zeggen, dat je een Bijbeltekst niet uit zijn verband moet rukken, maar in zijn context moet lezen. Verdient het geen aanbeveling ons daar bij de gezongen psalmen ook aan te houden?
Dit artikel kwamen wij tegen in de 'Kerkbode van Nederlands Gereformeerde kerken' (Uitgave: Buijten en Schipperheijn B.v.-Amsterdam). Het is van de hand van Dr. C.P. Kleingeld te Alphen aJd Rijn. Wij waarderen zijn reactie op wat wij schreven over bovengenoemd onderwerp en bevelen zijn aanvullende opmerkingen etc. graag ter overweging aan.