Gereformeerd Amsterdam tijdens de bezetting

1996-12-13
  • Jaargang 40
  • nummer 25
Amsterdam vormde rond 1940 'het brandpuntvan het gereformeerde leven en de Gereformeerde kerken". Alleen al de Gereformeerde kerk van Amsterdam-Centrum telde er ruim 13.000 leden, die in 7 kerkgebouwen 2 maal per zondag bij elkaar kwamen. Er waren 8 predikanten in deze kerk werkzaam

De gemeente van Amsterdam-Centrum was slechts één van de 5 Gereformeerde kerken in Amsterdam.
Daarnaast was in Amsterdam de Vrije Universiteit gevestigd, er waren een Gereformeerd ziekenhuis (Julianaziekenhuis), een Gereformeerde psychiatrische inrichting (Valeriuskliniek) en een groot aantal Gereformeerde onderwijsfnstellinqen". Ook de burgemeester (W. de Vlugt) was Gereformeerd.

De Joodse gemeenschap
De Gereformeerde gemeenschap vormde een niet onaanzienlijke bevolkingsgroep in Amsterdam. De Joodse gemeenschap was nog veel groter; er woonden in 1940 bijna 100.000 joden in Amsterdam.
Binnen de Gereformeerde Kerk van Amsterdam was een predikant fulltime werkzaam ten behoeve van het zendingswerk onder de joden. Ook een van de andere predikanten was op dit terrein actief. Het is duidelijk dat de toenemende onderdrukking en de latere deportatie van de Joden aan de vele Gereformeerden niet voorbij kan zijn gegaan.

Speurtocht
De heer J.P. Stoop, lid van de Nederlands Gereformeerde kerk van Amsterdam-Centrum, schreef v8ri9 jaar een doctoraal-scriptie naar aanleiding van een speurtocht die hij ondernam naar de houding van de Gereformeerde kerk van Amsterdam tijdens de Duitse bezettinq', Het werk volgt achtereenvolgens de algemene situatie in Nederland (I), de bijdrage van de Gereformeerde kerken in het kerkelijk verzet (11)en de positie van de Gereformeerde Kerk in Amsterdam (111).In deze bijdrage wordt kort aandacht besteed aan de inhoud van deze scriptie, met name aan het derde hoofdstuk'.

Voorzichtig manoeuvreren
Opmerkelijk is vooral de voorzichtige houding van de Gereformeerde kerken ten opzichte van de Duitse autoriteiten.
Dit gold zowel de landelijke besluitvorming als de kerkenraad in Amsterdam.
De Rooms-Katholieke Kerk stelde zich door middel van kanselboodschappen en bisschoppelijke brieven vaak scherper op dan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken. Dit heeft mede te maken met de wijze waarop de Gereformeerde kerken georganiseerd zijn. Een bisschop kan nu eenmaal wel op eigen initiatief handelen, een Gereformeerde synode niet.
Bovendien - aldus drs. Stoop - hoe kun je van een kerkenraad met 200 leden een slagvaardig beleid verwachten?
De gereformeerde kerken in het algemeen en die van Amsterdam in het bijzonder probeerden door voortdurend te laveren de Duitse bezetter niet teveel voor het hoofd te stoten, teneinde zoveel mogelijk vrijheid te behouden voor het kerkelijke werk.
Conflicten ontstonden vooral wanneer de autoriteiten de kerkelijke vrijheid aan banden wilden leggen. Voorbeelden hiervan waren: de Winterhulp die de positie van de diaconie bedreigde, de gelijkschakeling van de kerkelijke pers, de voorbede voor de Koningin, de inperking van de vrijheid van onderwijs, de verplichte dienstneming aan de Arbeidsdienst en de opheffing van de gereformeerde jeugdorganisaties. Er was dus in beperkte mate sprake van verzet tegen de 'beraamde aanvallen tegen de positie van de kerk'. De kerkenraad volgde daarbij vooral de aanwijzingen van de Generale Synode. Eigen verklaringen of initiatieven voor een breder verzet kwamen niet vanuit de Amsterdamse kerkenraad.
Het is, volgens drs. Stoop, echter niet terecht om de kerkenraad zondermeer te verwijten dat men probeerde alles te vermijden wat de bezetter aanstoot zou kunnen geven. Eerder was er "sprake van een consequent vasthouden aan het principe dat het niet tot de taak van de kerk behoort om zich met bepaalde uitspraken te begeven op 'niet-kerkelijk' terrein" (111).

Kerkelijketucht
Het gebeurde wel dat leden van de Gereformeerde kerken ook lid werden van een politieke partij of organisatie die er heel andere beginselen op nahield. Hoe moest de kerkenraad dan handelen?
In 1936 sprak de Synode van Amsterdam uit, dat leden van de gereformeerde kerken die lid waren van de NSB of de CDU5 vermaand dienden te worden en als zij weigerden om voor het lidmaatschap van deze partijen te bedanken onder censuur moesten worden gesteld. De CDU werd in bezettingstijd opgeheven, maar welke maatregelen moesten genomen worden tegen leden van de NSB? In de notulen heeft Stoop geen voorbeelden gevonden van 'afsnijding' van leden (de laatste trap van censuur), wel van 'vermaan'. Dat 'vermaan' was vaak al reden om het lidmaatschap van de kerk op te zeggen. Onttrokken deze leden zich niet, dan werd de censuur toch niet direct toegepast, vanwege het pastorale motief dat men hoopte dat deze mensen zich 'van de dwaling huns wegs' zouden bekeren.

Jodenvervolging en kerkenraadsbeleid
"Wie de notulen van de kerkenraadsvergaderingen in de bezettingsjaren doorleest, zal daarin geen uitspraken of besluiten tegenkomen die blijk geven van grote bewogenheid met het lot van de toch vooral in Amsterdam woonachtige Joden" (83).
Ook werd er door de leden van de kerk geen druk uitgeoefend op de kerkenraad (om bijv. tot een publiek getuigenis te komen). In de zomer van 1942 vaardigde de bezetter een verordening uit, waarbij christen-joden vrijgesteld zouden worden van deportatie als zij over een verklaring van 'Angehörigkeit' beschikten. Uit die verklaring zou moeten blijken dat zij gedoopt waren. Toen toch diverse leden van de Gereformeerde kerk van Amsterdam, die in het bezit waren van zo'n verklaring, werden gedeporteerd, tekende de kerkenraad daartegen herhaaldelijk protest aan. Zonder resultaat overigens. Van deze gedeporteerden keerden er 42 na de oorlog niet terug. Er kwam in deze tijd kwam ook een theologische vraagstuk om de hoek kijken. De verleiding was aanwezig om Joden alsnog te dopen. Er werd dan ook gewaarschuwd tegen de haastdoop; zulke 'sneldopen' zouden de betekenis van de doop verzwakken.
Voorzover bekend heeft de Gereformeerde Kerk van Amsterdam geen 'haastdoop' toegestaan.

Individuele activiteiten
Anders dan het voorzichtige beleid van de kerkenraad was de houding van een aantal gemeenteleden. Drs.
Stoop vermeldt o.a. de verzets-activiteiten van een aantal predikanten. Maar liefst vier Amsterdamse predikanten hebben in de oorlog gevangen gezeten, één van hen (ds. T. Ferwerda) werd in 1944 gefusilleerd. Eén predikant dook onder (officieel kreeg hij studieverlof). Bijzonder moedig was de houding van Ds. C. Kapteyn Dzn., die was aangesteld als zendingspredikant onder de joden. Veel Joden vonden tijdens razzia's onderdak in zijn huis en in mei 1945 had hij de zorg voor 126 Joodse onderduikers. Toen de Duitse autoriteiten hem vroegen waarom hij zich gedreven voelde tot hulp aan de Joden was zijn antwoord: "omdat ik van Christus geleerd heb jegens de Joden barmhartig te zijn". Tijdens de overval van de ploeg van Johannes Post op het Huis van Bewaring kon gebruik gemaakt worden van de consistorie van de Keizersgrachtkerk. Op de zolder van het gereformeerd evangelisatiegebouw aan de Kleine Kattenburgerstraat waren 16 Joden ondergebracht.
Hoe past de voorzichtige houding van de kerkenraad dan bij de individuele houding van gemeenteleden? zo vroeg drs. Stoop zich af. Het antwoord vond hij in een engelstalige publicatie, waarin wordt vermeld dat men bij een openlijke en radicale stellingname niet alleen het eigen leven riskeerde, maar ook het leven van de Joodse landgenoten die men in het geheim probeerde in veiligheid te brengen (115). Vooral in het laatste oorlogsjaar heeft de diaconie van de Gereformeerde kerk veel hongerleed kunnen verzachten. In de jaren daarvoor heeft men hulp verleend aan veel mensen 'in bijzondere noden'.

Waarover preekten zij?
Hebben de predikanten vaak gepreekt over de situatie in bezettingstijd? De bronnen zijn schaars. Slechts van de hand van ds. S.G. de Graaf en dr. M.B. van 't Veer werden prekenbundels uitgegeven. Het was in de jaren '30 en '40 niet gebruikelijk om zeer concreet te preken over politieke en maatschappelijke vraagstukken.
Aan de andere kant kan men zeggen dat een goed verstaander toch vaak aan een half woord genoeg heeft. Een voorbeeld: "Zo zullen we ook in de tegenwoordige wereldbeweging moeten onderscheiden tussen dat, wat in het geloof gezien uit de hand van Gods liefde kan worden aanvaard en dat, wat tegenover het beginsel des geloofs staat, opdat het ook van ons niet gezegd zij, dat God eens bezoeking zal doen over hen, die vreemde kleding dragen" (Ds. S.G. de Graaf over Zefanja 1:8-13). In de scriptie wordt daarnaast aandacht besteed aan de thema's die werden besproken op mannenverenigingen en bij het jeugdwerk. Ook daar lezen we (althans: in de notulen) weinig concrete verwijzingen naar de politieke situatie.
Later hebben de kerkelijke leergeschillen veel meer de aandacht getrokken van de kerkenraad en de inhoud van de discussies op de verenigingsavonden bepaald. Deze strijd wordt wel het tweede front genoemd. Zowel uit de preken van ds. S.G. de Graaf en dr. M.B. van 't Veer komt naar voren dat de leergeschillen veel aandacht opeisten. Het lijkt niet onaannemelijk dat deze kerkelijke strijd de bezetter goed van pas kwam. Overigens besloot het moderamen van de Gereformeerde Kerk in Amsterdam in de herfst van 1944 dat 'vanwege de moeilijke tijdsomstandigheden' zowel tijdens de Dienst des Woords als bij het huisbezoek zoveel mogelijk over 'de kerkelijke kwestie' zou worden gezwegen. Pas bijna een half jaar na de bevrijding kwam het in de kerk van Amsterdam tot een breuk.

De vrucht van prediking en Bijbelstudie
De tactiek van de bezetter was om een ernstig conflict met de kerken te voorkomen. Toch moest men wel in aanvaring komen met kerkenraden. Deze conflicten vonden vooral plaats op terreinen die de kerk als haar taak zag. De kerkenraad heeft echter daarnaast geprobeerd om voorzichtig te manoeuvreren en de bezetter niet voortdurend te 'irriteren'. Onder dit voorzichtige beleid klinken echter andere geluiden door. Uit een onderzoek blijkt dat 18,5% van de verzetsslachtoffers uit de Gereformeerde kerken afkomstig was, terwijl zij slechts 8,9% van de bevolking uitmaakten.
Het grote aantal Amsterdamse predikanten dat tijdens de oorlog in gevangenschap raakte wijst er ook op dat men de situatie niet zomaar over zich heen liet komen. Het lijkt erop dat de prediking en de bijbelstudie op die manier in de Gereformeerde kerken toch hun vrucht af hebben geworpen. Veel gemeenteleden verstonden hun taak, al werd die vaak in stilte volbracht.

Noten:
1 Aldus de latere hoogleraar Prof. C. Veenhof. in een brief waarin hij bedankte voor een beroep dat de kerk van Amsterdam op hem had uitgebracht (1943).

2 Een anekdotisch gegeven: mijn vroegere hospita vertelde dat de wijk waar zij bijna haar hele leven woonde vroeger wel het harmoniumbuurtje werd qenoemd. In de jaren '30 werden daar overal achter de harmoniums psalmen en liederen van Johannes de Heer werden gezongen. De wijk was destijds eigendom van Patrimonium.

3 Daarbij werd o.a. gebruik gemaakt van de archieven van het Historisch Documentatiecentrum van het Nederlands Protestantisme en van de Gemeentelijke Archiefdienst Amsterdam.

4 J.P. Stoop: Kerk onder Duitse bezetting. De Gereformeerde kerk van Amsterdam in de jaren 1940-1945.
Afstudeerscriptie vakgroep geschiedenis Vrije Universiteit Amsterdam., 1995; 122 pagina's.

5 De Christelijk Democratische Unie vormde een verbond van linkse christenen, die o.a. fel antimilitaristisch waren.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief