Christus en de schepping (1)

1996-12-27
  • Jaargang 40
  • nummer 26
In 1995 schreef Prof. Dr A. Troost een aantal artikelen in Opbouw over de scheppingsleer.
Hij was vooral geïnteresseerd in de relatie tussen Christus en de schepping. Nu wil ik niet met hem in discussie gaan; ik voel me daartoe niet in staat. Zou ik hem vergelijken met een professionele kunstschaatser die mosofisch de prachtigste figuren op het ijs neerzet, zelf ben ik niet meer dan een amateur die op zijn Friese doorlopers op de sloot achter het huis nu en dan een theologisch baantje trekt. Maar het onderwerp boeide me, en naar aanleiding van wat hij schreef ben ik zelf wat aan het denken gegaan - ook theologen doen dat soms - over deze relatie tussen Christus en de schepping. Daarbij werd ik in het bijzonder geïnspireerd door een boek van Ds S.G. de Graaf Het ware geloof (1954), een verklaring van de Heid. Catechismus (Zondagen 1-22). De Graaf was een der voormannen van de Schriftbeweging in de SO'er jaren, die niet met de Vrijmaking zijn meegegaan. Hij was ook lid van de Vereniging van Calvinistische Wijsbegeerte.

Schepping zonder zondeval
De scheppingsleer staat de laatste jaren, eigenlijk vanaf 1973: de oliecrisis in het Westen, in toenemende mate in de belangstelling. Dat is wel eens anders geweest. Laat ik niet teruggaan naar de tijd van de Reformatoren, toen men vanzelfsprekend uitging van de wereld als schepping van God. De aandacht viel toen vooral op de schepping als voorzienigheid. Ze werd ervaren coram deo, zoals dr A. van der Dussen nog onlangs heeft laten zien in ons blad. Nee, laten we niet verder teruggaan dan Karl Barth. Van hem is bekend dat hij de theologische volgorde tussen schepping en verlossing omdraaide: eerst was er de verlossing, met het oog waarop God de wereld schiep. Deze omkering was noodzakelijk geworden, omdat Barth een historische zondeval niet kon aanvaarden. Dan is er 'natuurlijk wel een klemmende vraag: hoe kan het dat deze wereld zoals ze reilt en zeilt, uit Gods hand is voortgekomen? Hoe kan God de Vader van onze Heere Jezus Christus een wereld hebben geschapen, waarin het kwaad, en het lijden, en het gruwelijke en afschuwelijke zit ingebakken? In de orthodox-gereformeerde theologie werd dat op rekening van de mensen geschreven die in zonde vielen, en met hen het hele menselijke geslacht plus de schepping meesleurden. Goed, extreem-supralapsarische theologen hielden in Gods eeuwige raad God en het kwaad vaak angstig dicht bij elkaar: als God de zondeval al had voorzien, en zelfs gewild heeft; is hij dan niet mee schuldig aan het kwaad en het lijden in deze wereld? Maar zelfs deze extreem-supralapsarische theologen leerden niet dat God de oorsprong van het kwaad is; dat is de mens. Maar wat moet men, als er geen zondeval heeft plaats gevonden?
Dan is men wel gedwongen schepping en verlossing helemaal in elkaar te vouwen. Van vóór de schepping had God al besloten de wereld te verlossen, ja in Christus verloste hij de wereld al, nog voordat ze geschapen was. Dus God had het antwoord op de zonde en het kwaad al bij de hand, toen de wereld in aanzijn kwam. De verzoening gaat aan de schepping vooraf. Het probleem was al bij voorbaat opgelost.

De schepping en het kruis
Ook bij iemand als de Leidse dogmaticus A. van de Beek krijgen we een sterk speculatieve oplossing van het probleem, veroorzaakt door het ontbreken van een historische zondeval.
Uit zijn boek over de schepping (1996) krijg ik overigens de indruk dat hij de relatie tussen God en het kwaad in deze wereld angstwekkend nauw legt. God is ruiger dan wij waar willen hebben, zegt hij AA van Ruler na. Nee, de mens is wel schuldig aan het kwaad dat er in de schepping zit; zo ongekompliceerd liggen de dingen nooit bij Van de Beek. Maar er lijkt wel een verborgen kant aan God te zitten, waar wij niet goed raad mee weten.
Van de onmachtige God in de Bü'er jaren slaat bij hem het pendulum door naar de overmachtige, ja haast onberekenbare God. Maar Van de Beek lost in het spoor van de Duitse theoloog J. Moltmann het probleem op door te stellen dat Christus als de gekruisigde God de wereld geschapen heeft. Het is allemaal nogal ingewikkeld, en het voert te ver om erop in te gaan.
Maar dat de wereld is zoals zij thans is, inclusief het pokkenvirus en de tsetse vlieg, komt doordat zij door de gekruisigde Christus geschapen werd. Het is het gevolg van het kruis dat lijden betekent; daarom zit het lijden in de schepping. Ons bestaan is veelal een wankelen op de rand van de afgrond; de momenten van vreugde aan de schepping beleven we slechts, wanneer we even met onze rug naar de afgrond gaan staan. Ja, ook de Heilige Geest is mee schuldig aan de toestand van de wereld: hij is de Geest die de schepping chaotiseert. Maar zoals Christus de verzoener is, is de Geest de trooster. Er blijft hoop voor deze wereld, voor de mens en de schepping. En nog voordat de schepping er was, was de oplossing al gegeven. Zo verbindt Van de Beek Christus en de schepping behalve dat hij ook de Geest en de schepping aan elkaar koppelt.
Wat ik dus meen op te merken is dat bij de ontkenning van een historische zondeval men wel genoodzaakt wordt schepping en verlossing, Christus en de schepping zeer nauw op elkaar te betrekken, ja in elkaar te vouwen.
Anders zou er geen hoop zijn; men zou zich ook buiten de christelijke geloofstraditie plaatsen, waarin geen ruimte is voor God als de auteur van het kwaad. Hij wordt het bij Van de Beek niet, al gaat hij in die richting; maar het kruis is behalve lijden ook verzoening. Daarom heeft de schepping bij voorbaat al toekomst. In dit opzicht valt bij Van de Beek wel wat invloed van Barth waar te nemen. Of het bijbels-theologisch - exegetisch dus - allemaal hard te maken valt, geloof ik voor geen moment. Het is dogmatisch schaatsen op bijbels-theologisch uiterst dun ijs, als men er al niet doorgezakt is.

Heeft de schepping een begin?
Een andere ontwikkeling in moderne scheppingstheologieën moet opgemerkt worden. Bij Van de Beek treffen we die ook expliciet aan. De belangstelling gaat niet uit naar de schepping als oorsprong van alle dingen, maar naar de schepping als voortgang. In theologische taal uitgedrukt: men richt zijn aandacht op de voorzienigheid als hart van de scheppingsleer. Dat was in zekere zin ook zo bij de Reformatoren. Maar zij gingen uit van de wereld als oorspronkelijk door God goed geschapen. Dat doen tegenwoordige theologen meestal niet meer. Natuurwetenschappelijk is de door God goed geschapen schepping voor hen een verlegenheid geworden. Er is nooit een paradijselijke toestand op aarde geweest; dat kan wetenschappelijk niet bewezen worden. Zodra dan ook de theologie zich gaat bemoeien met de schepping als begin, begeeft ze zich op het terrein van de natuurwetenschap, en moet het daar dan wel afleggen tegen de harde feiten der wetenschap. Vandaar dat Van de Beek zich concentreert op de schepping als voorzienigheid, op de voortduur en de toekomst van de schepping. En dat schept ruimte om breedvoerig te spreken over de Heilige Geest en de schepping, want het is Hij die de wereld onderhoudt als de uitvoerende arm van de drie-ene God. Ook nu kan er verwezen worden naar de Reformatoren, die allemaal de voorzienigheid met de Heilige Geest in verband brachten. Maar moderne pneumatologische scheppingstheologische theorieën gaan uit van een verschoven aandacht: weg van de schepping als begin naar de schepping als voortgang. Zo kan het theologisch blijven bij het belijden dat God de schepper is, maar hoeven we niet te verklaren hoe in het begin de schepping ontstaan is. Dat is een natuurwetenschappelijke vraagstelling.
We kunnen verder niet op Van de Beeks overigens boeiende beschouwingen ingaan. Maar we krijgen zo toch een indruk hoe tegenwooordig Christus en de schepping, ja zelfs de Heilige Geest en de schepping op elkaar worden betrokken. Hoe is er in de gereformeerde traditie met deze problematiek omgegaan? Hoe is daar de relatie tussen Christus en de schepping gelegd? Daarover dan de volgende keer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief