De kleine oecumene (1)

1996-12-27
  • Jaargang 40
  • nummer 26
Uitgenodigd voor de hoofdlezing op het negende lustrum van de CSFR op 9 november 1996 te Utrecht, heb ik in een aantal punten mijn gedachten over de eenheid en de verdeeldheid van de gereformeerde gezindte naar voren gebracht. Het was een fijne ervaring een volle dag tussen de zeer betrokken jongelui te mogen verkeren. CSFR staat voor Civitas Studiosorum in Fundamento Reformato en u moet de leden van deze gereformeerde studentenvereniging zoeken in de kringen van de Hervormd Gereformeerden en de Gereformeerde Gemeenten. Zij waren masaal opgekomen zoüs in deze kringen de gewoonte is. Mijn co-referent was dr. W. J. op 't Hof, Nederlands Hervormd predikant te Nederhemert, die trouwens met zijn verhaal het mijne nauwelijks raakte. Wij waren daarvoor blijkbaar te verschillend. Als ik een typering van mijn eigen aanpak mocht geven zou ik kiezen voor het woord laconiek; wars van alle Idealisme heb ik een nuchter betoog willen houden. In twee afleveringen wil ik het onze lezers aanbieden.

Gescheiden heiden eenheid
1. Ik behoor niet tot degenen die steen en been klagen over de gescheidenheid van kerken die Christus in waarheid belijden; nog minder behoor ik tot degenen die in die gescheidenheid een prachtig voorbeeld van pluriformiteit zien. Voor mij is die gescheidenheid een ongeneselijk euvel waar we zo goed mogelijk mee om moeten gaan. Er schuld over te belijden, zoals iedereen tegenwoordig doet, gaat mij niet gemakkelijk af. Schuld is een gevaarlijk goedje; je moet er niet meer van op je bord nemen dan strikt nodig. Ik vrees de frustratie van mensen die schuld belijden over iets waar ze toch mee doorgaan.

2. Onder kerken die Christus in waarheid belijden versta ik kerken die het geheim van onze verlossing niet schenden: Dat God de wereld zo liefgehad heeft dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:16). En dat Christus door zijn voldoenend werk voor de verzoening tussen God en ons gezorgd heeft (Matt. 20:28). Naar deze norm gerekend zie ik de RK kerk meer tot deze kring behoren dan de grotere protestantse kerken.

3. Bij alle geestelijke eenheid die er tussen zulke Christusbelijdende kerken al is zal het ons toch niet lukken de gescheidenheid te boven te komen. Daarvoor staan teveel theologische en niet-theologische faktoren tussen ons in. Ik zal nooit de mis kunnen bedienen en ik zal ook nooit psalmen van Datheen kunnen zingen, maar als ds Malan of aartsbisschop Simonis een herkenbaar christelijk getuigenis in de samenleving laten horen, sta ik pal naast hen.

Onenigheid-in-verbondenheid
4. Ook de apostel Paulus heeft situaties gekend waarin hij in scheiding tussen broeders heeft berust. Dat blijkt niet alleen bij zijn konflikt met Barnabas, dat eigenlijk meer persoonlijke dan gemeentelijke trekken droeg (Hand. 15:35-41) en later ook weer schijnt goed gekomen te zijn (11Tim. 4:11), maar ook (en dat ging verder!) bij zijn onenigheid-in-verbondenheid met de christenen uit de besnijdenis. Die had wèl een kerkelijke implicatie. Niettemin: 'En toen zij de genade, die mij geschonken was, opmerkten, reikten Jakobus, Kefas en Johannes mij en Barnabas de broederhand: wij zouden naar de heidenen, zij naar de besnedenen gaan' (Gal. 2:7-9). Dit is niets meer en niets minder dan een broederhand ten afscheid en een scheiding in geloofsverbondenheid geweest die in later tijd zelfs op iets definitiefs is uitgelopen.
Uit het direct volgende vers 10 blijkt dat tegelijk over dit spijtige en toch ook wel principiële uiteengaan heen een teken van verbondenheid werd afgesproken: 'Alleen moesten wij de armen blijven gedenken en ik heb mij dan ook beijverd dat vooral te doen'. Dit punt raakt niet toevallig precies de essentie van ons geloof: God ziet in Christus om naar ons armen. Daarom zijn ons de armen aan het hart gelegd (11Kor. 8:9). De verschillen, hoe scheidingmakend die ook mochten zijn, verbleekten bij dit evangelie en zijn consequenties. Ik vrees dat wij veel te idealistisch denken over de eerste christengemeentes.
Er zullen er geweest zijn waarin joden en heidenen bij elkaar waren, maar lang niet overal. Paulus heeft voor hun eenheid geijverd, maar wist ook te berusten.

Rome en Jeruzalem
5. Als de Messias-belijdende Joden zich niet bij de bestaande kerken aansluiten en in tegendeel een joods gekleurd op zichzelf blijven bepleiten (met onderhouding van voorschriften die in het licht van de vervulling welke met Christus gekomen is, betekenisloos geworden zijn, zie Kol. 2: 17), dan heeft iedereen daar begrip voor.
Waarom zou dat begrip moeten ophouden als Rooms Katholieke gelovigen rooms willen blijven omdat ze aan het typisch roomse gehecht zijn en Hervormde gelovigen hervormd omdat ze van het hervormde kerkgevoel niet los kunnen komen, enz?
Waarom is de joodse identiteit ons heiliger dan de roomse? Daar zit een stuk fundamentalisme achter, denk ik.
Omdat Israël in de bijbel voorkomt, daarom mag de christen-jood van ons zijn joodse identiteit behouden, ofschoon het jodendom zich in de loop van de tijd tot een heel ander soort godsdienst ontwikkeld heeft die met het christelijk geloof en zelfs met de essentie van het Oude Testament niets meer te maken heeft. (Het respect voor het volk van Gods eerste liefde mag ons daar niet aan voorbij doen zien.) Het typisch joodse heeft daarom voor wie bijbels gelooft veel minder recht van bestaan dan het typisch roomse, omdat het in dat laatste toch altijd nog over dingen gaat die met het geloof in Christus te maken hebben. Ik snap werkelijk mijn medechristenen niet die een sterkere band met Jeruzalem dan met Rome hebben.
En tegenover de christelijke gemeenschappen in Palestina die nog ouder dan Rome zijn schaam ik mij helemaal voor ons gevrij met de Joden. Terwijl onze belijdenis toch zo duidelijk zegt dat in het Nieuwe Testament de onderscheiding der volken weggenomen is (DL III/lV, par. 7). Waarom wordt dat ten aanzien van Israël vergeten?
Die overmatige belangstelling voor alles wat joods is kan mi, behalve uit een kwaad geweten over wat in de tweede wereldoorlog gebeurd is, alleen maar uit het fundamentalisme verklaard worden. In deze zin: Omdat Israël in de Schrift voorkomt, is zijn identiteit als volk van God voor altijd gegarandeerd. Maar ik zeg: God is met zijn heilswerk op aarde niet bij Israël blijven staan. Hij is van Jeruzalem naar Rome gereisd. En verder. En met sommige lateren heeft Hij een nog langere omgang gehad dan met de eerste. Daarom is Hij op de identiteit van Rome en Genève minstens even zuinig als op die van Israël. Daarom ook mag het bekende 'heel Israël zal behouden worden' van Paulus wel eens wat losser van Israël gemaakt (niet helemaal) en met andere namen aangevuld worden van gemeenschappen die ons veel nader staan.
Vanuit de Reformatie gezien mag je dan zeggen: Geheel Rome zal zalig worden.

En vanuit Afscheiding/Doleantie gezien: Geheel de Hervormde kerk zal . behouden worden. Enz. Enz. Maar dan wel op de wijze waarop Paulus dat bedoeld heeft, namelijk dat gehele Israël niet bruto maar restgewijs behouden zal worden ("het overblijfsel naar de verkiezing der genade', Rom. 11:5). En zo dus ook Rome enz., tot de kleinste afgescheiden minderheid toe.
Zodat de kerk die straks het Koninkrijk binnengaat een lapjesdeken of een restanten kerk zal zijn. Want geen kerk wordt, zomin als Israël, bruto zalig. Het 'Heel Israël zal behouden worden' is een joods theologoumenon, dat Paulus in Romeinen 11 evangelisch becommentarieert door op te merken dat dit alleen in deze zin waar is dat dit behouden worden de gehele geschiedenis door restgewijs zal toegaan. Hij heeft daarbij het Oude Testament op zijn hand: Psalm 22:23-32; Jesaja 45:18-25; Micha 2:12.

Vervangingsmodel
[Bij de bespreking werd mij de vraag gesteld of ik een aanhanger ben van het zogenaamde vervangingsmodel. Ik heb geantwoord dat ik inderdaad van mening ben dat de naam Israël op de christelijke gemeente overgegaan is.
Was dat niet het geval dan konden wij in onze kerkdiensten geen psalm meer zingen.
Maar dit betekent niet dat aan het Israël naar het vlees alle heil ontnomen zou zijn. De hele geschiedenis door zijn er immers joden tot de christelijke gemeente toegetreden. Zij gingen daardoor tot het geestelijke Israël of het Israël Gods behoren. Dit zal doorgaan tot de jongste dag, wanneer de volheid der heidenen zal zijn binnengegaan (Rom. 11 :25). Zowel het vervangingsmodel als het onderscheid tussen het vleselijke en het geestelijke Israël vinden we al in het Oude Testament.
Toen het noordelijk tienstammenrijk dat de naam Israël droeg weggevallen was ging de roemruchte naam die vader Jakob door het geloof gekregen had op Juda over. Juda ging nu voortaan Israël heten en het eerdere Israël vervangen. Dat betekende niet dat Israëls rol nu geheel uitgespeeld was, want een overblijfsel van het noordelijk tienstammenrijk werd in Juda ingevoegd.
Zie 11Kronieken 30:1-11 en Lukas 2:36. Maar Juda mocht niet vleselijk naar die naam Israël grijpen; het was een geestelijk goed. Zowel het een als het ander, zowel de vervanging als het geestelijke karakter van de bekende naam, valt op te maken uit de opmerkelijke profetie van Jesaja 48:1 en 2: "Hoort dit, gij huis van Jakob, die u noemt met de naam Israël, terwijl gij uit het vocht van Juda voortgekomen zijt; die zweert bij de naam des HEREN en die de God van Israël belijdt - maar niet in waarheid en niet in gerechtigheid! - ja, zij noemen zich naar de heilige stad en steunen op de God van Israël; HERE der heerscharen is zijn naam." Om deze profetie te begrijpen moeten we bedenken dat de Judeeërs oeraanvankelijk weliswaar als stamverwant maar tegelijk als van hun achtergrond vervreemd ervaren werden (Genesis 38:1; Deuteronomium 33:7). Naar ons toe zou dit profetische verwijt als volgt kunnen luiden: Hoort dit, gij christenvolk, dat u noemt met de naam Israël, terwijl gij van geboorte Bataven, Friezen en Saksers zijt; die de God van Israël belijdt - maar niet in waarheid en niet in gerechtigheid ...
De naam Israël reist met het volk van God in al zijn fases mee om ons aan het geestelijk karakter van de gemeente te herinneren.]

Woord-kerk en Woord-èn antwoord-kerk
6. Als de Walen om geen andere reden dan hun taal en nationaliteit kerkelijk apart mogen blijven staan, zou het dan verkeerd zijn dat Hervormden en Gereformeerden uit elkaar blijven omdat de één Woord-kerk en de ander Woord-èn-antwoord-kerk wil zijn? De één al tevreden is als maar het Woord gebracht kan worden en de bediening ervan niet in de knel komt, terwijl de ander zegt: Nee, daar moet een daadwerkelijk belijden van het kerkvolk aan beantwoorden?
Zij zullen het daar samen wel nooit over eens worden en er zijn voor beide standpunten ook wel argumenten te vinden.
Zouden er dan verenigingsgesprekken tussen die beiden georganiseerd moeten worden onder het beding dat alvorens men tot kerkelijke eenheid komt, de een de ander wat die standpunten betreft onder de tafel gepraat moet hebben? Dat is toch vragen om frustratie? En tijdvermorsing? Er valt toch genoeg samen te spreken over en samen te werken voor andere nuttige doelen?
Wij zijn nu als Christusbelijdende kerken op een punt aangeland waarop wij het betrekkelijke gelijk en het betrekkelijke ongelijk van alle scheidingen inzien.
In zo'n klimaat kan geen nieuwe scheiding meer gedijen. En wat de bestaande scheidingen betreft zeg ik met een variant op Paulus' woord: "Een ieder blijve bij die roeping waarin hij was, toen hij geroepen werd. Zijt gij als hervormde geroepen? Laat u niet tot gereformeerd ompraten. En is iemand als gereformeerde geroepen, hij verhelpe (!) het niet.
Want hervormd zijn betekent niets en gereformeerd zijn betekent niets, maar wel het houden van Gods geboden"
(vrij naar I Kor. 7:17-24). Misschien dat als we zo te werk gaan, dan het verschil tussen hervormd en gereformeerd nog eens even spontaan verdwijnen zal als de slavernij en de besnijdenis waarover de apostel het in dat genoemde schriftgedeelte eigenlijk heeft. Terwijl verenigingsgesprekken over de verschillen de kloof tot dusver alleen maar groter hebben gemaakt.

Geestelijke achterstand
7. Het SOW-proces heeft alle protestantse kerken op een grote geestelijke achterstand gebracht. Ook de niet betrokken kerken. Dat zie je duidelijk aan de repercussies van het SOWproces in de kleine oecumene. Hoe het ook daar een enorme blikvanger en aandachtstrekker is geweest. Hoe het ook daar het eenheidsstreven heeft gaande gemaakt. Veel energie is zo verslonden, veel noodzakelijks is blijven liggen. Bijvoorbeeld het hele Schriftvraagstuk: Wat zijn de gevolgen van het feit dat wij de Heilige Schrift meer dan voorheen historisch lezen? Hoe ver gaat . dat? Urgente vragen!
Ik voor mij zie het zo dat de eigenlijke boodschap van de Schrift vanwege dat historische lezen aan kracht wint, terwijl we op het punt van ethiek en moraal (homofilie, euthanasie, abortus, echtscheiding) wat in zullen moeten binden. Het valt mij op dat de vierde evangelist die de drie vorige evalueert (en dat geldt ook van zijn brieven), weinig concrete detailethiek heeft, maar een des te groter nadruk laat vallen op de kern van de boodschap.

8. De verschillende kerken die één zijn in de hoofdzaak van het belijden (de petra-belijdenis van Matteüs 16, bijvoorbeeld, waarop Christus gezegd heeft zijn gemeente te bouwen), maar toch niet tot eenheid van organisatie kunnen komen, zouden een vorm moeten verzinnen om de geestelijke eenheid die zij hebben tot uitdrukking te brengen: Om beurten elkaars kerst-, paas- en pinksterdienst bezoeken en één maal per jaar een gezamenlijke avondmaalsviering houden, zoiets.
Daar moet dan geen reclamedoel maar een innerlijke behoefte achter zitten. Dan kan ook de fanfare die kerstzangdiensten zo hinderlijk kenmerkt, achterwege blijven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief