Jakobs naam

1996-05-31
  • Jaargang 40
  • nummer 11
Tegenwoordig worden namen gegeven aan mensen, niet zozeer vanwege hun betekenis, maar meer uit gewoonte, passend bij de hedendaagse mode. Slechts in aan een mens gegeven bijnaam zien we nog een min of meer rake typering van wat die mens doet of is. Voor de meeste officiële instanties is het nummer van een mens ook vaak belangrijker dan zijn naam.
In de Bijbel is dat vaak anders; daar krijgt een mens een naam, die past bij zijn karakter. Van Jakob lezen we in Gen. 25, dat hij bij de geboorte de hiel van zijn tweelingbroer vasthield en men zag daarin kennelijk al iets van de hielenlichterij, waaraan Jakob zich later zou schuldig maken.

Een nachtelijk gevecht
Slim heeft Jakob, op de terugweg na z'n vlucht en na allerlei wederwaardigheden bij z'n oom Laban, iets uitgedacht om zijn broer Esau gunstig te stemmen: overvloedige kado's voor Esau en verdeling van zijn in vreemdelingschap verworven bezit in groepen, om in geval van ruzie met Esau in elk geval een deel van zijn bezit veilig te stellen. Maar op het moment. dat Jakob nog alleen achtergebleven is en hij als laatste de oversteek zal gaan maken, wordt hem een halt toegeroepen: een Onbekende, die blijkbaar God geweest is, houdt Jakob de hele nacht lang tegen door met hem te worstelen. Het is alsof tegen Jakob gezegd wordt: "Die bezittingen, Jakob, waarmee jij gezegend bent in de afgelopen jaren stellen in wezen niets voor; je hebt het echt niet alleen maar zelf in de hand; kijk maar, het is allemaal aan de overkant en je kunt er zelf niet eens bij, zolang Ik je tegenhoud".
Zo ontstaat een worsteling, die de hele nacht door. Maar blijkens de woorden, die gezegd worden na de komst van het daglicht, heeft Jakob wel iets geleerd in die strijd. Immers, als de Onbekende tegenstander voorstelt om de strijd maar te staken, zegt Jakob niet: "Dat is goed. dan kan ik er eindelijk eens door, en naar m'n eigendommen toe om maatregelen te treffen, die nodig zijn".
Nee, Jakob toont te hebben geleerd, wat echte zegen is: "ik laat u niet gaan, tenzij u mij zegent".

Het vragen naar de naam
Als Jakob de zegen wil, een echte zegen, dan kan hij die krijgen, maar dan moet wel eerst het mes erin. Eerst moet de oude mens weggedaan worden.
En in dat licht bezien, is de vraag van Jakobs tegenstander naar Jakobs naam niet slechts een vraag om een geheugensteuntje, zoiets als: help me even op weg, ik ben je naam even kwijt, hoe heet je ook al weer?
Deze vraag wil het mes zetten in Jakobs oude mens. Hij moet zelf zeggen hoe hij heet, d.i. wie en hoe hij is.
Dat is voor niemand eigenlijk echt gemakkelijk; Je naam noemen betekent ten diepste immers: iets van jezelf prijsgeven, even je masker afzetten en je even niet anders voordoen dan je bent, want als een ander je naam, je ware aard kent, heeft die ander een zekere macht over je en heb je het niet allemaal zelf meer in de hand. Dat had Jakob dus ook niet en daarom zal het antwoord van Jakob dan ook wel heel bedremmeld geklonken hebben, als een timide schuldbelijdenis. Ik ben Jakob..., hielelichter..., bedrieger..., leugenaar...
En pas dan kan God met zijn ware zegen Jakob tegemoet komen. Pas dan klinkt voor Jakob het verlossende woord: uw naam zal niet meer Jakob luiden, maar Israël.

Naamsverandering
De ware zegen bestaat voor Jakob dus in verandering van zijn naam: Eerst was het "bedrieger", nu is het "Strijder Gods" of "held van God", "eerst zondaar", nu "verloste". Zo wordt Jakob, worden ook wij gezegend, niet meer genoemd naar wat we van onszelf zijn, maar genoemd naar wat we in Christus zijn. Maar die zegen betekent niet, dat alles nu voortaan als van zelf en voor de wind zal gaan. Kijken we maar weer naar Jakob: als hij nog Jakob heet, gaat het hem, naar de mens gesproken, voor de wind: eerstgeboorterecht met de daarbij behorende zegen, ontsnapping aan de wraak van Esau, later ook aan die van Laban, hij verwerft twee vrouwen, veel kinderen en een enorme kudde. Maar na Pniël gaat het uiterlijk gezien slecht met Jakob: gehandicapt, mank aan de heup moet hij door het leven; z'n enige dochter wordt op een keer verkracht; z'n lieveling Rachel sterft; z'n zoon Jozef ontvalt hem op een niet al te fraaie manier.

De naam van God
Tenslotte wil Jakob dan ook weten wie God nou eigenlijk pecies is, hoe het karakter, de naam van God is. Maar voor Jakob was de tijd er nog niet om die Naam te kennen. Pas later licht God een tipje op van de sluier, die over Zijn Naam, Zijn wezen, Zijn aard, Zijn karakter ligt. Eerst aan Mozes maakt God zich bekend met de naam Jahwè: Ik ben die Ik ben en ook dan ligt er nog iets van een geheimenis in.
Pas in het Nieuwe Testament, als God mens wordt in Zijn Zoon, wordt Zijn Naam ten volle duidelijk. In de naam "Jezus", laat God zich kennen naar Zijn ware aard: "De Here verlost" betekent die lieflijke naam en die naam maakt Hij waar!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief