In Christus geheiligd

1996-05-31
  • Jaargang 40
  • nummer 11
Een recente discussie in het Ned. Dagblad tussen A. Kamsteeg en enige predikanten gaat over de oude strijdvraag hoe het nu eigenlijk zit, dat wij in Christus volmaakt zijn, dood zijn voor de zonde, maar in de praktijk van ons dagelijks leven beslist niet. Onze traditionele dogmatiek lijkt hier niet bevredigend.

1. Het theologisch probleem van de 'heiligmaking'
Op 27 juni 1995 stond in het Ned. Dagblad een verslag van een kritische bespreking die een theoloog geleverd had over de bekende en omstreden artikelen van A. Kamsteeg over zijn Amerikaanse ervaringen. Die spreker hoef ik niet te noemen, want het had vrijwel elke gereformeerde theoloog kunnen zijn.
Inmiddels zijn er sindsdien hierover drie kritischë artikelen geschreven door twee predikanten en ook een antwoord van Kamsteeg. De twee predikanten lieten de achtergrond zien van Kamsteegs opvatting, en wel in de 'theologie'(?) van de bekende Chinese christen Watchman Nee. Zij hadden daarop hun voorspelbare traditionéel-gereformeerde kritiek.
Het drietal kritische artikelen dat ik naar aanleiding van deze discussie wil schrijven gaat niet tegen een individueel standpunt, maar zij betreffen ons aller orthodoxe 'dogmatische' traditie waarop mijns inziens in theologischwetenschappelijk opzicht nogal wat aan te merken is. Ook bij dit onderwerp is mijns inziens een 'nadere', of 'doorgaande' reformatie van onze theologie dringend gewenst.
Het probleem dat volgens het eerstgenoemde krantenverslag werd besproken, lijkt mij (maar ik kan me vergissen) in de alledaagse levenspraktijk van heel veel serieuze christenen niet zo actueel. Dat zou het wel op een bepaald moment kunnen worden, en wel door allerlei oorzaken. Onder andere ook door gebrekkige theologische tradities en door daarmee gestempelde voorlichting in de 'kerkelijke' pers, plus wat daarvan doorsijpelt in de preken. Dit complex van meningsvormers maakte nogal eens eerder problemen er bij dan dat men er problemen bevredigend mee oplost.
Dat is mijns inziens het geval, zowel bij W.Nee en zijn geestverwanten, alsook bij de bovenbedoelde predikanten als representanten van ons traditioneelorthodoxe denken.

2. In Christus geheiligd, wel of niet een 'voldongen feit'?
Het theologisch probleem dat in het genoemde dagbladverslag aan de orde werd gesteld was het volgende.
Br.A.Kamsteeg zou de heiliging van het leven teveel beleven en bespreken als een voldongen feit. Natuurlijk zou Kamsteeg zich kunnen beroepen op de Schrift die ons leert dat wij 'in Christus' geheiligd zijn. En wel degelijk als een 'voldongen feit'. Zoals Hebr. 10:10 het uitdrukt: '...zijn wij eens voor altijd geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus'. Tal van teksten zouden te noemen zijn, die zakelijk datzelfde zeggen. Te wijzen is ook op het doopsformulier, waarin aan de ouders uitdrukkelijk gevraagd wordt of zij geloven en belijden dat hun kind 'in Christus geheiligd is'. Geen gereformeerd theoloog zal dat tegenspreken. Mijn kritische vraag is echter in eerste instantie waarom men dat 'in Christus geheiligd zijn' 'teveel' kan geloven. De krantenkop zette een streep onder de gedachte dat bij br. Kamsteeg 'Heiliging teveel een voldongen feit' is.
Nu dacht ik dat een feit gewoon een feit was. En zeker een 'voldongen feit' is niet wat anders en niets minder dan een 'voldongen feit', echte werkelijkheid.
Kan een feit 'teveel' een feit zijn?
Kan het, zoals de betrokken theoloog, wiens betoog in de krant van 27/6 werd verslagen het zei, 'veel te riskant' zijn, om te belijden dat wij mèt Christus gestorven en begraven zijn en mèt Hem op de paas morgen zijn opgestaan, en dat wij daar niet buiten stonden? Met andere woorden: dat hetgeen er op Golgotha en met Pasen gebeurde niet buiten ons omging, maar dat wij zelf ('in' Christus!) stierven voor onze zonden en opstonden in een nieuw leven? Is dat geen voldongen feit? Sprak Paulus, spreekt de Schrift zelf op al die plaatsen 'veel te riskant'?
Of mankeert er (zoals ik van mening ben) wat aan ons theologisch verstaan en verwerken van de uitdrukking 'in Christus'? Ligt de oplossing van het gevoelde probleem in het vermijden van de zogenaamde 'eenzijdigheid'? Is het één juist, maar is het andere dat er mee in strijd lijkt ook juist, zodat we het beroemde 'evenwicht' moeten zien te bewaren?
Deze theologische moeilijkheid - ik heb het nu niet over moeilijkheden in de praktische geloofsbeleving, noch over de moeilijkheden van prediking en pastoraat - is een typisch wetenschappelijk probleem. Daarbij speelt in de achtergrond onvermijdelijk een bepaalde visie mee op wat de kosmologische structuur is van wat wij (historische) feiten of realiteit noemen. Die filosofische visie speelt echter een meestal onbewuste of verzwegen, maar toch krachtige rol. Graag wil ik dat toelichten en daarover iets zeggen vanuit mijn vak: de (reformatorische) wijsbegeerte, in de oorspronkelijke, Dooyeweerdiaanse versie. Dit laatste moet er tegenwoordig wel bij gezegd worden.

3. Eenzijdigheid?
Zoals gezegd: de Schrift is op deze punten te duidelijk en te nadrukkelijk dan dat niet alle gelovige gereformeerde theologen zouden erkennen en belijden dat wij 'in Christus' en 'met Christus' zijn gestorven, begraven, opgestaan en ten hemel gevaren. Ook als 'gewone' gelovigen hebben we daar geen probleem mee, het is voor ons niet anders dan het troostrijke evangelie, de blijde boodschap van ons eeuwig en tijdelijk heil in Christus. We kunnen daarop altijd weer gelovig terugvalten; Zowel in moeilijke perioden in ons leven alsook wanneer alles zo ongeveer naar wens gaat. Het is de vaste grond van ons leven. 'Jezus, leven van ons leven...' De theologische 'problemen' komen pas, wanneer wij tijdelijk even uit de actuele concrete gelóófs-overgave uitstappen en iets heel anders gaan doen, iets typisch-ánders dan geloven.
Dat betekent natuurlijk niet ongelovig worden, maar wel dat de activiteit van het geloven even terug treedt in het diepere niveau van onze disposities (vroeger ook wel deugden of hebbelijkheden genoemd) en daar niet-actief, maar slechts 'paraat' (disponibel) blijft.
We kunnen dan iets heel anders gaan doen dan geloven, bijvoorbeeld onze jas aantrekken, een broodje eten, een stukje economie, theologie of kunstgeschiedenis bestuderen, een brief posten, een spelletje doen, of wat dan ook.
We kunnen dan, wanneer we bijvoorbeeld theoloog zijn of willen worden, een rationele analyse maken van de hier in geding zijnde woorden van de Bijbel, of ook logische conclusies er uit gaan trekken. Dan menen we al spoedig te ontdekken dat de Schrift ook nog wat 'anders' tegen en over ons zegt dan dat we in Christus alles al hebben wat nodig is. Dat zogenaamde 'andere' is dan dat God 'ook nog' terwille van ons heil daadwerkelijke gehoorzaamheid aan zijn wet eist, met de waarschuwingen er bij dat niemand zonder heiliging (of 'heiligmaking') God zien zal. Het is vanuit onze traditie begrijpelijk dat wie scherp hierop let, licht geneigd is tegen allen die zo radicaal ze kunnen vertrouwen op, en vrede hebben met het 'in Christus geheiligd zijn', te zeggen: ho ho, niet 'teveel', er is ook een 'andere' kant, je moet niet 'eenzijdig' zijn, het gaat niet allemaal zo vanzelf in het christen zijn en bij het zalig worden. Er moet 'veel strijd' gestreden zijn, want niet alleen de duivel maar met hem ook de dwaalleer gaat rond als een briesende leeuw.
Kortom: er moet nogal wat. Er is behalve een 'indicatief'(een mededeling dus) ook nog een 'imperatief' (een gebod). Dàt was de teneur van de kritische notities van twee dominees bij de boodschap van br. Kamsteeg. We hebben alles in Christus, O.K., maar dat moet je niet teveel, niet eenzijdig beklemtonen, 'er is ook een andere kant'.

4. Begin van theologische kritiek
Mijn vraag op hetzelfde theoretische niveau is dan of we zo niet bezig zijn onbedoeld de christelijke geloofsovergave theologisch te beschadigen en te ondermijnen, in plaats van te ondersteunen.
En daarmee ook de christelijke geloofsblijdschap en de geloofs(ver)zekerheid. Naar mijn mening is dat hier het geval. De levensheiliging wordt op deze wijze vooral getrokken in de sfeer van onze activiteit, in onderscheiding van de rechtvaardiging, waarvan veel dogmatici zeggen dat die aan ons voltrokken wordt, zonder dat wij daarbij actief betrokken zouden zijn (behalve dan toch weer de activiteit van ons geloven!).
Duidelijk spreekt hier op de achtergrond een traditionele mensbeschouwing (antropologie) mee, inclusief een visie op wat de kosmologische structuur is van menselijke activiteiten.
In het vervolg zal ik nog kort toelichten dat hier een onjuiste visie op het menselijk hart een grote rol speelt.
De gangbare orthodoxe dogmatiek zit hier mijns inziens in een zelfgemaakte, maar onjuiste problematiek verstrikt, die zij voorlopig nog niet anders dan gebrekkig kan 'oplossen' met waarschuwingen tegen 'eenzijdigheden'.
Dat zijn dan 'eenzijdigheden' waartussen een spanning zou bestaan.
'Spanning' is het gangbare modewoord wanneer we liever niet botweg over tegenstrijdigheid willen spreken of dat voor ons zelf willen verbergen, ofschoon we een en ander wel terdege als tegenstrijdig ervaren of althans niet logisch kunnen rijmen. In het huidig verband lijkt daarom dit het probleem te zijn: het definitieve heil is er èn het is er niet, we hebben het en we hebben het niet, we zijn er èn we zijn er nog niet, het is alles uit genade en totaal gegeven en ontvangen 'in Christus', maar .....je kunt dat ook 'teveel' als een voldongen feit zien, je kunt op dat feit ook 'teveel' vertrouwen, de vereiste gehoorzaamheid, strijd en zelfverloochening moeten er 'ook' nog zijn, en zo niet dan .....(De lezer wordt verzocht voor zichzelf de zin af te maken). Soms wordt er ook wel eens bij gezegd: wat wij in Christus hebben dat is alleen onze rechtspositie voor God, maar onze feitelijke werkelijkheid blijft daar ver bij achter en kan onze rechtspositie weer veranderen.

5. Een gecompliceerd probleem?
Kenmerkend voor deze typisch-theologische 'problematiek', die gelukkig aan veel, misschien wel de meeste, gelovige kerkleden voorbij gaat, is wat Prof. Velema in de 'Beknopte Geref. Dogmatiek' (p.591) hierover schrijft. Hij noemt het.'de complexe situatie' (!) die in de theologie vaak wordt aangeduid als het probleem van de 'indicatief' en de 'imperatief'. De stellende wijs en de gebiedende wijs dus. Hoewel ik het in de grond der zaak, dat wil zeggen geloofsmatig, volstrekt eens ben met Vele ma (en Berkouwer), heb ik ernstige theologische bezwaren tegen de traditionele terminologie en formuleringen waarin het theoretische thema van de heiliging door hem (en vele anderen) wordt behandeld. Van de genoemde formuleringen gaat, natuurlijk onbedoeld, de suggestie uit dat je wel een evenwichtig en geleerd theoloog moet zijn, wil je in deze moeilijke 'complexe situatie' niet scheef gaan met je geloofsleven. Nog ernstiger is, dat de gesignaleerde moeilijkheden waarover thans de discussies gaan door de overgeleverde gereformeerde dogmatiek niet voorkomen kunnen worden, maar er eerder door opgeroepen worden. Zoals ook nu weer. Voor de zoveelste keer in de protestantse geschiedenis, want over deze punten wordt al eeuwen lang theologisch gediscussieerd. Met andere woorden de gereformeerde dogmatiek zou op dit punt een kwalijke invloed kunnen hebben op het geloof en de eensgezindheid der gemeente.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief