Genesis

1996-06-14
  • Jaargang 40
  • nummer 12
Al geruime tijd ligt er op de tafel van de redactie een artikel van ds. Winkelhoff waarin deze reageert op eerder gepubliceerde artikelen van dr. Van de Dussen over het begin van de bijbel. Nu pas doet zich gelegenheid voor om deze reactie te plaatsen.

Mee eens, maar wel vragen
In December '94 verschenen er van de hand van A. vd. Dussen drie artikelen over Genesis 1. Hij gaf daarin aan hoe de spanning tussen geloof en wetenschap, tussen het bijbelse scheppingsbericht en de natuurwetenschap zou kunnen worden weggenomen.
Zij moeten allebei op hun eigen terrein blijven en ervoor waken niet de grenzen te overschrijden. Zo kan verwarring worden vermeden. Verwarring die ontstaat wanneer we beiden willen harmoniseren (zie het eerste artikel in nr.24). Die artikelen lezend, met name de laatste paragrafen van het derde artikel, denk ik: "ja, helemaal waar."
Op deze dingen doordenkend, komen er toch wel vragen bij mij naar boven.
Bijv. hoe precies liggen die grenzen van het bijbelse scheppingsbericht en de natuurwetenschap? Wie bepaalt die?

Theorie en scheppingsbericht
Onlangs (beter laat dan nooit) las ik het boekje van A. van den BeukeI, de Dingen hebben hun Geheim. Hij noemt daarin hetzelfde voorbeeld als A. van der Dussen: de wetenschap die pretendeert het bijbelse scheppingsgeloof overbodig te kunnen maken met de resultaten van wetenschappelijk onderzoek (blz.1 00-1 03).
Dat dit grensoverschijding en overschatting van de natuurwetenschap is, dat begrijp ik wel en ik stem daar ook mee in.
De natuurwetenschap laat het echter niet bij onderzoek, maar wil ook tot een theorie komen.

Unificatie is de term die van den Beukei in zijn boekje gebruikt (blz.31).
Vooral in die theorievorming komen er naar mijn idee botsingen met het bijbelse scheppingsbericht.
Immers, de natuurwetenschap (geologie, biologie, astronomie) is niet slechts geïnteresseerd in het zijn van de dingen, maar ook in hun wording en er wordt gezocht naar een samenhang tussen de resultaten van onderzoek en als die is gevonden, dan komt men tot een theorie waarmee men wording en zijn van de dingen wil verklaren.
Ik twijfel eraan of de evolutietheorie (die overigens door de ontdekkingen van de laatste 15 jaar behoorlijk 'gefacelift' moet worden) niet in botsing komt met het bijbelse scheppingsbericht en dan heb ik het niet over de vraag of bijv. de scheppingsdagen letterlijk dagen van 24 uur waren of lange, geologische tijdperken.

Een voorbeeld
Ik zoek het in iets existentiëlers: de vraag naar de oorzaak van dood en strijd en neergang in de wereld. Die vraag wordt in de bijbel beantwoord met de zonde van de mens die zelf God wilde zijn. Voordat de mens zondigde was het anders. De dieren aten namelijk elkaar nog niet op, maar God gaf ze het groene kruid te eten (Gen.1 :30).
Dat is het beeld dat de auteur van Genesis mij aanreikt en dan lees ik dit gedeelte toch niet natuurwetenschappelijk maar ik neem gewoon over wat wordt meegedeeld: er is een tijd geweest dat de dieren niet elkaar, maar gras en gewas aten. Waarmee natuurlijk niet is gezegd dat de dieren onsterfelijk waren en ook niet dat Adam en Eva onsterfelijk waren'. En blijkens Genesis 3:15-19 was de moeite in het kinderen baren en in het bewerken van de aardbodem oorspronkelijk niet aanwezig in de wereld.
De natuurwetenschap zal echter wijzen op het vele miljoenen jaren durend proces van strijd in de natuur zelf, van het recht van de sterkste en van degene die zich het best aanpast aan de omgeving die verandert. Uiteindelijk winnen de zoogdieren het zelfs van de dinosaurussen die in no time zijn uitgestorven en uiteindelijk is het de mens die het hoogste reikt en op dit moment de succesvolste levensvorm is.
Zo is het beeld dat de natuurwetenschap mij aanreikt. Ik vraag me dan af wat ik daarmee moet. Moet ik dit accepteren met het besef dat de eerste hoofdstukken van Genesis mij geen natuurwetenschappelijke informatie bieden en moet ik het verhaal van de zondeval dan zien als een poging om het kwaad in de wereld te verklaren en meer niet? Of maak ik hier een vals dilemma?

Een andere wereld?
Als ik die vele miljoenen jaren oude wereld met zijn vele geologische tijdperken voor me zie, dan zie ik helaas niet de veilige wereld van Genesis 1 (zie artikel 2, Ozonlaag).
Het is een wereld die niet anders is dan de huidige. Volgens de geologie zijn er legio rampen geweest in het verre verleden waardoor het milieu door de natuur zelf ingrijpend werd aangetast en waardoor vrijwel al het leven op aarde werd uitgeroeid. De wereld van Genesis 1 komt mij anders voor: het is een wereld waarop de mens zonder vrees op het toneel kan verschijnen. De dieren eten groen kruid en laten zich gewillig door de Here bij de mens brengen om een naam te ontvangen (Gen.2:20). Heeft de auteur van Genesis hier zelf een ideale wereld getekend en weten we op grond van de natuurwetenschap nu wel beter?

Naar mijn idee raken we hier het Godsbeeld. Accepteren we de gangbare evolutietheorieën, dan is God inderdaad ruiger dan we denken of hadden gedacht>. Dan horen dood, lijden, de strijd er van scheppingswege al bij. Dan is de wereld zoals we die ons voorstelden op grond van de eerste hoofdstukken van Genesis, een idyllische wereld geweest. De leeuw at gras naast het schaap, maar helaas, het klopt niet. Het was een sprookje, een Bambi-wereld.
Moeten we dit accepteren of maakt de wetenschap zich toch niet schuldig aan grensoverschijding door een theorie op te stellen waarmee men te veel wil verklaren?
Moeten we alle resultaten van de wetenschap in haar 'onderzoek van zijn en wording van de dingen, maar accepteren en is de meta-fysica, het geheim achter de dingen, het terrein van het geloof? Is deze scheiding niet wat kunstmatig?
Nog een vraag: hoe ziet het kader van de christen-wetenschapper eruit? Is het voldoende als hij gelooft dat God de wereld heeft gemaakt en mag hij de wording van de mens zoals die in de wetenschap wordt beschreven zonder meer accepteren of hoort de schepping van de mens zoals beschreven in Genesis 1 en 2 ook bij dat kader? Het maakt m.i. wel enig verschil.
Dit zijn zo enige vragen die mij op het hart en op de lippen liggen.

Waar gebeurde dingen
Tenslotte dit n.a.v. artikel 2 (Veiligheid en Ozonlaag): het is helemaal waar dat de diepe zin van Genesis 1 slechts wordt ontsloten voor wie er evangelieverkondiging in wil horen, maar dat moet de realiteit van de wereld die wordt beschreven in haar wording en zijn niet teniet doen. De wonderen die Jezus deed waren evangelieverkondiging en het is natuurwetenschappelijk niet te verklaren hoe water in wijn veranderde, maar het symbolische van dit wonder doet de echtheid van de wijn niet teniet.

Die wateren boven het uitspansel waren er echt en de mensen wisten daar ook van. De aarde was eens woest en ledig en ook dat was de mensen niet onbekend: denk aan de wereld tijdens en vlak na de zondvloed.
Na die zondvloed werden de wateren onder en boven van elkaar gescheiden en vloeide het water op aarde terug in bekkens zodat het land weer tevoorschijn kwam. De planten gingen weer groeien, dieren kwamen weer terug en ook de hemellichten werden weer zichtbaar doordat de dikke regenwolken verdwenen. Er zijn nogal wat overeenkomsten tussen het scheppingsverhaal en dat van de zondvloed', Aan het scheppingsverhaal liggen m.i, dus echte, waargenomen en beleefde gebeurtenissen ten grondslag.

Noten:
1 Zie hierover G.C. Berkouwer, Dogmatische Studiën. de Zonde ll, blz. 321, 322. Ook bij K. Schilder in zijn Heideibergsche Catechismus III. blz. 147 e.v.
2 Wending 14 (1959), blz. 336-351: God en de chaos. Aangehaald in Anders Gezegd, H.M. Kuitert, blz. 27.
3 Commentaar op het Oude Testament, Genesis J, W.H. Gispen. blz. 247.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief