Van de oude vrouw en haar verdriet

1996-06-14
  • Jaargang 40
  • nummer 12
Met de zeer oude Hanna verkeren we in hetzelfde klimaat als dat van Simeon over wie we het in het vorig nummer hadden. Al liggen de accenten wel heel wat anders. Ook zij staat in de kerk alleen met haar verwachtingen van de komende Messias. Zij wordt profetes genoemd zoals een Debora. Wanneer de Heer een boodschap had, koos Hij daar af en toe Hanna voor uit. Haar werd het Woord van God toevertrouwd om het aan anderen te geven. Ik denk niet dat het Sanhedrin er ooit oren naar heeft gehad. Verder dan het kleine groepje, het conventikel in de kerk dat in de Messias verlossing voor Jeruzalem verwachtte, kwam het niet. God zweeg in alle talen tegenover de kerkeraad.

Natuurlijk was er een groot verdriet in haar leven. Dat ze al ruim 60 jaar weduwe was, dat ze eenzaam was, dat ze niets meer had om naar uit te zien met haar 84 jaren. Misschien heeft ze met al die jaren achter zich met een weemoedige glimlach teruggekeken naar haar jeugd. Heeft Edersheim (I, 200) gelijk dat de stam van Aser bekend was om zijn mooie meisjes, dan horen we haar als oude vrouw tegen de meisjes van Jeruzalem zeggen: wees maar blij met je mooie jaren van schoonheid; toch zijn er dingen die belangrijker zijn; mijn schoonheid was ik al gauw kwijt maar mijn God heb ik behouden. En naar de Messias blijf ik uitkijken.
En dat verdriet dan? Nee, dat was niet haar weduwestaat of de druk van haar 84 jaren. Was er iets in de tempel te doen, zij was er. Het morgenoffer, het middaggebed, de familieoffers, de reinigingsceremoniën zoals Maria die juist had ondergaan, de lossingen, de grote feesten; wat ook al, Hana was er te vinden. Daar had ze nu tijd voor gekregen. Veel was er wat ze te weinig had; wat ze teveel leek te hebben was tijd. Nee, toch niet. AI haar tijd besteedde zij nu aan de tempel.
Laat ik de lezer aanstonds geruststellen; er komt geen aansporing uit om meer naar de kerk te gaan of zoiets. Ik wil alleen aan het Hanna-geval demonstreren dat het in haar leven normaal, zo u wilt natuurlijk was verlopen.
Als getrouwd vrouwtje vroeger druk bezig thuis met minder tijd over voor de tempel, maar door haar weduwe-zijn en haar eenzaamheid nu alle gelegenheid meer met de dingen van de Heer bezig te zijn. Dat is voor een Christen toch natuurlijk? Wie de kinderen de deur uit heeft, zijn werk heeft vaarwel gezegd of als weduwe/weduwnaar is achtergebleven, heeft nu meer tijd over voor de tempel, voor anderen te bidden. Dat is geen moeten maar natuurlijk voor een Christen. Daarin ligt de zin van het oud worden.

Wat voor verdriet?
Hanna leed aan de kerk. Die was niet zoals ze behoorde te zijn. Zo dikwiljs als zij het tempelplein betrad, ergerde zij zich weer aan de 'winkels van Annas' zoals de stalletjes van de exhogepriester genoemd werden. En dan de kraampjes van de geldwisselaars.
Zo doen we toch niet in de kerk?
Dat was het minste nog! Om in de kerk altijd maar alleen te staan, in het kleine clubje dat bij God blijft en Zijn Messiasverwachting, dat maakt een mens verdrietig; om steeds weer te ontdekken dat je toch op een andere golflengte zit dan de meerderheid?
Waarmee is de kerkeraad toch bezig?
Wat is er overgebleven bij onze kerkleiders van de Messiasverwachting?
De ware kerk is verschrompeld tot een conventikel; om het levende geloof heen is een korst van wetticisme en onverstand gegroeid. Dat maakt verdrietig!
Daarom tekent Lukas ons de oude vrouw als 'vastend en biddend'. Lekker eten en diep verdriet hebben gaan niet samen. Verdriet drijft Hanna niet tot verbittering of verkramptheid. Het verdriet drijft haar niet tot protest maar gebed, voorbede. Ze brengt Annas met zijn winkeltjes naar de Heer en ze klaagt bij God over de schare die maar bezig gehouden wordt met de wet maar stokdoof wordt voor de profetie van de wet over Hem die van het juk verlost.
En wanneer dan Simeon daar staat met Jozef en Maria met het kind, voegt de oude vrouw zich bij hen; er komen er nóg bij staan, allen die uitkeken naar de verlossing. Hoewel het er niet veel zullen geweest zijn. Kijk, zien jullie dit kind, nu is het dan toch zover na zoveel eeuwen; je kunt het jullie kleinkinderen vertellen; jullie hebt met eigen ogen de Messias gezien. En in het groepje begint ze God te loven.
Anderen vallen in bij het conventikeItje.
Maar de kerk blijft stom. En ondanks alle blijheid blijft het verdriet van Hanna er toch.

Wat doen we met zo'n verhaal?
Hebben we hier iets van het Oude Testament te pakken? Van de profeten die het steeds maar over de 'rest'hebben? Maar de schare in de kerk van Jeruzalem en de leiders al evenmin, worden niet afgeschreven als valse kerk. De Here Jezus komt met zijn genade naar die harde volkskerk; een rest ervan sluit zich bij Hem aan maar de deur gaat niet dicht.
Zo is het in het Handelingen-boek toch ook? De Christelijke kerk is tot stand gekomen, maar het is een groepje slechts dat Gods weg naar de volken verstaat. Maar God schrijft de kerk niet zomaar af.
Zonder hoegenaamd iets weg te schuiven van wat in artikel 27-29 van de NGB gezegd wordt over de ware en de valse kerk, houden we ook vast dat God de grote, dwalende kerk niet zomaar afschrijft, misschien wel óm het conventikel. Het kan de kerk weer terugroepen.
Maar verdriet is er. Lijden aan de kerk. Hanna wist ervan. Jezus weende over Jeruzalem. Ik denk aan een gedicht van Elisabeth Cheixaou: 'Ecclesia', met de regels: "Moeder, je bent me vreemd geworden, je hoekige, je harde vormen, bedden mijn hunkerend wezen niet. Moeder, ben je een mán geworden?" Zo zijn er vandaag nog de groepjes binnen de grote historische kerken van vroeger die het Evangelie verstaan en diep verdriet hebben om het onbegrip van velen, het nietmeer- kunnen-verstaan van de stem van de Goede Herder.
Ik denk nu aan de aangrijpende brief die C. Veenhof op 1 maart 1944 aan K. Schilder schreef en die dank zij Jan Veenhof weer boven water kwam (zie Jan Veenhof en Aleid Schilder in: Van Vrijmaking tot Bevrijding, 36-39).
Indringend houdt Veenhof zijn oudere vriend voor toch anders op te treden tegenover zijn tegenstanders. Veenhof herinnert hem dan aan het verdriet dat Paulus had over zijn tegenstanders in de kerk, en dat hij alleen erover kon schrijven uit vele verdrukking en benauwdheid des harten, met vele tranen (ti Kor.). Hoewel ik op mijn dorpsdominee-
wijze nog altijd Schilder lees en herlees en altijd weer in zijn ban raak, is het toch precies dit wat Veenhof noemde, wat we bij Schilder misten in zijn polemieken, en het is juist dit wat het klimaat in onze vrijgemaakte kerken stempelde; verdriet was er nooit; het vasten en bidden van Hanna was een onbekend artikel. Ik heb in die tijd zo dikwijls gehoord dat je niet met synodalen mocht bidden maar nooit iemand voor hen horen bidden.
Helaas namen de volgelingen van Schilder, zonder diens speelsheid die de bittere polemieken nog wat temperde, dat 'harde' over en was er geen antenne voor de hartstochtelijke oproep van Veenhof dat het met de strijdvoering in Christus' kerk anders moest (38). Terugkijkend naar de beroemde Open Brief die aanleiding werd tot het ontstaan van onze Nederlands Gereformeerde Kerken (en die ik zakelijk kan onderschrijven) komt de gedachte nogal eens bij mij op: voelden de opstellers niet aan dat de toon ervan hier en daar de geadresseerden diep moest wonden? Was het op de hoogte van het vasten en bidden van Hanna?
Gelukkig kennen we die polemieken van vroeger nu niet meer in onze kring. En gaan we evangelischer met elkaar om. Soms moeten we echt terug van de kerk naar het conventikel.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief