"Komt vanavond met verhalen"
1996-06-14
Ze hadden niet langer dan een paar uur geslapen, toen ze door vreemde geluiden werden gewekt. Hoefgetrappel van paarden, het knarsen van wagenwielen, geschreeuwde commando's, klagende vrouwenstemmen, huilende kinderen.- Jaargang 40
- nummer 12
Mattanja stond op en liep vlug naar de kleine poort die de binnenplaats van het huis met de straat verbond.
Het eerste morgenlicht schemerde tussen de huizen, brandende fakkels wierpen onrustige lichtplekken op de witte muren. In de straat was het een gedrang van jewelste: paarden, wagens, soldaten. De onderhandelingen waren alleen maar een list geweest.
De Syriërs waren toch naar Jeruzalem gekomen. Onder dekking van de nacht hadden ze de niets vermoedende stad overvallen.
Terwijl Mattanja, half begrijpend half vermoedend wat er was gebeurd naar de drukte stond te kijken, voelde hij hoe opeens sterke soldaten handen hem bij de schouders grepen. In een onverstaanbare taal werd hem iets toegesnauwd. Hij hoorde zijn vader nog roepen: 'Mattanja! pas op!', maar het was al te laat. Hij werd door de mensenmassa's heen gestompt en geslagen. En in allerijl naar een huis gebracht, dat de Syriërs hadden gevorderd en dat nu klaarblijkelijk dienst deed als onderkomen voor de commandant.
Op het binnenplein van het huis stonden al tien, twintig jongens van zijn leeftijd, en steeds meer kinderen werden door de poort binnengebracht. De commandant monsterde hen één voor één. Liet hen de kleren uittrekken.
Vergewiste zich ervan dat ze besneden waren. En gaf bevel die 'besneden honden' te doden. Sommige jongens werden met het zwaard omgebracht, anderen werden aan de hals opgehangen. Het gekerm van de kinderen ging door merg en been.
Mattanja trilde over heel zijn lichaam en hij snikte het uit: 'Mijn vader, mijn vadertje!' Maar toen de commandant aan hem was toegekomen, gebeurde er een wonder. De man pakte Mattanja bij zijn haren, bekeek hem van dichtbij en schudde toen 'nee' tegen zijn adjudant. De jongen begreep dat de lichte kleur van zijn haar hem had gered: de Syriër was ervan overtuigd dat hij geen Jodenjongen was.
Mattanja wist niet of hij huilen moest of lachen. Hij deed geen van tweeën.
Hij was alleen stomverbaasd dat de dood hem voorbijging, rakelings voorbijging!
De commandant beduidde de jongen dat hij op hem moest wachten tot hij zijn ronde had gedaan. Bij de ingang van de binnenplaats stonden nog meer jongens te wachten die om de één of andere reden niet werden gedood.
Inmiddels was het licht geworden. Het morgenrood kleurde de witte huizen.
Er ging een golf van gekerm en gejammer door de stad - de stad, die zo opgelucht was gaan slapen en zo bedrogen was wakker geworden.
Het was duidelijk, dat de Syriërs de zaak grondiger aanpakten dan twee jaar geleden. Toen was alleen de tempel leeggeroofd, nu moest de hele stad het ontgelden. Plunderend en brandstichtend gingen de soldaten door de straten, het ene huis uit het andere in. Huizen en muren werden afgebroken. Vrouwen, kleine kinderen en vee weggevoerd. Het leek wel of koning Antiochus aan de stad, die altijd de trots van de Joden was geweest, voorgoed een eind wilde maken.
Het werd ook duidelijk waar de commandant de jongens die hij in leven had gelaten, voor nodig had. Zij moesten allerlei goederen die de Syriërs geroofd hadden, de stad uitslepen. Dit duurde de hele dag door. Het werd een geweldige buit waar de Syriërs zich meester van maakten. Ze hadden er niet eens oorlog voor hoeven te voeren!
De volgende nacht brachten Mattanja en de andere jongens door in een tentenkamp dat de soldaten buiten de stad hadden opgeslagen.
Mattanja dacht aan zijn vader die op deze verschrikkelijke dag wel niet met het tempel koor geoefend zou hebben en die aan het eind van de week wel zonder hem naar Modeïn zou terugkeren.
Hij dacht aan zijn moeder die hij bijna niet had gekend. En aan zijn tante die vader en hem altijd zo gastvrij had ontvangen.
De jongens lagen tussen de tenten van de syrische soldaten in. Het vuur dat vanavond had gebrand, was uitgedoofd.
Boven hen stond een zwarte hemel met ontelbaar veel sterren.
Daar had Abraham naar gekeken: zo groot zou het volk zijn dat uit hem zou voortkomen, had God gezegd. Daar had David naar gekeken: zo groot maakte Jahweh de mens, dat hij over heel de schepping mocht regeren.
Daar moest je altijd maar aan denken, had vader Jesua gezegd, als ze soms laat uit Jeruzalem naar Modeïn terugkeerden.
Aan Abraham, aan David, aan de sterren die ze zagen, aan de dingen die ze geloofden, en aan God die de Schepper is van hemel en aarde. Daar moest je altijd aan denken, hoe donkerhetookinje leven was ...
Toen daalde er vrede neer in het onrustige hart van de jongen. En hij bad zijn vader de plechtige woorden na: 'Leg vrede op uw volk Israël en zegen ons allen. Gezegend zijt Gij, Jahweh, die vrede schept'.