Zo knecht zo heer - Zo heer zo knecht

1996-06-28
  • Jaargang 40
  • nummer 13
Je moet je het kunnen voorstellen! Jozef en Maria raken niet uitgepraat over het bezoek van een dag of wat geleden: het goud, wierook en mirre durven ze nog nauwelijks aan te raken. Eerst geschokt dat die drie mannen voor hen stonden, de zogenaamde wijzen, elk een gruwel voor de ware Israëliet, want in Israël heb je als kind al geleerd de toekomst niet uit de hand of uit de sterren af te lezen maar uit Gods hand te ontvangen, en daar staan drie heidense sterrekijkers voor hen – de eigenwijzen uit het Oosten.

Maar de schok wordt al gauw verbazing en de verbazing ontroering. Eindelijk na zoveel maanden van onverschillige stilte aandacht voor het Kind.
En hoe! Zij leggen hun geschenken voor hem neer en knielen in aanbidding.
Eindelijk! In gedachten zien Jozef en Maria al weer andere bezoekers aantreden. Maar met een rauwe ruk maakt één droom dit alles stuk.
"Sta op, neem het kind en zijn moeder en vlucht naar Egypte". Herodes komt eraan! En voor de zon op is, is het drietal onderweg, op de lange reis van twee maanden naar Egypte. Met één klap ligt al dat mooie in scherven. Ontreddering!

Zo knecht, zo heer
Maar waarom naar Egypte? Er zijn toch wel andere veilige plekjes te bedenken waar het Kind wonen kan.
Natuurlijk wel, maar Egypte is het diensthuis waar Israël verdrukt werd.
Moet de grote Zoon van Israël het dan beter hebben?
Een heer staat niet boven zijn slaaf!
Symboliek en werkelijkheid zijn hier niet te scheiden. Zie je wel zegt Mat teüs: zo knecht, zo heer. Hosea heeft het ook al gezegd. Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen, zegt de Heere.
Wat Israël overkwam, moet Jezus overkomen. De één heeft zijn Farao, de ander zijn Herodes. Lijdt de één, de ander kan niet vrijuit gaan.
Nu mag ik het volk van God in Afrika troosten, zoals het altijd maar weer, nu hier dan daar, op de vlucht is voor de wraak en de dood. 's Nachts een bons op de deur, de achtervolgers komen eraan, en daar vluchten ze de nacht in, dikwijls een brandende hut achterlatend. Hutu's en Tutsi's; hier in KwaZoeloe-Natal kennen we hen van nabij, van Magoda, van Nompofane, van Umbumbulu, die alles moesten achterlaten met soms een dode vader of kind.
Er zijn er die tot tweemaal toe of zelfs vaker de vlucht moesten nemen, achtervolgd door de wraak. Honderdduizenden vluchtelingen. Maar de Here Jezus is echt mens geworden, echt Afrika-mens; er is geen verdriet dat hij niet gekend heeft, tot vluchten voor de wraak toe. Hij weet alles van Afrika af, uit eigen ondervinding. Zo knecht, zo heer.

Zo heer, zo knecht
Maar nu gebeurt het omgekeerde.
Nam de Heer het op zich mens te worden, naar het diensthuis van slavernij terug te gaan en te lijden met de knecht, zo wordt het nu: zo heer, zo knecht. De slagen voor het Kind bedoeld, vallen nu op de zijnen. Soldaten van Herodes gaan op het dorpje Bethlehem af, en slaan er alle jongetjes van twee jaar en daaronder dood.
Het moeten er een stuk of tien tot vijftien geweest zijn, zegt Rienecker. Die gaan voor Jezus de dood in. Heeft de Heer zich onlosmakelijk aan de mensen gehecht en is Hij één met hen geworden totdat Hij op Golgotha Man van Smarten werd, nu zitten de zijnen ook aan Hem vast. De heer staat niet boven de slaaf maar de slaaf staat ook niet boven de heer. Dat is de donkere schaduw van Golgotha. Het is het delen in het lijden van de Heer waarvan het Nieuwe Testament zo vol is, en dat in zovele vormen in de wereld voorkomt.
Matteüs, aan die dode jongetjes terugdenkend, zegt: het is een oud verhaal.
Ik heb het 'stabat mater dolorosa' al tweemaal eerder horen zingen in Bethlehem. Rachel had er een moei lijke bevalling, en vol tranen liep het uit op haar dood (Gen. 35). Jeremia heeft ook in Bethlehem huilende moeders zien staan want daar trokken hun kinderen de ballingschap tegemoet. Aan dat alles denkt Matteüs terug wanneer hij die moeders met hun dode jongetjes voor zich ziet.
En wie denkt niet vanzelf aan een andere moeder, aan Maria, de 'mater dolorosa' die haar zoon vermoord ziet worden? Dat was de Mens Jezus die daar met en om de andere mensen leed. Maar dat lijden van Hem gooit zijn schaduw naar achteren tot bij het graf van Rachel in Bethlehem, en om zich heen over de dood van die jongetjes, maar ook naar voren toe, verder de geschiedenis in. Is het geen donkere schaduw soms wanneer eindelijk het verlossingswerk tot een einde is gebracht en de Boze verjaagd wordt van waar hij niet thuishoort, uit de hemel vandaan, en een klacht uitgeschreeuwd: wee de aarde, want de duivel is tot u nedergedaald in grote grimmigheid, wetende dat hij weinig tijd heeft (Openb. 12:12)? Dat is lijden om Jezus' wil. Daar is het leven van de gelovige ingebed in het leven van Christus. Het zit eraan vast. Zo heer, zo knecht.

En de troost?
G.Th. Rothuizen zei ergens in een preek over Rachel die weigert zich te laten troosten: zo moeten wij ook in elk geval weigeren ons te laten troosten, dat gaat te makkelijk. Maar wanneer Rachel weigert zich te laten troosten, betekent dat die troost dus toch aanwezig is. De geboorte van haar zoontje kostte haar het leven maar vader Jacob zei met tranen in zijn stem: Benjamin zal hij heten, Gelukskind. Je moet voorbij de dood van een geliefde kunnen kijken. Jeremia zei tegen de treurende moeders: er is hoop voor de toekomst, de kinderen komen terug, zo niet zelf dan toch wel in hun kinderen.
Laten we ons het geschiedenisraamwerk dat de Bijbel ons aanreikt, niet laten ontnemen. Nauwelijks vindt men nog tegen de 21e eeuw aan, mensen in Westeuropa die geloven dat er naar voren toe een geschiedenis is die ergens op uitloopt en een afgerond einde heeft. Verder dan een open einde zonder hoop komt het niet. Een zo bekwaam geschiedenistheoreticus als Chris Lorenz in zijn bekende en voor mij zo leerzame 'De Constructie van het Verleden' verwaardigt zich niet om zelfs één zin te wijden aan de Bijbelse geschiedenisvisie, zoals verwoord door Augustinus die toch ruim 1200 jaar tot het Europese erfgoed behoorde en ons bestaan nog zin geeft. Zonder die Bijbelse visie van een begin en een eind, afgesloten door Die komt om alle tranen van de ogen af te wissen, is het Evangelie niet meer dan wat losse siersuiker op een taart. Uit dat geschiedenisbeeld is niet weg te denken dat de Heer die gemene zaak maakt met zijn volk, die door verdriet en dood heen de schuld van ons allen op zich nam als mens van alle mensen, maar die ook genegeerd wordt, verzet oproept, belachen wordt en sporen van dood achterlaat waarvan de Boze weet heeft. Dat is de donkere schaduwzijde van Golgotha.
Maar Die ook komt om onze geschiedenis af te sluiten en een nieuwe te beginnen. "Zie, Ik maak alle dingen nieuw."
Dat neemt verdriet, wanhoop en protest niet weg. Het hoort erbij. Reken maar dat de moeders van Bethlehem God hebben aangeroepen toen zij de soldaten marcherend zagen naderkomen.
En reken maar dat ze bij God protesteerden: dat is niet eerlijk. Het makkelijke geloof met al zijn antwoordjes, als een drukje op een knopje en daar floept het antwoord op het scherm, is zo akelig goedkoop. Dat is het geloof dat God er is om ons te dienen.
Prof. A. van den Beukel zegt ergens in 'Met Andere Ogen' dat hij meer opheeft met atheïsten-op-ethischegronden dan met Christenen die op alle vraagjes hun drukknop-antwoordjes hebben.
Als Israëlieten hebben de moeders van Bethlehem toch verder kunnen kijken dan hun dode jongetjes. En hebben ze weet gehad van het volk Israël als lijdende knecht des Heeren naar Jes. 53, en wie weet is de Lijdende Knecht des Heeren naar Jes. 53 nog op hun weg gekomen. De geschiedenis van een Christen is ingebed in die van zijn Heer die de loop ervan tot een einde, een doel toebrengt. Is het laatste er niet, dan raakt ook mijn geschiedenis als Christen alle zin kwijt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief