Aan mijn Nederlands Gereformeerde broeders en zusters
1996-06-28
Nijkerk, 30 april 1996 - Jaargang 40
- nummer 13
Geliefde broeder, zuster,
Er ligt mij iets op het hart. Of zo u wilt, zwaar op de maag. Ik ben ervan overtuigd dat u groot onrecht is aangedaan in de kerkstrijd in de jaren zestig. En ik ben daar mede schuldig aan. Ik wist dat wat er gebeurde niet goed was, niet door de beugel kon. Ik heb wel wat geprutteld, hier en daar laten merken dat ik niet gelukkig was met de gang van zaken. Maar de trein rolde door. De gemeente waar ik toen woonde werd niet in tweeën gereten, dus zo ontkwam ik aan het maken van een keus. Maar als ik had moeten kiezen... Niet dat ik het in elk opzicht met ds. Telder eens was, of met ds. Schoep, of ds. Van der Ziel. Maar om het onrecht dat u aangedaan is, zou ik bij het maken van een keus hebben gekozen voor de ontrechten.
Maar ik kon een keus ontlopen. En zo kies je dan natuurlijk toch. Daarom, geliefde broeders en zusters (ik hoop dat ik u zo mag noemen en dat u mij ook nog als uw broeder wilt beschouwen), vraag ik u om vergeving voor al het onrecht dat u is aangedaan. Nu, dertig jaar later, is het toch de hoogste tijd om het in orde te maken.
Wellicht zegt u: "Maar van onze kant zijn ook wel fouten gemaakt..." Nou, het spijt me, maar dat weet ik niet, dat gaat mij niet aan. Ik begrijp uit de bijbel dat ik de balk uit mijn eigen oog moet wegdoen en dat vind ik al moeilijk genoeg.
Wellicht zegt u: "Wat moeten we nu met zo'n loslopende spijtoptant." Maar ik kan u verzekeren dat er meer zijn, die wat er is gebeurd diep betreuren.
Die ook het gebeurde niet zien als een kerkreformatie, maar als een scheuring.
Ik verwijs naar het boek 'Een breuk te ver'. Daarin vindt u toch in zekere zin datzelfde: eindelijk oog voor wat er aan de kant van wat toen binnenverbanders heette voor fouten zijn gemaakt; hoeveel onheilig vuur er was. Sommigen, de meesten, wel met goede bedoelingen, maar toch: fouten, verdachtmakingen, niet willen luisteren, eigen mening vereenzelvigen met Gods zaak.
Ik kan me uw verbitterdheid goed voorstellen. Het is ook afschuwelijk om te worden afgeschreven als onbetrouwbaar, om te worden beschuldigd van ontrouw aan de koning van de kerk. De tijd heelt niet alle wonden; de Geest van God kan wel genezend werken. Ik bid dat die genezende werking mag leiden tot verzoening, zoals dat op enkele plaatsen al het geval schijnt te zijn.