prof.dr. Frits v.d. Meer (1904-1994)
1995-01-13
Het afgelopen jaar zijn vele eminente mensen overleden. Twee ervan zou ik in dit nummer van Opbouwen het komende nummer alsnog willen gedenken. Toen ze overleden, hoorde ik dat in het ene geval niet onmiddellijk; bij het overlijden van de ander was ik met een serie in ons blad bezig en leende zich de gelegenheid niet zo om meteen een "In Memoriam" te schrijven.- Jaargang 39
- nummer 1
Nu we in januari 1995 toch nog een beetje geneigd zijn op het afgelopen jaar terug te blikken, wil ik alsnog de gelegenheid aangrijpen om beiden aandacht te geven. Het gaat om professor dr. Frits van der Meer en professor dr. Reyer Hooykaas. Geen van beiden kwam uit onze kerkelijke kring; de een was Gereformeerd (Syn.) en de ander Roomskatholiek. Eerstgenoemde heb ik een keer of drie ontmoet, prof. vd Meer maar één keer.
Dat zijn wel gesprekken geweest die me heugen! Beiden hebben, naar ik zelf konstateer, me door hun publikaties en ideeën al heel lang erg geboeid.
Het is mijn hoop dat deze twee artikelen er wellicht aan mogen bijdragen dat hun werk weer een nieuwe kring lezers vindt. Ze zijn echter allereerst bedoeld als eerbetoon.
Een Rooms-Katholieke Fries
Frits van der Meer was een Fries, een Roomskatholieke Fries nog wel, geboren in Bolsward op 16 november 1904; hij heeft zijn 90e verjaardag net niet meer mogen beleven. Na de lagere school en het gymnasium studeerde hij van 1924-1928 aan het seminarie te Rijsenburg, wat nu Driebergen-Rijsenburg heet. ('t Interessante oude pand is een jaar of vijftien geleden gesloopt om plaats te maken voor een volstrekt onopmerkelijk blok chique appartementen; een triomf voor de invloed van de zoveelste projektontwikkelaar; het standbeeld van Schaepman staat er nog.) Op 22 juli 1928 werd hij tot priester gewijd. Vanaf het eind van de jaren '20 maakte hij lange reizen naar de Donaulanden, de Balkan, Griekenland en Turkije. Van 1931 tot 1934 studeerde hij kunstgeschiedenis in Rome, waar hij op 21 december 1934 maxima cum laude zijn doctorsgraad haalde! Hij deed dat op een proefschrift over de Christelijke Archeologie.
Na een paar jaar parochiewerk te hebben gedaan werd hij in 1938 lector in de kunstgeschiedenis in Nijmegen. In 1946 werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de Kunstgeschiedenis aan de Katholieke Universiteit waar hij al lector was. In 1950 werd hij lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. In 1964 ontving hij de P.C. Hooftprijs, wat zoals men weet, een staatsprijs voor literatuur is. En in die jaren publiceerde hij vele zeer verdienstelijke boeken.
Kenmerkend
Prof. Van der Meer was buitengewoon gezien als docent, maar hij had ook wel de naam "lastig" te kunnen zijn.
Van zowel het een als het andere zouden voorbeelden te geven zijn. Iets van het geniale en ontembare van zijn persoonlijkheid blijkt uit het alleraardigste interview dat dr. George Puchinger hem 26 jaar geleden afnam en dat in de dikke bundel Christen en Kunst epubliceerd werd, uitgave Meinema, Delft, 1971. Alleen om het interview met vd Meer is de bundel de aanschaf waard! We horen hoe de jonge Frits, 16 jaar oud, alleen naar Parijs gaat. "Ik kwam als jongen van zestien moederziet alleen aan het Gare du Nord in Parijs aan. Ik ging in de eerste de beste taxi zitten met een paar onnozele franken in mijn zak - ik was er nooit geweest - en ik ging de stad in. Ik herkende allerlei: de Notre Dame, de hallen, de St. Chapelle em de Madeleine. Maar ik liet mij brengen naar de Rue Daru, een heel klein straatje dat uitloopt op een pleintje, en daar staat de Russisch-orthodoxe kerk uit de tijd van de tsaren. 't Was in 1920, twee, drie jaar na de Russische Revolutie.
Er zaten toen tienduizenden russische ballingen in en rondom Parijs.
Ik ging er kijken en zag dat er de volgende morgen om tien uur liturgie was. Ik ging er toen weer heen en 't was de eerste keer in mijn leven dat ik de echte orthodoxe liturgie hoorde en zag. Ik verstond het meeste wel, want ik kende wat kerkslavisch. De rest herkende ik wel, al had ik 't nooit gezien.
En plotseling was je thuis in die hele wereld en 't is vandaag nog niet over. Ik werd bevestigd in alles wat ik vermoed had."
Dat is toch wel opmerkelijk gedrag voor een zestienjarige, die bovendien zich op die leeftijd al het Kerkslavisch heeft eigen gemaakt, de liturgische taal van de Orthodoxie! Het toont al een aantal trekken die er later ook uit zouden komen:
* liefde voor ikonen. Toen mijn vriend Arnold van Heusden en ik bij hem op bezoek gingen, op 24 januari 1985, kregen we als afscheidscadeau beiden een prachtige foto mee van een door hem zelf geschilderd ikoon. En dat ikoon was ook een prachtig ikoon van "de Moeder Gods", de zgn. Blacherniotissa Platytera. Hij vertelde met liefde over zijn iets oudere zuster die in "de Karmei" in Drachten non was en ook ikonen schilderde, beter dan hij het deed. Ik heb later deze Zuster Macrina nog gebeld, maar ze had een hele bestellijst van nog te maken ikonen.
"Meneer, ik ben al in de tachtig en ik moet nog zoveel schilderen. Dat moet u me maar niet meer vragen ... liefde voor de liturgie. Een van de meest opmerkelijke uitspraken in het interview met Puchinger is: "Onbewust schat ik de kerken zo hoog als haar eredienst." In het al vermelde interview lees ik ook over een dienst die hij in Denemarken meemaakte, in een klein kerkje in Laaland, "een gewone Avondmaalsdienst in de oude Abdijkerk van Logum-kloster, geleid door een cantor. Ik zal hem nooit vergeten, die oude cantor; hij is nu dood. Van de predikant weet ik niets meer; die verstond ik niet. De kerk van Denemarken is voor mij niet Grundtvig en Kierkegaard maar de diensten en die cantor. Ik hoor de melodieën nog. En datzelfde geldt ook allemaal van Boelgarije, Spanje, Joego-Slavië en het hele Oosten.
Dat onophoudelijke bedrijf, die gedachtenis aan Zijn dood, dat is voor mij de kerk. En de monniken die dag in dag uit de psalmen zingen. Dat ze daarmee ophouden, dat is de grote ergenis nu."
* een grote liefde voor de kunst. Dat is het begin geweest van een groot deel van zijn oeuvre. De liefde voor de Gotische kathedralen is op vele pagina's prachtig proza enigszins te peilen. De liefde voor de Vroeg - Christelijke Kunst is overal bespeurbaar.
En het wordt vaak zo overtuigend verbonden met de inhoud van de Bijbel en het algemeen christelijk geloof.
de brandende belangstelling voor het geloof, voor traditie en voor geloofsoverdracht.
Enerzijds zegt hij dat theologie hem niet zo interesseert.
"Ik begrijp Luther zo, die Bernardus en Augustinus boven iedereen stelde, want dat waren niet alleen hoogbegaafde maar ook vrome christenen, die ieder woord beleefgden en 'leefden' wat ze zeiden."
Kontakt met gereformeerden
In het genoemde interview spreekt vd Meer over zijn Roomse jeugd, maar ook spreekt hij onder andere over zijn kontakt met Gereformeerden met wie hij het vaak bijzonder goed kon vinden.
Een en ander moge blijken uit het volgende. Hij noemt z'n twee vrienden die predikant zijn geworden en zegt dan: "Wat heb ik aan die twee vrienden () te danken? Behalve qe vriendkeld schap: mijn eerste statenbijbeltje en gesprekken over het geloof. Dus de eerste serieuze gesprekken over het geloof, want onder katholieken doe je dat niet. Katholiek-zijn, dat is niet erover praten maar doen. Bijvoorbeeld zoals wij de Goede Week vierden, mijn vader, de kinderen (mijn zusje en ik) en het personeel; moeder stierf al heel vroeg ... U zult zeggen: sprak je dan onder de rooms-katholieken niet over 't geloof? Neen, het was doen. Op Goede Vrijdag las mijn vader, geknield naar het oosten, op de binnenplaats de vier passies voor, uit een klein boekje.
Wij eromheen, met het personeel; als het regende binnen. Stel je voor; hij at die dag helemaal niet. Ja, het hele leven was religie. Vandaar dat wij de gereformeerden zo goed begrepen. De katholieken hadden een andere stijl, maar 't was hetzelfde."
Over zijn vader staan andere, indrukwekkende, dingen genoemd. Vanaf het moment dat de pauselijke encycliek De Motu Proprio van 1905 de dagelijkse communie aanbeval, ging zijn vader dagelijks naar de kerk. "Vanaf dat Motu Proprio ontving hij elke dag het heilig Avondmaal en hij heeft nooit overgeslagen, tot zijn dood toe. 0 Iedere dag naar de mis dus en daarna ging mijn vader aan zijn werk. Om 12 uur 's middags kwam hij thuis en ging dan van halfeen tot één uur naar de lege kerk en bad, met de ogen naar het altaar, zonder boek.t) De pastoor zei later:'Uw vader sloeg nooit één dag over.' En des avonds, wie er ook was, om 10 uur stond mijn vader op 0 en verdween naar zijn slaapkamer om in de Duitse Bijbel van Allioli te lezen en te bidden. Zijn avondgebed, viel ons op, werd hoe langer hoe langer, hoe ouder hij werd. Wij kinderen benijdden de gave des gebeds die hij had, die mijn zuster de Karmelites wel heeft en die ik niet heb: ik bid de psalmen.
Een prachtig voorbeeld uit zijn leven vind ik het volgende:"lk zat met mijn hoofdassistent 0 in een eersteklas treincoupé op een zaterdagavond. Ik las de psalmen in mijn brevier, zo'n zwart brevier, u weet wel, goud op snee, en dat goud blikkerde in de zon.
Ik had mijn witte boord om. Er gebeurt 't volgende. Daar komt een pikzwarte Zeeuw langs mijn plaats in zijn zondagse pak, met een blond jongetje op de arm. 0 Hij ziet ons, dat kind kijkt naar mijn goud-op-snee boek. Wat doet die vent? Hij pakt dat kind en zet het bij mij op schoot. Dat kind begint, zoals alle kinderen doen, wat aan mijn gezicht te trekken. Ik denk: wat wil die man? Ik gaf hem het kind na enige tijd terug. En die Zeeuw loopt er weer mee door. Ik hem achterna, want ik moest daar méér van weten. 0 Ik vroeg:'ls err iets met dat kind?' Hij:'Het is zo gezond als een vis, mijnheer.' Ik:'Bent u bijgelovig?"
Hij:'lk ben goed gereformeerd, mijnheer, hoop ik.' Hoop ik, dat vond ik prachtig, dat dat erachter aan kwam. Toen hij weer: 'Wou u weten, waarom ik dat kind gaf?
Wat dacht u?
Ik weet letterlijk wat ik antwoordde: ik zeg: 'Nou, ik dacht aan Simeon in de tempel.' Daar zegt me die man: 'Maar dat dacht ik ook! Ik zag een oud man de psalmen zitten lezen en dat zie je tegenwoordig zo weinig meer.' Ik zeg: 'Lucas 2 ... "
'Ja', zegt hij,'Lucas 2...' en zonder verder een woord te zeggen liep hij daarna door."
Schitterende boeken
Het zijn wat trekjes die de man typeren.
Een ouderwets-rooms man, een groot geleerde, een kunstkenner van internationele faam, een man met hartstocht voor schoonheid, een man die de kerkvaders als "tijdgenoten"
ervoer en ze zo ook in zijn vele geschriften voor het voetlicht kom halen.
Wat heeft dat alles opgeleverd. Ik noem het schitterende boek Augustinus de Zielzorger, dat de kerkvader onvermoed dichtbij haalt. Toen we prof. vd Meer gingen bezoeken, vroeg een vriend, een (erg kritische) Gereformeerde predikant: "Wil je hem s.v.p. zeggen dat ik net voor de zeventiende keer zijn boek over de kerkvader Augustinus gelezen heb? Met weer héél veel profijt?" Zelf heb ik ettelijke boeken over Augustinus gelezen, maar nog steeds vind ik vd Meers boek (uit 1947, maar met herdrukken) zonder weerga.
Of die prachtige Catechismus, Dat is Onderichting in het Ware Geloof uit 1941. De eerste zin van het boek luidt: "Christendom is de godsdienst die wij mensen niet gemaakt hebben. Het ware geloof is zelfs niet gevonden of ontdekt, het is ons gegeven."
Natuurlijk is het een werk waarin we ook opvattingen vinden die Gereformeerden niet delen. Toch moet je ook zeggen: wat staat daar veel in verwerkt van Kerkvaders en Concilies, wat staat er veel in dat je elders niet zo gauw bij elkaar vindt, wat is het in prachtige taal gevat! Het is een boek waar ik een warm plekje voor heb en dat ik ook nog wel eens gebruik vanwege de trefzekerheid van formuleren en en de fenomenale eruditie die eruit spreekt. De uitspraak die voornoemde vriend jaren geleden al deed, "Vd Meer weet alles!" heeft op zich al bijna het karakter van een onfeilbare stelling!
Zijn prachtige boeken over de "Christelijke Middeleeuwen", het mooi uitgegeven Geschiedenis eener Kathedraal (1941), Uit het Oude Europa (1947), Keerpunt der Middeleeuwen. Tussen Cluny en Sens (1950, helaas alleen als een gewone pocket uitgegeven, voorzover ik weet) alsook de Kleine Atlas van de Westerse Beschaving (1951) en Oudchristelijke Kunst(1965) staan bij me in de kast, maar volledig is daarmee de collectie niet. Ook zijn werk samen met dr.Gerard Bartelink vertaald en uitgegeven Van den heiligen Johannes den Damascener de Derde Verhandeling tegen hen die de H.lkonen smaden (1968) is een klein, maar zeer fijn uitgegeven werkje, een kleinood, dat in 82 pp. de (theologische) fundering voor de ikonenverering geeft. Het in zijn ouderdom uitgegeven Apokalypse, (1978) met nagenoeg alle werken die door het boek Openbaring geïnspireerd zijn is een weergaloos fraai werk, destijds bij het "dure" Mercatorfonds uitgekomen. En zo is er meer. Een getuigenis van uiterst rijk innerlijk leven, grote belezenheid en fijnzinnigheid, van ware vroomheid ook. Van een voor Gereformeerden ook herkenbare vroomheid, zoals ook het omgekeerde het geval was. "Ik denk er nu ook aan dat ik mij altijd thuisvoelde bij de evangelische vroomheid van de gereformeerden.
Vooral bij het zingen, bij het bidden en bij het vertrouwelijk geestelijk gesprek."
Wie met deze boeken wil kennismaken moet langzamerhand wat in antiquariaten gaan kijken. Heel wat van dit alles zal best nog op te sporen zijn. Of deze boeken momenteel zeer gewild zijn? Ik weet het niet. Wel heeft de bekende literator Kees Fens in 1981 een bloemlezing uit van der Meers werk samengesteld onder de titel Het Toneel is in de Hemel. Die is destijds bij Ambo in Baarn uitgekomen. Het is, wat mij betreft, te wensen dat er nieuwe interesse voor het Christelijke artistieke verleden zal komen. En wie dat verleden wil bestuderen kan niet om het werk van de overleden Prof. vd Meer heen.