Spreken in tongen: (aan)bidden met je geest
2009-06-19
Het spreken in tongen (glossalie) heeft sinds het begin van de vorige eeuw een enorme herleving doorgemaakt. Eerst kreeg het een centrale plaats in de Pinksterkerken, vervolgens druppelde het via de charismatische beweging de traditionele kerken binnen en nu komen ook veel Nederlands gereformeerden er mee in aanraking via de Alpha-cursus en contacten met evangelische christenen. Nadat ik de vorige keer iets over het talenwonder van Handelingen heb gezegd, wil ik nu – al valt het wat buiten het kader van deze reeks – ingaan op het verschijnsel ‘tongentaal’.- Jaargang 53
- nummer 13
Mijn vorige artikel beargumenteerde ik, dat het talenwonder van Handelingen en de glossalie te Korinte twee verschillende verschijnselen zijn. Hoewel ze ogenschijnlijk sterk op elkaar lijken, zijn ze duidelijk van elkaar te onderscheiden.
Twee verschijnselen
Het talenwonder van Handelingen beschouw ik als een wonder uit de categorie van de val van Jericho. De regie daarover ligt geheel en al bij God zelf; álle aanwezigen worden zo door de heilige Geest gebruikt dat zij – vermoedelijk eenmalig – in staat zijn om Gods grote daden in een ongetwijfeld voortreffelijk Arabisch, Elamitisch en Egyptisch te communiceren. De gave van glossalie te Korinte is echter niet aan allen gegeven en niet zozeer bedoeld voor extern als wel voor intern gebruik (de aanbidding van God en de persoonlijke geloofsopbouw); ze staat de glossalie-begaafden permanent ter beschikking en die hebben daarover ook de regie te voeren.
Maar, als de glossalie te Korinte geen herhaling – hooguit een echo – van het talenwonder uit Handelingen is, wat is het dan wel? Ik denk dat 1 Korintiërs 14:14-16 het antwoord op deze vraag geeft. Daar typeert Paulus glossalie als een ‘bidden met mijn geest’.
Een vorm van (aan)bidden
Glossalie is allereerst een vorm van bidden, lofzingen en dankzeggen. Iemand die te Korinte in tongen sprak, was dus in gebed of aanbidding. Vandaar dat Paulus ook kan zeggen dat iemand die in tongen spreekt, niet tot mensen spreekt, maar tot God (14:2). Mogelijk dat de glossalie ook toen al – net als tegenwoordig – meer klank was dan taal. Dat zou je kunnen opmaken uit de muzikale beeldspraak die Paulus bij herhaling gebruikt. In 1 Korintiërs 13:1 lezen we: ‘Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal.’ En in 14:7-8 staat: ‘Het is als met een instrument, bijvoorbeeld een fluit of citer. Als er geen verschil tussen de tonen is, hoe kan men dan horen welke melodie er wordt gespeeld? En als een trompet een onduidelijk signaal geeft, wie maakt zich dan gereed voor de strijd?’ Helemaal hard maken kan ik het niet, maar het zou heel goed kunnen dat Paulus hier tot twee keer toe een muzikale beeldspraak gebruikt, omdat glossalie iets zangerigs, iets klankrijks heeft. En de (gewaagde!) vertaling van glossalie met ‘klanktaal’ (NBV) zou daarom wel eens een voltreffer kunnen zijn. Hoe dat ook zij, heel duidelijk is dat glossalie vooral een vorm van gebed en aanbidding is.
‘Met mijn geest’
Dan typeert Paulus glossalie als een bidden ‘met mijn geest’. De gerenommeerde exegeet Gordon Fee kiest hier voor de vertaling van pneuma (geest) met zowel ‘geest’ als ‘Geest’. Het is immers de heilige Geest die zich uit middels iemands geest. Paulus heeft het hier echter nadrukkelijk niet over Gods Geest – die werkt immers niet minder door verstaanbare en voor het verstand te bevatten uitingen! – maar over zijn eigen, over de menselijke geest. Hij zegt: ‘Wanneer ik in klanktaal bid, bid ik weliswaar met mijn pneuma (geest), maar doe ik niets nuttigs met mijn nous (verstand).’ Het woord ‘geest’ kan in deze context alleen maar duiden op een bepaald aspect van de menselijke persoonlijkheid dat te onderscheiden valt van het verstand, het op begrip en inzicht aangelegde deel van de menselijke persoonlijkheid. Ook in de verzen 15 en 16 heeft Paulus het niet over de Geest met een hoofdletter (aldus de Willibrordvertaling), maar over diezelfde dimensie van de menselijke persoonlijkheid die hij met het woord ‘geest’ aanduidt.
Niet te bevatten
Glossalie, het (aan)bidden met je geest, is dus een vorm van gerichtheid op God waarbij het verstand even stilstaat. Dat betekent niet dat iemand die in klanktaal (aan)bidt per definitie in extase is, al kan dat het geval zijn. Alleen uit hij zich niet in welbegrepen en doordachte zinnen, maar in door hemzelf onbegrepen woorden en klanken die hem te binnen komen en die door de werking van Gods Geest ter verheerlijking van God zijn. Degene die in klanktaal bidt of zingt, doet dat in het vertrouwen dat de Geest door hem of haar heen God groot maakt en betrekt bij de geestelijke strijd in de hemelse gewesten. En degene die in klanktaal spreekt, wordt daardoor ook zelf versterkt en bemoedigd in het geloof. Paulus dankt God daarom dat hij deze gave in rijke mate ontvangen heeft (14:18). Maar, voegt hij er aan toe, glossalie is meer voor persoonlijk dan voor gemeentelijk gebruik, omdat anderen er geen syllabe van begrijpen.
Niet exclusief christelijk
Het vermogen om niet alleen met je verstand, maar ook met je geest te spreken is niet exclusief christelijk. Het is een mogelijkheid die veel meer mensen hebben en die mijns inziens door God in de schepping is gelegd, net als je verstand gebruiken en profeteren, net als musiceren en genezen. Elke gave van de Geest heeft immers zijn wortels in de schepping? De Geest werkt bij uitzondering ‘senkrecht von Oben’. Hij deed dat in Handelingen (het talenwonder), maar niet in Korinte. Te Korinte knoopt Hij aan bij de door God in de schepping gelegde menselijke vermogens, Hij zuivert die en neemt die in dienst.
Naar mijn mening is glossalie – hoe ongrijpbaar ook – dus niet iets gevaarlijks of irrationeels, zoals sommige christenen menen. De gave om met wonderlijke woorden en klaterende klanken te spreken is een scheppingsgave, die binnen de werkingssfeer van de heilige Geest gebruikt kan worden ter verheerlijking van God en tot opbouw van je persoonlijke geloof.
Contextbepaald
Omdat het vermogen om in klanktaal te spreken algemeen-menselijk is, worden de activering en vormgeving daarvan beïnvloed door de bijzondere culturele en sociale omstandigheden waarin mensen leven. Zo is het met alle van God gegeven en door de Geest benutte scheppingsmogelijkheden. Al deze uitingen van de Geest worden gestempeld door sociale, culturele en psychische factoren. Nergens is het werk van de Geest in een reageerbuis of ‘Reinkultur’ verkrijgbaar. Vandaar dat de uitingen van de Geest per persoon, per plaats en door de tijd heen zo verschillend kunnen zijn. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de rijke variatie waarin zich het verschijnsel profetie in de Bijbel voordoet. De ene keer raken mensen in een wilde extase (1 Samuël 10:5-12 en 19:19-24), of hebben ze het spel van een lier nodig om te kunnen profeteren (2 Koningen 3:15), de andere keer is van dit alles niets het geval (Luc. 2:25-38). Sommige profeten ontvangen een geopend oog en krijgen vooral gezichten te zien (Ezechiël, Daniël, Johannes), andere profeten ontvangen een geopend oor en krijgen vooral woorden te horen (Jesaja, Jeremia). De uitingen van de Geest – zo maak ik hieruit op – nemen de gestalte aan van de cultuur waaruit mensen afkomstig zijn en de persoonlijkheid die zij hebben. Dit verklaart waarom met name te Korinte de glossalie zo’n prominente plaats inneemt. De Kortintische gemeente had hier – gegeven haar sterk charismatische inslag – klaarblijkelijk een grotere ontvankelijkheid en gevoeligheid voor dan de andere nieuwtestamentische gemeenten, waar – zie de gavenlijsten van Romeinen 12 en Efeziërs 4 – glossalie niet voorkwam of een veel minder prominente rol speelde.
Goed voor persoonlijk gebruik
Het spreken in vreemde talen functioneert in de Bijbel dus op meer dan één manier. Hetgeen in Handelingen aan de orde is, heeft naar mijn mening iets onherhaalbaars, zij het dat er nog steeds een veelzeggende boodschap van uitgaat. Anders ligt dit met de gave van glossalie. De mogelijkheid om ‘met je geest’ te bidden en te lofzingen bestaat nog steeds en door de opkomst van de Pinksterbeweging is een klimaat ontstaan waardoor velen openstaan voor het benutten van deze mogelijkheid. We hoeven hiervoor niet terug te schrikken en ons hier niet tegen te verzetten. Mocht het ons overkomen dat die dimensie van onze geest ontsloten wordt en we in klanktaal gaan spreken, of mochten we meemaken dat het een ander overkomt, dan kunnen we dat met een gerust hart laten gebeuren. We mogen erop vertrouwen dat onze of andermans geest op zo’n moment de Heer verheerlijkt door de kracht van de Geest.
Een heel ander ding is het om de glossalie zo sterk te promoten als sommige medechristenen dat doen. De Bijbel dringt er nergens op aan om in klanktaal te spreken, integendeel zelfs. ‘Streef ernaar te profeteren’ klinkt toch heel wat anders dan ‘verhinder niet dat er in klanktaal gesproken wordt’ (1 Korintiërs 14:39). De glossalie is meer iets voor de binnenkamer, dan voor de gemeentelijke samenkomsten. Laat het daar dan blijven, tot eer van God en tot versterking van je gebeden en de persoonlijke band met God!
Ds. Jan Mudde is predikant van de NGK in Haarlem.