Sabbat en zondag
1995-02-10
Minister Wijers heeft met zijn voorstel de winkels op zondag open te stellen een knuppel in het nederlandse hoenderhok gegooid.- Jaargang 39
- nummer 3
De discussie over het voor en het tegen ervan is losgebrand en zorgt ook binnen het kabinet voor verdeeldheid. Dat het opschuiven van de zondag naar een werkdag elm kwalijke zaak is, behoeft voor onze lezers geen betoog. Maar achter veel christelijke argumentatie gaat m.i. een onbijbelse visie schuil. Het lijkt me zinnig daar eens aandacht aan te geven. In dit artikel, waarin uiteraard lang niet alles aan de orde komt, willen we proberen wat zicht op de bijbelse achtergrond te krijgen.
Oliecrisis
Tijdens de oliecrisis in 1973kwamen tengevolge van de autoloze zondagen diverse gemeenten, met name streekgemeenten, in de problemen met de zondagse kerkdiensten Want streekgemeenten kunnen alleen maar bestaan bij de gratie van de olie. Zodra de olie in de tank gaat ontbreken. komen ze in moeilijkheden. Er zijn toen gemeenten geweest, onder andere die van Oegstgeest waar ik toen predikant was, waar men de vroege zondaqochtenddienst verschoof naar de zaterdagavond.
Toen kon je het meemaken dat gemeenteleden regelrecht van de sportzaal, waar ze zojuist een wedstrijd gespeeld hadden, nog in sportkleding naar de kerk kwamen. Het deed een beetje denken aan de situatie in het Nieuwe Testament, waar sommige gemeenteleden regelrecht uit hun werk, met hun werkplunje nog aan, naar de samenkomsten kwamen.
Overigens is toen tijdens de ol ieerisis gebleken, dat de zondag, waarop bijna iedereen vrij is en maar weinig mensen andere verplichtingen hebben, voor ons de meest geschikte dag is voor gemeentelijke samenkomsten en dat het een ramp zou zijn als de zondag als vrije dag verdween. Zelfs op zaterdagavond blijken allerlei mensen toch nog bepaalde verplichtingen te hebben, waardoor ze niet naar de kerk kunnen komen.
Maar ondanks dat was het toen een goed alternatief. Als het houden van kerkdiensten op zondag moeilijk of zelfs onmogelijk wordt, zoek je een andere dag in de week waarop het wel mogelijk is. Er bestaat immers gElen enkel gebod van God dat voorschrijft, dat het uitsluitend op zondag moet. In het Nieuwe Testament lezen we integendeel dat de eerste christenen elke dag samenkomsten hadden. Want na Christus bestaat er geen prlncipieel onderscheid meer tussen de ene dag en de andere. In Rom. 14:5,6 en Col.
2:16,17 spreekt Paulus duidelijk uit, dat wat hem betreft alle dagen gelijk zijn en de ene dag niet meer boven de andere hoeft te staan. De oudtestamentische sabbat was een schaduw, zegt hij. Die behoorde bij de schaduwachtige bedeling, die vervuld en afgesloten is door Christus. En nergens in het Nieuwe Testament komen we een gebod tegen dat ons zegt, dat we in plaats van de sabbat nu een andere dag, in casu de zondag, apart moeten zetten. Dat wij onze kerkdiensten op de zondagen geconcentreerd hebben, is in de loop van de eeuwen zo gegroeid.
Daar is niets op tegen. Zolang we maar niet denken dat het een gebod van God is, dat het per se op zondag moet, omdat Hij wil dat we speciaal de zondag in zijn dienst besteden.
Want dat is pertinent niet waar.
Apart zetten
De beroemde synode van Dordrecht heeft in 1619 uitgesproken, dat christenen de zondag plechtig moeten heiligen en dat die dag speciaal voor de godsdienst bestemd moet zijn. Maar in het Nieuwe Testament vinden we dat niet terug. Wanneer we van zondagsheiliging willen spreken, moet ook van maandags- en dinsdagsheiliging spreken.
De stelling dat er één bepaalde dag in de week moet zijn die speciaal voor de-godsdienst bestemd is, gàat zelfs tegen heel de geest van de bijbel in, ook tegen die van het Oude Testament.
Er is geen sprake van, dat God wil dat we één dag in de week speciaal aan zijn dienst wijden. Hij wil niet één dag in de week van ons, maar alle dagen van de week. Hij wil geen éénuurs-
christendom, geen zondagschristendom, maar Hij wil elke dag van de week bij ons op de eerste plaats staan.
Wie denkt dat God wil, dat één dag in de week afgezonderd moet worden voor de godsdienst en dat daarin de betekenis van het sabbatsgebod ligt, heeft een volkomen verkeerde voorstelling van de oudtestamentische sabbat. Laten we dat even nagaan.
In de vierde verbondsclausule van het verbondsverdrag tussen de HERE en Israël droeg de here aan zijn volk op de sabbat (de zaterdag) te heiligen, dat wil zeggen: apart te zetten. De HERE lichtte de zaterdag uit de rest van de week en markeerde die dag duidelijk in onderscheid van de andere dagen. Hij droeg aan Israël op die dag apart te zetten en af te scheiden van de overige dagen van de week. Dat moesten ze doen door op die dag niet te werken. Dat was alles wat hun opgedragen werd: ze moeten de sabbat apart zetten door niet te werken.
Geen dag voor de godsdienst
Was de sabbat daarmee een dag geworden, waarop Israël zich speciaal aan de godsdienst moest wijden? Het leek er niet op. Onwillekeurig stellen wij ons voor dat de Israëlieten twee keer per sabbat in de synagoge zaten.
Maar dat was niet zo. Want toen de HEREde sabbat instelde als een teken van het verbond tussen Hem en zijn volk (Ex. 31:12-17), was de synagoge nog een onbekend fenomeen. Die bestond toen nog niet. De synagoge is pas ontstaan in de tijd van de babylonische ballingschap, als een vervangingsmiddel voor de tempeldienst die daar op vreemde bodem onmogelijk was geworden. Sinds die tijd heeft de synagoge zich ontwikkeld. En in de dagen van Christus is de synagoge zo ingeburgerd, dat je de Joden dan op sabbat naar de synagoge ziet gaan.
Hoewel ze dat ook weer niet uitsluitend op de sabbat deden, want ook op dinsdag en donderdag was er een samenkomst in de synagoge.
Ook de Here Jezus deed daaraan mee.
Met allerlei andere tradities met betrekking tot de sabbat had Hij grote moeite, maar dit was een traditie die hij nooit bestreden heeft. Want natuurlijk was het een goede zaak bezig te zijn met het Woord van God. En dat gebeurde in de synagoge. Maar van Mozes tot de babylonische ballingschap toe hebben de Israëlieten het altijd zonder synagoge moeten doen en konden ze op de sabbat geen godsdienstige samenkomsten bijwonen.
Het houden van samenkomsten in de synagoge op de sabbat was geen gebod van God. Het was een traditie die pas laat in Israëls geschiedenis ontstaan is.
Maar wat deden de Israëlieten tot aan de ballingschap dan op de sabbat?
Gingen ze naar de tabernakel of de tempel om daar deel te nemen aan de offerdienst? Moest de sabbat geheiligd worden door naar de tempel te gaan?
Het antwoord op die vraag moet luiden: nee.
Geen gebod van God
In de eerste plaats was er helemaal geen gebod van God in die richting.
Voor het overgrote deel van de Israëlieten zou het ook niet mogelijk zijn.
De mensen waren toen wel meer gewend om te lopen dan wij, maar om elke week op de sabbat een afstand van Groningen naar Assen of van Utrecht naar Amersfoort te moeten lopen, zou echt teveel gevraagd zijn.
En voor mensen die nog verder van de tabernakel of de tempel woonden (dat gold voor de meesten), was het helemaal geen doen. Het bijwonen van de tempeldienst op de sabbat, was slechts haalbaar voor een zeer klein deel van het volk.
Daar kwam nog bij dat ook voor degenen voor wie de afstand naar de tempel niet te groot was, toch het elke week weer deelnemen aan de offerdienst financieel onmogelijk was. Het zou betekenen dat ze per jaar 52 koeien, schapen of geiten moesten offeren. Het zou de mensen ruïneren.
Als je één keer in de twee maanden eens een offer bracht, was dat al heel veel. Maar ook al zou iedereen op de sabbat wel naar de tempel kunnen gaan, dan nog was het niet de offerdienst die de sabbat onderscheidde van de andere dagen. Want er was in de tempel ook de reguliere offerdienst, vaste dagelijkse offers van twee schapen en een spijsoffer, die niet van particulieren afkomstig waren. In de tabernakel en in de tempel was er om zo te zeggen een alle-dag-kerk, zoals later ook weer in de nieuwtestamentische gemeente.
Op de sabbat werd de omvang van het 'dagelijkse offer verdubbeld.
Bovendien werden dan de toonbroden vernieuwd. Er was dus in de tempeldienst wel extra aandacht voor de sabbat. Maar het bijwonen van die offerdienst op de sabbat was nergens voorgeschreven en vormde geen onderdeel van het heiligen van de sabbat.
Van de stelling dat God wil dat één dag van de week speciaal voor de godsdienst bestemd moet zijn, blijft dus, als we de Schrift erop naslaan, helemaal niets overeind staan. Zelfs in het Oude Testament is daarvan niets te vinden. En je vraagt je af hoe het mogelijk is, dat een dergelijke stelling in de kerk voet aan de grond heeft gekregen.
Wat is heiligen?
Misschien vraagt iemand, door deze conclusie tot wel enigszins geschokt, zich af: maar hoe konden de Israëlieten de sabbat dan heiligen? Als tempel- of synagoge bezoek door God niet verplicht gesteld was op de sabbat, wat blijft er dan nog over waarmee ze de sabbat konden heiligen?
Als we met die vraag zitten, is er bij ons nog een ander misverstand in het spel, dat betrekking heeft op het woord heiligen.
Wij hebben de neiging te denken dat er alleen maar van heiligen gesproken kan worden, als er vrome, godsdienstige dingen gedaan worden. Maar dat is niet zo. Heiligen betekent letterlijk: afzonderen, apart zetten. Israël moest de zaterdag apart zetten van de andere dagen. En de here had hun precies verteld op welke manier ze dat moesten doen: niet door die dag op te vullen met godsdienstige plechtigheden, maar door op die dag te rusten van hun dagelijks werk. Dat was alles wat de HEREvroeg. De sabbatsheiliging bestond voor Israël niet in het nakomen van allerlei godsdienstige plichten, maar in het er je gemak eens van nemen, in een uitgebreid en nadrukkelijk je benen strekken. Op die manier moest de zaterdag apart gezet worden van de andere dagen. Die rust, die ontspanning, is de kern waar het om gaat. Sabbat betekent rust. De sabbat wilde zeggen, dat Gods volk onder zijn zorg ontspannen mocht leven.
Het latere rabbijnse jodendom heeft die dag van ontspanning gemaakt tot een dag van krampachtig vervullen van talloze wetjes en regeltjes. Volgens de rabbijnen was het sabbatsgebod het belangrijkste en meest fundamentele van alle geboden, het hart van heel de wetgeving. Het was volgens hen zo belangrijk, dat de Israëlieten de verlossing zouden kunnen realiseren door slechts twee.sabbatten precies volgens alle wetjes en regeltjes te onderhouden.
De Essenen, een rigoureuze sekte in de tijd van het Nieuwe Testament, namen het nog weer nauwer dan de rabbijnen. Zij namen het sabbatsgebod zo strikt, dat ze een wc-loze sabbat voorschreven. Wie op sabbat zijn behoefte deed, ontheiligde de sabbat.
Je moet er niet aan denken wat voor wanhopige toestanden dat gaf, vooral tegen het.einde van de dag. En wat zullen ze de volgende dag stapels wasgoed gehad hebben. Want alles ophouden lukte iedereen natuurlijk toch niet. En de rabbijnen hebben serieus en uitvoerig met elkaar gediscussieerd over de vraag of het wel geoorloofd was een ei te eten, dat door een kip op een sabbat gelegd was. Van het karakter van rust en ontspanning was zo niets overgebleven, terwijl dat nu juist de kern van de sabbatsheiliging was.
Voor de nieuwtestamentische gemeente bestaat er geen sabbatspebod meer. Dat er een vrije zondag gekomen is, mogen we als een zegen van de HEREzien waarmee we zorgvuldig om behoren te gaan en die we niet zomaar te grabbel moeten gooien, maar is geen voorschrift van Hem. De traditie die wel van zo'n gebod uitgaat, belemmert het zicht op de evangelische ruimte, vooral ook omdat ze meer aanleunt tegen de joodse rabbijnse sabbatsviering dan tegen het vierde gebod zelf.
De rustvan het aardse en het hemelse Kanaän
De kern van het sabbatsgebod, de rust, komt ook ter sprake in de brief aan de Hebreeën. De geadresseerden' dreigden door verdrukkingen en vervolgingen de band met Christus en de gemeente kwijt te raken. Via een citaat uit Ps. 95 waarschuwt de schrijver zijn lezers daarvoor. Israël heeft in de woestijn zijn hart versteend en Jahwe verzocht en getergd. Dat heeft de HEREertoe gebracht te zweren: nooit zullen ze ingaan in mijn rust. Dat gold voor al die mensen die onder Mozes uit Egypte getrokken waren. Ze wilden niet gehoorzamen. En het is dus duidelijk, dat ze.niet konden ingaan vanwege hun ongeloof. Daar lag de oorzaak.
Die lag niet bij God of bij de omstandigheden. Daar willen wij, mensen, wel graag 'de schuld op gooien. Maar die vlieger gaat niet op.
De oorzaak lag bij hun ongeloof. Daardoor konden ze niet ingaan in de rust van Jahwe.
Maar, gaat de schrijver van de brief verder, je mag bij die rust ook nog aan iets anders denken. Want de mensen aan wie de waarschuwing van Ps. 95 in eerste instantie gericht was, waren al in de rust van Kanaän.
Als de waarschuwing aan hun adres voor ons nog enige zin wil hebben, kan de betekenis van het woord 'rust' dus niet uitgeput zijn met de rust van Kanaän, maar moet er nog een daar bovenuit reikende betekenis zijn: het toekomstige rijk van God, het hemelse Kanaän, de stad aan de einder waarheen ook Abraham op weg was (vgl. Hebr. 11:10,16). Naar die rust zijn ook wij op weg. Daarom geldt de waarschuwing van Ps. 95 ook voor ons.
Want nog steeds is hetzelfde patroon van kracht. De belofte van de rust, dat goede nieuws, is op precies dezelfde wijze naar ons toegekomen als indertijd naar hen. En evengoed als de Israël ieten de rust van het aardse Kanaän niet binnengingen vanwege hun ongeloof, zo is het ook mogelijk dat sommigen van ons de toekomstige rust niet kunnen binnengaan. De belofte van de rust wordt alleen gerealiseerd in de weg van het geloof. Dat geldt zowel voor de oudtestamentische situatie als voor de nieuwtestamentische.
Vertakkingen van de rust
En dan springt de schrijver via een gedachtenassociatie over op nog weer een andere betekenis van het woord rust, namelijk op het rusten dat God deed op de zevende dag na de schepping.
God rustte op de zevende dag van al zijn werken. De rust van Israël in Kanaän stond daar niet los van.
Zoals God rustte van zijn werk, zo wildè Hij ook zijn volk rust geven in Kanaän. En die rust in Kanaän was op haar beurt weer een voorproefje van de rust in het hemelse Kanaän. En die heeft natuurlijk ook weer alles te maken met Gods sabbatsrust op de zevende dag, die weer alles te maken heeft met de sabbatsrust voor Israël.
Wat de schrijver met deze reeks van associaties wil laten zien, is dit: de rust van God heeft verschillende vertakkingen en al die vertakkingen monden uit in de rust van het hemelse Kanaän. Die rust is de eigenlijke sabbatsrust die ons nog te wachten staat, waarvan de sabbatsrust bij Israël al een voorspel, een afschaduwing was.
De sabbatsrust van Israël was een verwijzing naar de uiteindelijke rust die wij nog verwachten. En wie die uiteindelijke rust binnengaat, zal net als God rusten van zijn werken. Onze werken zijn altijd verbonden met moeizaamheid, gebrekkigheid, gebrokenheid, vruchteloosheid en zondigheid.
Bij God is dat niet zo, maar bij ons wel. Daarom houdt de uiteindelijke sabbatsrust voor ons in: eindelijk verlost zijn van de zonde, van het eeuwige gevecht met jezelf, van het nooit aflatende optornen tegen de gebrokenheid en van het vechten tegen de bierkaai, eindelijk je benen kunnen strekken en je voorgoed ontspannen.
Als je die sabbatsrust wilt binnengaan, moet je je hoeden voor ongehoorzaamheid en voor het verharden van je hart. Dan zullen we nu vandaag al elke dag moeten leven uit het geloof en strijden tegen de zonde. Wie er ernst mee maakt de eeuwige sabbatsrust in te gaan, moet nu, vandaag, al beginnen te rusten van zijn zonden, niet alleen op zaterdag of zondag, maar elke dag. Want God wil niet één dag in de week van ons, maar alle dagen van ons leven.
Zondagskinderen
Er is nog een plaats in het Nieuwe Testament waar over rust gesproken wordt: Matth. 11:28. Daar zegt Jezus: komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u ... en ge zult rust vinden voor uw zielen. Jezus sprak die woorden in dezelfde tijd als waarin Hij door de Farizeeërs ter verantwoording geroepen werd inzake de sabbatsrust (12:1-14). Met deze woorden laat Hij zien dat Hij zelf de vervulling is van het sabbatsgebod en dat Hij de ware sabbatsrust geeft. Niet het krampachtig naleven van allerlei wetjes en regeltjes geeft de ware sabbatsrust.
Daar word je alleen maar moe van, doodmoe. Maar wie Jezus volgt, zijn juk opneemt en zich door Hem laat leren, ontvangt de ware sabbatsrust.
Jezus volgen en in zijn wegen wandelen betekent geen jachtig bestaan, waarbij je constant opgejaagd en voortgezweept wordt door wetjes en regeltjes en waarbij je voortdurend met je tong op je schoenen loopt. Nee, het maakt je ontspannen. Het maakt je tot echte zondagskinderen. Elke dag van je leven.