Persschouw

1995-02-10
  • Jaargang 39
  • nummer 3
In gesprek met Anouk
"ik voelde me in de steek gelaten"
Openhartig is ze. Confronterend. Soms doen haar woorden pijn. Niet omdat ze kwetst, maar omdat het waar is wat ze zegt. Pijnlijk waar. Ik bewonder haar dat ze - na alles wat ze heeft meegemaakt - daarover met me praten wil.
Kun je iets vertellen over jezelf?
Ik ben 31 jaar. Alleenstaand. Als ziekenverzorgster werk ik met demente ouderen. Fijn werk vind ik dat. Kwetsbare mensen zijn vaak mooie mensen.
Is het niet ook moeilijk werk?
Je wordt natuurlijk geconfronteerd met heel veel narigheid. Dat is niet altijd gemakkelijk. Soms lijkt het leven in een verpleeghuis zo zinloos. Je hebt echt mensen nodig met wie je daarover praten kunt. Anders loop je vast.
Dat is jou ook overkomen ...?
Ja. Op een bepaald moment ging ik steeds meer tegen de gewone dingen opzien. Ik was bang om fouten te maken.
's Avonds en in het weekend kwam ik niet meer los van mijn werk.
Maandenlang heb ik geprobeerd om me toch te handhaven. Totdat het echt niet meer ging. Gelukkig had mijn afdelingshoofd dat op tijd in de gaten.
Wat heb je toen gedaan?
Aanvankelijk heeft de huisarts me opgevangen. Toen het van kwaad tot erger ging heeft hij me verwezen naar het RIAGG. Ik at haast niet meer. Ik durfde de straat niet meer op. Bij het RIAGG bleek trouwens, dat er veel meer aan de hand was dan problemen met mijn werk. Ze hebben me daar goed geholpen.
Waren er behalve je huisarts en het RIAGG nog andere mensen, die toen iets voor je betekend hebben?
Mijn ouders hebben erg hun best gedaan.
Verder bleef bijna iedereen op veilige afstand. Dat is me eigenlijk bar tegengevallen. Vooral van de kerk waartoe ik behoor. Jarenlang ben ik actief geweest in het jeugdwerk. Toen ik ziek werd heeft niemand naar me omgekeken. Nee, echt niemand.
Is het niet moeilijk om in zulke omstandigheden meeleven te tonen? .
Ja, maar je kunt het toch minstens proberen. AI hadden ze maar gezegd, dat ze zich machteloos voelden. Nu voelde ik me in de steek gelaten. Onbegrepen.
Pas na anderhalf jaar, toen het wat beter ging, kwam iemand me ' vragen of ik weer eens naar de kerk wilde komen. Blijkbaar waren ze meer in me geïnteresseerd als kerkganger dan als mens.
Voelde je je ook in de steek gelaten door God?
Eigenlijk wel. Ik kon gewoon niet begrijpen waarom dit me moest overkomen.
Waarom greep God niet in?
Waarom luisterde Hij niet naar mijn gebed? Sinds ik ziek geweest ben vind ik het moeilijk om te geloven. Ik durf het niet meer. Ik mis het vertrouwen, denk ik.
Verwacht je, dat dat ooit nog anders worden zal?
Ik heb niet gebroken met God. Achteraf geloof ik zelfs, dat Hij me door die moeilijke tijd heeft heengeholpen.
Maar zoals ik vroeger in God geloofde, zo kán ik het niet meer. Ik wil dat ook niet meer.
Vergis ik me als ik in je woorden toch een verlangen naar God beluister?
Ik weet het niet. God heeft niet geantwoord op mijn zoeken en mijn vragen.
Tegelijk vraag ik me af of ik niet teveel van God verwacht heb. Misschien moest Hij het gat vullen, dat mensen hadden geslagen. En misschien ben ik ook wel te ongeduldig. "Je moet leren op God te wachten," zei laatst iemand tegen me, "net als Abraham."
En de kerk?
Het zal nog heel lang duren voordat ik mensen weer vertrouwen kan geven.
Onlangs was hier iemand van de kerk - die leek dat aan te voelen. Die wilde luisteren. Die gaf me de ruimte. Voor het eerst sinds lange tijd gaf dat me weer een goed gevoel.
Heeft de crisis ook iets positiefs voor je opgeleverd?
Ik heb meer oog gekregen voor de waarde van echte relaties. Er is zo weinig diepe betrokkenheid bij elkaar.
Mensen weten niet wat er in de ander omgaat. Zij laten zichzelf ook niet aan een ander kennen. Er is best veel jovialiteit, maar onder de oppervlakte zijn mensen onbevredigd.

(Om privé-redenen zijn de naam en omstandigheden van geïnterviewde gewijzigd.)

Dit stuk knipten wij uit de "ELISABETHBODE".
Laat niemand beginnen te steigeren als hij deze exklamaties leest. De kerk liet aanvankelijk volledig verstek gaan! Een ernstig minpunt!
Daarbij komt, dat ieder kind van God de dingen in een geloofskrisis op een eigen manier beleeft en verwerkt. Ik proef hier iets van de worsteling, die de dichter van Psalm 42 kende toen hij verklaarde: "Ik wil tot God, mijn rots, zeggen.' Waarom vergeet Gij mij?" (vs 10 a). Hij blijft zijn vertrouwen in zijn God uitspreken. Hij noemt Hem zijn rots. Nochtans die beangstigende vraag: Waarom vergeet Gij mij? Het is logisch gezien niet met elkaar te rijmen.
Maar het bleek wel de weg te zijn naar het heerlijke slot van de psalm: "Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God!" (vs. 12 b). En diezelfde God van toen is er nog. Hij tilt mij erboven uit in zijn onvoorstelbare macht en genade!

Enschede O. Mooiweer

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief